
Toen Nicolaas Beets in 1833 naar Leiden kwam, was hij bijna negentien jaar oud. Hij was geboren op 13 september 1814, te Haarlem, waar zijn vader apotheker was en dus tot de gegoede burgerij behoorde. Temidden van een harmonieus gezin had hij een onbezorgde jeugd doorgebracht, omringd door goede leermeesters, zowel op de Hollandse en Franse als op de Latijnse school. Zijn belangstelling voor de literatuur had zich al vroeg ontwikkeld. Behalve Latijn, Grieks en Frans had hij zich ook Engels eigen gemaakt, dankzij de omgang met een Engelse familie, die zich voor enige tijd in zijn geboortestad gevestigd had; Laurence Sterne, Walter Scott en Lord Byron behoorden tot zijn favoriete auteurs. Zelf had hij reeds poëzie en proza gepubliceerd in de belangrijkste almanakken en tijdschriften van die periode; in de vaderlandse letteren was hij dus geen onbekende. Met vrienden had hij rondgezworven in de prachtige omstreken van Haarlem, hij had planten verzameld en genoten van de ongerepte schoonheid die de natuur toen nog te bieden had. Zijn belangstelling strekte zich uit van de oude Bilderdijk, die zijn laatste levensjaren te Haarlem doorbracht en die hij meermalen op straat ontmoette, tot de jonge meisjes van de zangvereniging, aan wie hij zijn eerste verliefdheden dankte. Nu zou hij zich gaan toeleggen op de theologie, in de oudste universiteitsstad van ons land, die kon bogen op een eerbiedwaardig verleden.
Het Leiden van 1833 was echter een verarmde stad met een kwijnende nijverheid en een leger bedeelden. Ooit waren binnen haar muren zeventigduizend mensen gehuisvest geweest - in de zeventiende eeuw was Leiden de tweede stad van Holland - maar nu bedroeg dit aantal minder dan de helft. De universiteit beleefde weliswaar geen bloeiperiode, doch bleek voor de stad toch van enorme betekenis: het huisvesten, voeden, kleden en amuseren van de zeshonderd studenten verschafte in elk geval een deel van de bevolking een redelijk bestaan. Niet alleen hospita's en leveranciers, maar ook dienstboden en oppassers waren bij dit proces betrokken, al bleef het contact tussen de kwekelingen van het Bataafs Athene en de autochtonen tot een minimum beperkt.
Wie zich als student aan de Leidse academie wilde laten inschrijven, diende eerst een bezoek te brengen aan enige hoogleraren, teneinde een soort toelatingsexamen af te leggen. Pas daarna werd in het Album Studiosorum door de rector magnificus persoonlijk de naam van de nieuwe student genoteerd, met daarbij de datum, de plaats van herkomst, de leeftijd en de gekozen studierichting. Nu kon men de colleges gaan volgen, die doorgaans begonnen in de tweede helft van september. Wilde men echter in de studentenwereld worden toegelaten, dan moest de aankomende student eerst een groentijd doormaken die enige weken duurde. Het Leids Studenten Corps werd pas op 1 maart 1839 opgericht; vanaf 1799 bestond er echter al zoiets als een studentencorps. Hiertoe rekende men alle studenten die ontgroend waren door een ontgroen-senaat onder toezicht van het Collegium omnium in Belgio Senatuum Supremum. De ontgroensenaten Amicitia, Duce Minerva en Intro Ubique dateerden van 1799; Minervae Sacrum, speciaal voor theologanten en dus ook voor Nicolaas Beets, volgde in 1801. Daarnaast bestonden nog enige kleinere senaten,


die soms alweer spoedig van het toneel verdwenen. In 1839 werden alle nog bestaande senaten verenigd in het Leids Studenten Corps.
Hoe functioneerde zo'n ontgroen-senaat? De inrichting was een afspiegeling van de universitaire wereld: aan het hoofd stond een Rector Magnificus, bijgestaan door Assessoren en Pedellen en andere functionarissen. Tijdens de groentijd diende het groen op vantevoren bepaalde uren bij de leden van de senaat thuis te verschijnen om allerlei opdrachten uit te voeren. De inauguratie was gebaseerd op de universitaire promotie: het groen diende een proefschrift te vervaardigen over een opgegeven onderwerp. Dit ‘prulschrift’, zoals de benaming luidde, diende ten overstaan van de senaat te worden voorgelezen en verdedigd; het slachtoffer kon bij voorbaat op ongezouten kritiek rekenen. Wanneer zijn werkstuk naar behoren tot op de grond was afgebroken werd het groen weggevoerd om even later weer terug te worden gehaald voor de eigenlijke promotieplechtigheid. Hierop werd het Io vivat gezongen en mocht de betrokkene zich als student beschouwen.
