82B: ‘Hasebroek’ [potloodaantekening].
Johannes Petrus Hasebroek (1812-1896). Student in de theologie 1829-1836.
Predikant te Heiloo 1836, Breda 1843, Middelburg 1849, Amsterdam 1851,
emeritaat 1883. Schreef proza, poëzie en leerredenen. Bekendste werk:
Waarheid en Droomen
(1840) onder het pseudoniem Jonathan. Hasebroek was zijn leven lang
met Beets bevriend; zij ontmoetten elkaar voor het eerst op 15 februari
1833, tijdens een lezing van Jacob van Lennep, die in Leiden verzen van
Byron voorlas; deze datum zouden beiden tot op hoge leeftijd herdenken. Zie:
J. ten Brink,
Geschiedenis der Noord-Nederlandsche Letteren in de XIXe
eeuw
, deel 1, Amsterdam 1888, p. 293; in 1883 schreef Beets het gedicht ‘Aan mijn Jonathan, op het
Gedenkfeest onzer vijftigjarige vriendschap [...]’, in:
Dichtwerken IV, 2e deel, pp.
147-148. Beets droeg zijn
Kuser aan Hasebroek op,
aanvankelijk met het anonieme gedicht ‘Aan een vriend’
(Haarlem 1835, pp. VII-XIII) later met ‘Aan mijn vriend J.P.
Hasebroek’ in:
Dichterlijke Verhalen
, Haarlem 1848, pp. 77-80; ook in:
Dichtwerken I, Amsterdam 1876, pp. 335-337. Van zijn kant
droeg Hasebroek zijn bundel
Poëzij
(1836) aan Beets op. Nadien hebben beiden hun vriendschap nog
meermalen in verzen bezongen.