terug  begin  verderprepost
[p. 52]

Haarlem, vrijdag 21 maart 1834

Haarlem 21 M t

Brief van Westerman173 in antwoord op den mijne van 27 febri.

Weledele Heer,

Overkropte bezigheden hebben mij belet zoo spoedig ik wel gewenscht had de dichtstukken, met welker toezending UEd. mij vereerd heeft, te lezen, en ik moet Ued wel mijn hartelijken dank betuigen voor het genoegen hetwelk ik daarin heb mogen vinden. Niets zou mij aangenamer zijn dan het werk zoo als UEd. het mij vertrouwd heeft te mogen uitgeven; dan de minder gunstige uitslag van laatst door mij uitgegevene dichtwerken heeft mij huiverig gemaakt en mij het voornemen doen opvatten tot zoodanige ondernemingen een gunstiger tijdstip dan tegenwoordig af te wachten. Intusschen wenschte ik wel dat UEd. er in konde komen een gedeelte van het werk voorloopig uit te geven in Voortbrengselen van Uitheemsche Vernuften , waarvan reeds twee stukjes het licht zien,174 en welke verzameling ik thans met ernst wil voortzetten, en waarvan de twee eerste stukjes welke u zeker bekend zijn, veel genoegen hebben gegeven; een zoodanig werkje, hetwelk men zeker is dat gelezen wordt, is zeer geschikt om de verdienste van uwe voortbrengselen te doen kennen; eene verzameling, daarvan een stukje uitmakende, zou waarschijnlijk het verlangen naar het overige opwekken en een goed succes voor het geheel voorbereiden. Zoo UEd hiertoe genegen moogt zijn, zal het mij aangenaam zijn spoedig uw besluit te mogen vernemen, ten einde het derde stukje er mede aan te vullen.175

Onder het toegezondene zouden dunkt mij, de Hebreeuwsche melodijen bijzonder daartoe geschikt zijn; ik laat het echter geheel aan uw keuze over en verzoek u, in geval van toestemming, tevens uw voorwaarden op te geven.

Nogmaals mijn dank voor het vereerend vertrouwen betuigende en verzoekende mij met een spoedig antwoord te verplichten heb ik de eer enz.

Amsterdam 19 M t 1834.

173Brief van Westerman 19 maart 1834. UBL Ltk Beets Correspondentie.
174Namelijk: J. van Lennep, Proeven uit de werken van R. Burns, voorafgegaan door eene verhandeling over deszelfs werken , Amsterdam 1833, en: E.J. Potgieter, Axel, eene Saga naar het Zweedsch van Esaïas Tegner [gevolgd door] Verschillende proeven van Zweedsche Poëzij , Amsterdam 1833.
175B: ‘[1ste Stukje Van Lennep. Burns. 1833
2de Stukje Potgieter Tegnèr (Axel) 1834)
3de Stukje De genoemde Beets Byron 1834
4e Stukje De genoemde Beets Walter Scott. 1834
5e Stukje J.J. Abbink. Lodewijk van Beyeren. 1835.
6e Stukje H(asebroek) Thomas Moore 1836.’
Voor 1 en 2 zie noot 174. Voorts: [N. Beets], Proeven uit de werken van Lord Byron , Amsterdam 1834; [N. Beets], Proeven uit de dichterlijke werken van Sir Walter Scott , Amsterdam 1834; Proeven uit de dichterlijke werken van Lodewijk, Koning van Beijeren, uit het Hoogduitsch vertaald door J.J. Abbink , Amsterdam 1835; H[asebroek], Proeven van vertaling uit de gedichten van Thomas Moore , Amsterdam 1836.
De ‘Hebreeuwsche melodijen’ zijn opgenomen in het derde stukje, pp. 40-57.
prepostterug  begin  verder