Leyden, Maandag, 14 April 1834.
Mij dunkt dat het vignetjen210 waarmede dit nieuwe deel mijner dagelijksche aanteekeningen op den tytel prijkt, noch van geest ontbloot, noch ongepast is - ik zeg dit laatste er uitdrukkelijk bij omdat ik gezien heb dat er op de wareld zoo heel veel ongepaste geestigheden zijn. Een zotskolfjen voor een' spiegel - inderdaad het denkbeeld bevalt mij - niet omdat het het mijne is U Hooggeleerde! - noch omdat er een spiegel meê gemoeid, mejufvrouw! - maar bloot omdat ik er waarheid in zie - ofschoon het dan ook maar op een gedeelte van mijn dagboek zien kan, maar pars pro toto,211 en vooral magna pars!212 Een zotskolf zich spiegelende ziedaar 't denkbeeld van een man die een getrouw Journaal houdt: maar daar ik dit voor een heel wijs ding houde zoo acht ik het volstrekt boven alle bespotting verheven, en indien 't niet te pedant gestaan had, en ik eenigzins had durven denken dat men na mijn dood mij iets dergelijks zou hebben kunnen vergeven, dan zou ik in eenige wolken

15. Vignet uit het oorspronkelijk Dagboek (14 april
1834).

16. Pagina uit het oorspronkelijk Dagboek (14 april
1834).
't beeld van Minerva voorgesteld hebben die met een welgevallig oog op zotskolf beide en spiegel nederzag en dan iets dergelijks uit haar mond hebben laten stroomen:
Egregie, egregie! nosce te ipsum..213
of wat zeker nog beter en verhevener was
Καλως, καλως, γνωϑι σεαυτον 214
Want Minerva spreekt Latijn of Grieksch - een van beiden altijd - overal Latijn of Grieksch - altijd Latijn of Grieksch, niet dan Latijn of Grieksch, en die dat niet verstaat
Procul, o procul ite profani! -215
Waant niet op een grein verstand aanspraak te hebben of gewaardigd te zijn een Zoom van Minerva's kleed te kussen.
Maar gij, die deze beide talen volkomen machtig zijt, daarin spreekt en zwijgt, schrijft en niet schrijft, liegt en zwetst, scheldt en vergoodt, kortom alles doet wat u behaagt, die er mee vernedert en verschrikt, overbluft & mishandelt, verheft uwe borst hoog, uitverkorenen onder de Menschen! Gij zijt het Heilige der Heiligen van den tempel der Wijsheid ingegaan; en zoo zij u nog niet in een catheder gezet heeft, gij hebt de faculteit om er in gezet te kunnen worden. Hooggeleerde mannen, hoe benijdbaar is uw lot; gij begaat nooit eene enkele dwaasheid, gij handelt alom goddelijk wijs - gij struikelt nooit en duizelt nimmer - gij zijt onfeilbaar en onsterfelijk -- neen - die twee laatste dingen zijn niet waar - gewone feil van lofredenaren, als zij aan de gang zijn en nog veel papier overhebben. De reeks hunner lofspraken klimt op in die orde dat de volgende term altijd de som der voorgaanden + 1 is en eindigt met het ‘oneindig groote’ 0/0.
Maar laat ik op den gewonen voet vervolgen:
V.M. 8 ure op. Collegie gehouden van 9 - 12. Plato gewerkt van 12 - 2. Societeit.
N.M. van 1/4 tot 1/6 uit Plato gewerkt, en vervolgens.......
Professor van Assen216 had reeds sedert lang den wensch geuit van mij aan hem te zien voorstellen, en Jan Kneppelhout , gaarne op zich genomen zich daarmeê te belasten; de bepaalde dag was nu gekomen. Ik had zeer veel opzien tegen die visite; Z.H.G. is ongetwijfeld een man van groote verdiensten en ik maakte vis-à-vis hem
niet veel beter figuur dan Sternes Emmer met water naast het onmetelijke diep (Zie S.J. The Wig)217; dat was 't bezwaar.
Daarenboven is Z.H.G. een hofman218 en zijn huishouding op dien voet ingericht; die hooge toon had ook iets afschrikwekkends voor mij. Daarenboven had Z.H.G. groote verwachtingen van mij, door rapporten en berichten, en ik beefde voor mijne eer en die mijner vrienden. Daarenboven weet ik maar al te zeer hoe veel er van den eersten indruk afhangt en nog duizend bezwaren meer, waarover ik mij zelve uitlach maar wier gewicht mij niet te min drukt. Ten half zes begon ik mij te scheeren, te wasschen, te schuieren, te kleeden, en met dat gevolg dat ik ten zeven uur netjens en in orde gereed stond. Ik had lang in twijfel gestaan of ik mijn blaauwen of mijn zwarten rok aan zou trekken; eindelijk verkoos ik de blaauwen en terwijl ik hem aantrok herinnerde ik mij niet ooit van mijn leven zooveel over een rok gedacht te hebben. Ik was niet alleen zoo als ik eenige regels hooger geschreven heb net gekleed, maar ik had ook zorg gedragen dat er in den strik van mijn das, in de wijze waarop ik het snoer van mijn horologie om den hals had, een soort van originaliteit plaatshad die particulier en ongemaakt moest wezen; enfin ik meende wat het costuum aanging zoo goed voor een jong genie te kunnen doorgaan als ieder ander. Ondertusschen trachtte ik mij eenige schoone phrasen in te prenten, waarmede ik in 't begin van mijn discours hoopte te pronken, en maakte allerlei gissingen over hetgeen Professor van Assen zeggen zou of niet - ik dacht om Sternes Sentim. Journey pag 80.219 en toen Kneppelhout mij ten zeven ure halen kwam voelde ik mij vrij van alle de dwaasheden, die mij zoo zeer gekweld hadden.
Sad mortals how the Gods stil plague you
(Byron)220
Toen wij de hooge stoep opgetreden waren,221 aangescheld hadden, audientie gevraagd hadden; wat was het schrikkelijk antwoord? Mijnheer wacht Professoren, en kan dus niemand anders afwachten - ik sidderde - j'avais le cauche-mar, als de tegenwoordige romantiques om een haverklap uitroepen -222 helaas - anderhalf uur toilet, anderhalf uur verlegenheid - alles - alles voor niet! Wij gaven onze kaartjens af en gingen - ja wat zouden we doen? - wandelen - wandelen met onze mooie pakken; in de schemering - wandelen met mijn blaauwe rok, over wie ik meer dan een half uur in beraad had gestaan -