In het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum te 's-Gravenhage bevindt zich het handschrift waarop deze uitgave is gebaseerd. Het bestaat uit 230 genummerde pagina's met enige bijlagen. Het opschrift luidt: ‘Uittreksel uit mijn dagboek 1833, 34, 35, 36’, en is net als de tekst in Beets' hand. Het is niet mogelijk om dit uittreksel exact te dateren, maar er bestaan aanwijzingen dat Beets er omstreeks 1890 aan gewerkt heeft. In de ‘Inleiding’ van zijn Everhardus Johannes Potgieter, Persoonlijke Herinneringen, Haarlem 1892, schreef Beets: ‘Als, in het Decembernommer van den jaargang 1886, “De Gids” zijn toen vijftigjarige loopbaan herdacht, en uitnemende pennen zich beijverd hadden om ultnemenden onder zijne
eerste en latere redacteuren in hunne waarde, kracht, karakter, en persoonlijke eigenaardigheden te schetsen en voor oogen te stellen, voelde ik de begeerte in mij ontwaken om daaraan ook mijne herinneringen toe te voegen.’ Beets had de Gids-redacteuren Potgieter, Bakhuizen van den Brink, Schneevoogt en Gerrit de Clercq van nabij gekend: ‘Klaar en duidelijk stonden mij alle dezen, en alles van hen, uit die langverleden dagen voor den geest. Aanteekeningen, toen gehouden, konden in bijzonderheden mijn geheugen tegemoet komen; hunne brieven had ik trouw bewaard. Met ijver bracht ik alles bijeen, met warmte zette ik mij aan het voorgenomen werk.’ De rijkdom van de stof, en de vele verplichtingen in zijn druk bezet leven vertraagden de werkzaamheden, maar in februari 1892 kon Beets de inleiding bij zijn monografie over Potgieter afsluiten. In de aantekeningen die Beets bij het afschrift van zijn Dagboek heeft gemaakt, wordt meermalen naar deze Persoonlijke Herinneringen verwezen, terwijl éénmaal ook de Potgieter-biografie van J.H. Groenewegen wordt vermeld, die in 1894 te Haarlem verscheen. Het is aannemelijk dat Beets voor zijn studie over Potgieter nog van het oorsponkelijk Dagboek gebruik heeft gemaakt; in de Leidse Universiteitsbibliotheek wordt namelijk een blad met aantekeningen bewaard waarop in telegramstijl verwezen wordt naar data uit zijn Dagboek waar Potgieter of Bakhuizen worden genoemd en die niet in het ‘Uittreksel uit mijn Dagboek’ zijn opgenomen. Mogelijk is Beets dus pas nà 1892 met het vervaardigen van dit uittreksel begonnen; hij heeft er dus in elk geval tot en met 1894 aan gewerkt.
Dr. H.E. van Gelder, die in 1956 onder de titel Hildebrands voorbereiding, Het dagboek van de student Nicolaas Beets ongeveer 90 procent van de overgeleverde tekst publiceerde, vermoedde dat Beets van plan was, zelf nog een uitgave te verzorgen. De aantekeningen die Beets naast zijn afschrift heeft gemaakt, pleiten ook voor deze opvatting. Kennelijk is het nimmer Beets' bedoeling geweest, het origineel van zijn Dagboek te publiceren, al heeft hij een enkele maal wel van een oorspronkelijk fragment gebruik gemaakt, hetgeen dan te zien is aan de ouderdom van het papier, het handschrift en de kleur van de inkt. Deze oorspronkelijke fragmenten zijn echter door de oudere Beets bewerkt: namen werden onderstreept, hier en daar werd de spelling aangepast. De achterzijde van deze fragmenten, die niet voor publikatie bestemd waren en vaak dagboeknotities bevatten die ook - zij het in bewerkte vorm - in het afschrift voorkomen, stellen ons in staat om na te gaan, in welke mate Beets het origineel heeft gevolgd. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. De notitie betreffende zaterdag 29 maart 1834, toen Beets te Haarlem verbleef, luidt in de oorspronkelijke tekst:
‘V.M. 9 ure op. Aan het Dichtstuk 't welk den naam van Jose dragen zal voortgegaan. 12 ure. Met John gewandeld en gebilliard. 3 ure. N.M. Met Ko Kruseman gewandeld en gebilliard! 7 ure. Vergadering van 't gezelschap Oefening in Wetenschappen bijgewoond, ook nog op de katheder gestaan en 1 klein stukjen van Byron voorgelezen.
1/2 12.’
In het afschrift werd dit:
‘Ik heb in deze vacantie een dichtstuk opgezet dat den naam van jose zal dragen en werkte er heden aan voort.
's avonds mijn vaders gezelschap Oefening in Wetenschappen bijgewoond. Ook op den catheder gestaan, een kleinigheid van Byron voorgedragen.’
Men ziet dus dat Beets, althans wat dit fragment betreft, enerzijds bepaalde gegevens heeft weggelaten: de tijdsaanduidingen, de wandelingen en de biljartpartijen, terwijl hij er anderzijds weer verklaringen aan toevoegt, die de tekst voor een groter publiek begrijpelijk maken.
Wat de kwantitatieve verschillen tussen het origineel en het afschrift betreft, kan het volgende worden opgemerkt: pagina 39 van het origineel is in het afschrift pagina 18 geworden, terwijl pagina 71 van het origineel uit diezelfde reeks in het afschrift pagina 34 is; 32 pagina's origineel leverden dus 16 pagina's in afschrift op. Aangezien de omvang per pagina ongeveer hetzelfde is gebleven, kan men, althans voor deze periode, die loopt van 27 februari tot 10 april 1834, vaststellen dat het afschrift ongeveer de helft van de oorspronkelijke tekst weergeeft.
Behalve fragmenten uit het originele Dagboek zijn in het afschrift ook fragmenten opgenomen van weer een ander afschrift, dat kort voor het ‘definitieve’ afschrift vervaardigd moet zijn en waarin ook weer wijzigingen in de ‘definitieve’ hand zijn aangebracht, zij het veel minder ingrijpend. Ik vermoed dat het hier om fragmenten gaat die in de periode dat Beets aan zijn monografie over Potgieter werkte van het origineel zijn afgeschreven, maar zekerheid is hierover niet te geven.
Tenslotte moet nog worden opgemerkt dat zich tussen de bladen van het afschrift enige losse blaadjes bevinden met aantekeningen die uit de studententijd stammen, naast aantekeningen van later datum. Het verband met het Dagboek is niet altijd evident, terwijl ook niet duidelijk is hoe ze in het afschrift terecht zijn gekomen. De aantekeningen die relevantie bezitten ten aanzien van het Dagboek, werden net als de aantekeningen in de marge, in de noten opgenomen.