terug  begin  verderprepost

Haarlem, zaterdag 11 januari 1834

Haarlem 11 Jan. 1834.

Als gast van praeceptor Posthumus 54 een vergadering bijgewoond van het Gezelschap ‘Letterkunde’ (Concertzaal).55

[p. 31]

Notaris Sacré56 las er een onuitgegeven H.S. van Bilderdijk57 voor zijnde eenen beoordeeling in verzen van het ‘ Dichterlijk Tafereel der Stad Leyden op den 12den van Sprokkelmaand 1807’ [na de ‘Ramp’ van den 7den] van Mr. R.H. Arntzenius,58 destijds afzonderlijk uitgegeven, later ook in zijne na zijn dood uitgekomen dichtbundels geplaatst.59 Bilderdijk noemt het ‘Aanmerkingen door een oud liefhebber der Poezij’. Het is een doorvlechting van het dichtstuk van Arntzenius met verzen in dezelfde maat, zoodat het geheel altijd uit Coupletten van tien regels bestaan blijft. Keurig geschreven; de versregels van Arntzenius met rooden, die van Bilderdijk met zwarten inkt. Geen der toehoorders mocht het een oogenblik in de hand hebben. Nooit hoorde ik geestiger en leerzamer satire.

De Coupletten voorkomende in de Aanteekeningen achter Bilderdijks Perzius ‘Mij dunkt dat zijnen, haren, hunnen’ enz, en ‘Wanneer men gore melk ziet gieten’, herkende ik als aan dit dichtwerk ontleend.60

Enkele sallies61 prentten zich terstond in mijn geheugen. Zoo, waar Arntzenius de in den Ramp gesneuvelden aanspreekt als ‘naakt als bij hun komst in 't leven’,62 Bilderdijk invalt met:

[p. 32]
 
Zoo heeft men bij zijn komst in 't leven,
 
In Leyden toch een broek aan 't g..!
 
Ik vond dat nergens nog beschreven;
 
Maar 't is een voorrecht voor de stad

Zoo waar Arntzenius de muren ‘gonzend’ doet nederstorten:63

 
Maar ‘gonzend’ zegt gij? gonzend! gonzend!
 
Gegons is 't dreunen door de lucht,
 
Op de aarde ploffend noemt men bonzend,
 
Dat is niet eenerlei gerucht.
 
 
 
Zoo bonst een dronkaard op de deuren,
 
Zoo, met zijn kopstuk op den grond.
 
Dat zijn nuances in de kleuren,
 
Die nooit een kladder recht verstond
 
Nog eens men hoort de muggen gonzen,
 
Eens oliemolens stampers bonzen-
 
enz.

Het is te hopen dat dit voor jonge dichters zoo leeringrijke stuk niet altijd uit eerbied voor den nagedachtenis van den braven Arntzenius, een groot vriend van mijn vader, zal onderdrukt worden.64.

Ik droeg in deze vergadering mijne overzetting van Byron's ‘Fare thee well65 voor.

54B: ‘Posthumus’ [potloodaantekening].
Nicolaas Posthumus (1798-1840). Vanaf 1822 praeceptor (leraar klassieke talen) en later conrector aan de Latijnse School te Haarlem.
55Vermoedelijk het Letterkundig Gezelschap en Muzijk-Collegie, dat vergaderde in de Kruisstraat te Haarlem, waar zich ook de Concertzaal bevond.
56Aegidius Walaardt Sacré.(1791-1857). Notaris te Haarlem.
57Handschrift UBL Ltk 392. Het opschrift luidt: ‘Het Dichterlijk Tafereel der Stad Leyden, in den avond en nacht van den 12den van Louwmaand 1807, door Mr. R.H. Arntzenius, aan een Oud Liefhebber der Dichtkunst voorgelezen.’ De verzen van Arntzenius zijn geschreven in rode inkt; die van Bilderdijk in zwarte inkt. Het dichtstuk wordt gevolgd door een vers, getiteld ‘Na het lezen van Bilderdijks Dichterlijke beoordeeling van het Dichterlijk Tafereel der Stad Leyden [...] door N. Posthumus, gedateerd ‘8 December 1833’. Op 12 januari 1807, 's middags om kwart over vier, ontplofte in het Rapenburg te Leiden een met 37.000 pond buskruit geladen schip. Er vielen 151 doden en ongeveer tweeduizend gewonden; een groot deel van de binnenstad was verwoest. Zie hiervoor: L. Knappert, De Ramp van Leiden - 12 Januari 1807 - na honderd jaar herdacht , Schoonhoven 1906. Bilderdijk, wiens huis op de Hogewoerd beschadigd werd, stelde samen met Matthijs Siegenbeek een gedenkboek samen: Leydens Ramp , Amsterdam 1808. Zie hiervoor: Peter van Zonneveld, ‘Bilderdijk en Leiden’, in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden 1980-1981, Leiden 1982, pp. 16-24.
58Robert Hendrik Arntzenius (1777-1823). Advocaat, politicus en dichter.
59R.H. Arntzenius, Dichterlijk Tafereel der Stad Leijden, in den avond en nacht van den 12den van Louwmaand 1807 [...], Den Haag 1807. Later in: Nagelaten Gedichten II, Haarlem 1825, pp. 27-45. Beets vergist zich in de maand: Sprokkelmaand is februari, terwijl de Ramp in de Louwmaand plaatsvond, niet op 7 maar op 12 januari.
60W. Bilderdijk, Perzius Hekeldichten , Rotterdam 1820. Het eerste citaat luidt daar: ‘Ik denk, dat háren, zíjnen, húnnen [...]’; het tweede: ‘Als of men gore melk ziet gieten [...]’ (p. 71). In de ‘Aanteekeningen’ schreef Bilderdijk over stijl en metriek, toegelicht met voorbeelden.
61Sallies: geestige zetten.
62Dit citaat luidt: ‘En naakt, als bij uw komst in 't leven [...]’. R.H. Arntzenius, Dichterlijk Tafereel, p. 17.
63Dit citaat luidt: ‘Daar stort haar woning gonzend neêr.’ R.H. Arntzenius, Dichterlijk Tafereel, p. 15. In de Nagelaten Gedichten is dit veranderd in: ‘Daar stort haar woning daavrend neêr.’ (p. 37).
64B: ‘[Van Vloten nam het op in zijne uitgave van de “Dichtwerken van Mr. Willem Bilderdijk, met uitzondering van eenige stichtelijke en gelegenheidsstukken.” 2e Dl. Arnhem-Nijmegen Gebr. Cohen. 1884.’
Het werd gepubliceerd in: Willem Bilderdijk, Dichtwerken (ed. J. van Vloten), Leiden/Deventer 1869, pp. 283-293; later ook in de door Beets genoemde uitgave: aldaar pp. 287-312.
65‘Fare thee well’ (1816), in: Byron, Poetical Works, pp. 86-87. De vertaling van Beets, getiteld ‘Vaar gy wel.’, werd voor het eerst gepubliceerd in: Verzameling van Voortbrengselen van Uitheemsche Vernuften , Derde Stukje, Amsterdam 1834, pp. 66-69. Onder de titel ‘Vaar gij wel’ ook in: Dichtwerken I, Amsterdam 1876, pp. 238-239.
prepostterug  begin  verder