Het leven van de student zag er gewoonlijk als volgt uit: om acht uur in de morgen begonnen de colleges, die tot het middaguur werden voortgezet. Hierop werd de societeit bezocht tot het tijd was voor het middagmaal, dat om drie uur plaatsvond. Tegen vijf uur ging men naar huis om te studeren of zich te kleden teneinde bij een hoogleraar op de thee te gaan. De schouwburg begon om zes uur of half zeven; de voorstelling duurde tot tien uur. Omstreeks die tijd genoot de student die op zijn kamer had zitten werken het avondbrood, al dan niet in gezelschap van vrienden. Dit was ook het uur waarop de disputen bijeenkwamen of soupers werden georganiseerd; zij die het meest aan het gezelschapsleven hechtten waren tot het ochtendgloren op de sociëteit te vinden, de anderen gingen rond middernacht naar bed.
De studie was niet bijzonder intensief en bovendien lang niet altijd inspirerend. Voor het propedeutisch examen moest een algemeen studieprogramma worden gevolgd, met een aantal vakken die niets met de gekozen studierichting te maken hadden (zo zien we de theologant Beets zich over de wiskunde buigen). Wat de theologie betreft hield men zich meer met exegese en filologie bezig dan met moderne theorieën, zoals die in Duitsland door bijvoorbeeld Schleiermacher ontvouwd waren. Deze situatie verschafte de studenten veel vrijheid, waar de besten onder hen een verstandig gebruik van maakten. Zo kon Leiden zich in de periode van 1830 tot 1840 ontwikkelen tot een literair centrum van nationale betekenis, waar de buitenlandse Romantiek, en dan vooral de Engelse en Franse, met enthousiasme werd ontvangen en nagevolgd.
Het hoogtepunt van die bloeiperiode lag juist in de jaren tussen 1833 en 1837, de tijd dus die Nicolaas Beets in zijn Dagboek beschreven heeft. De Rederijkerskamer voor Uiterlijke Welsprekendheid, opgericht in 1833, vormde de kern van deze ontwikkeling. Behalve Beets behoorden ook Hasebroek en Kneppelhout tot de leden, die, samen met Bernard Gewin en Laurens Beynen de toon aangaven. Nicolaas Beets werd al spoedig de centrale figuur, die ook contacten met de rest van de letterkundige wereld legde: met Potgieter, Bakhuizen van den Brink, Aarnout Drost en Jan Pieter Heye, aanvankelijk verenigd in het tijdschrift De Vriend des Vaderlands , later in De Muzen , en tenslotte, na de dood van Drost, in De Gids (1837), waarmee
het zwaartepunt van het letterkundig leven zich naar Amsterdam verplaatste.
In het Dagboek zien we hoe Nicolaas Beets zich als romantisch auteur ontplooit: zijn eerste Byron-vertalingen verschenen in 1834, net als Jose, een Spaansch Verhaal ; in 1835 volgden De Masquerade en Kuser . Zijn aanzien stijgt, niet alleen in de studentenwereld en de kring van literair geinteresseerde professoren als de grijze Van der Palm, de jurist Van Assen en de kritische bibliothecaris Jacob Geel, maar ook buiten Leiden, bij mannen als Hendrik Tollens en Jacob van Lennep. Hij houdt lezingen voor de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen en de Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, hij gaat voort met het publiceren van proza en poëzie in almanakken en tijdschriften, waardoor zijn landelijke bekendheid toeneemt.
De belangstelling van de student Nicolaas Beets blijft niet beperkt tot de literatuur. Het toneel interesseert hem, terwijl de beeldende kunsten en de muziek ook zijn aandacht trekken. Hij maakt uitstapjes naar Amsterdam, 's-Gravenhage en Rotterdam, gaat in de omgeving van Nijmegen enige tijd van het natuurschoon genieten en is tijdens de vakanties maar ook daarbuiten veel in zijn geboortestad Haarlem te vinden, waar hij ook aan het culturele leven deelneemt.
Het Dagboek geeft over dit alles unieke informatie; tevens krijgt men een goed beeld van het dagelijks leven in die tijd, niet alleen van het studentenleven met colleges, tentamens, de onvermijdelijke thé's bij de verschillende professoren, de sociëteit en het dispuut, maar ook over literaire soirées en muziekavonden, en de omgang met verschillende aanzienlijke Leidse families. Kerkbezoek wordt afgewisseld met wandelingen in de vrije natuur, roeitochtjes en biljartpartijen. Het is de tijd van de trekschuit en de diligence, de stadspoorten gaan 's morgens open en 's avonds weer dicht, en wie de poort uitwandelde bevond zich meteen op het platteland. Het maatschappelijk leven voltrekt zich volgens een vast patroon, al zijn het juist de studenten die zich daar het minst van aantrekken. De omgang der geslachten is aan strenge regels gebonden; de vriendschap ontwikkelt zich sneller dan de liefde. Niet toevallig eindigt dit Dagboek juist op het moment dat Beets op huize De Nijenburgh te Heiloo gaat logeren: daar verblijft hij onder één dak met de jonge freule Aleide van Foreest, die in 1840 zijn vrouw zal worden.