terug  begin  verderprepost
[p. 155]

aant.De familie Kegge1

Eene treurige inleiding

7Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijksch leven met 8 den gevreesden naam van zenuwzinkingkoorts gewoon is te bestempelen? 9 Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar 10 nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, 11 waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder - meestal, 12 helaas! - onder dien kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige ang-13stige herinnering aan hare verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die 14 gebroken oogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vin-15gers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor den geest, zoo als zij nu 16 eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met 17 hunne visioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben 18 toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weder ineen te krim-19pen als in dierlijken angst. Zij staan mij voor den geest, ook in hun noodlot-20tig stilliggen, in die treurig heldere tusschenpoozen, die den dood voorbe-21duiden. Nog zie ik al dien droevigen toestel van zuurdeeg om af te trekken, 22 van natte omslagen om terug te drijven; dien gewichtigen overgang van 23 afwasschende tot prikkelende middelen. Nog ruik ik de kamfer en de mus-24cus, die de omstanders zoo zeer plegen te verschrikken. Nog voel ik het ziel-25pijnigend dobberen tusschen hoop en vrees, het angstig ingaan van iederen 26 nacht, het smachten naar het morgenlicht, en naar den arts. Nog hoor ik de 27 betrekkingen duizendmaal de vraag herhalen ‘of dit nu niet de crisis zou zijn 28 geweest?’ en hun deerniswaardig zelfbedrog, als zij zich met in hun oog 29 goede teekenen vleien, den dokter een zwaarhoofd achten, zijne uitspraken 30 naar de inspraak van hunne hoop verplooien, zoo lang, zoo lang... tot (ein-31delijk nog onverwachts!) de harde waarheid bevestigd wordt, dat de ziekte 32 hopeloos was, dat de dood zich onvermurwbaar had aangekondigd.

33Maar ook, Gode zij dank! er doemen zoete herinneringen van herstel-34ling bij mij op; bij mij, die zelf de gevreesde kwaal heb doorgeworsteld met 35 de veerkracht der jeugdige sterkte, en die anderen, als uit hare kaken gered, 36 zag opleven tot gezuiverden bloei. Die herstelling der gelaatstrekken, dat 37 langzamerhand gezond insluimeren, en dat eerste ontwaken met gevoel van 38 beterschap en rust; dat lang gewenschte kalm opslaan der oogen; die hon-

[p. 156]

aant.1ger; dat eerste opzitten; en die kinderlijke dankbaarheid voor het eerste glas 2 wijn, dat werd toegestaan! O! gezond te zijn is een onschatbaar bezit, maar 3 uit een ziekte te herstellen is een zalig genot!

5In het begin van het derde jaar van mijn verblijf te Leiden, was er een jong 6 mensch, uit Demerary geboortig, in mijne buurt komen wonen. Het is de 7 gewoonte onder de studenten, in zulk geval elkander een bezoek te brengen. 8 De jongeling beviel mij. Hij was van een openhartig, aantrekkelijk karakter, 9 en van een zacht gevoel. Vooral dacht hij zeer teeder en aanhankelijk over 10 de betrekkingen, die hij in zijn geboorteland reeds als knaap verlaten had, 11 en die hij niet weder zou zien dan na zijn bevordering, waarom hij zich ook 12 zoo veel mogelijk met zijn studiën haasten wilde. Om dien trek en dien ijver 13 was hij mij lief; en hoewel ik, daar onze studiën en onze tijd van aankomen 14 te veel verschilden, mij niet met hem in een geregeld verkeer begaf, zoo 15 bezocht ik hem toch een enkele maal, en scheen hem dat dubbel aangenaam 16 te zijn, omdat hij met mij vrijuit spreken durfde over dat, wat hem zoo na 17 aan 't harte lag en aan de meeste zijner jonge vrienden kinderachtig toe-18scheen, of te ernstig om tot een onderwerp van gesprek te worden gemaakt.

19Bij een dier bezoeken klaagde hij mij sterk over een zekere vermoeid-20heid en loomheid in de beenen, die hem sedert eenige dagen kwelde, en zeer 21 kort daarop vernam ik, dat William Kegge, zoo heette hij, werkelijk onge-22steld was. Een ongesteld student ontbreekt het nimmer aan gezelschap; en 23 er sterft er misschien menigeen aan te veel oppassing. Ik koos, om hem te 24 gaan zien, een uurtjen uit, waarin ik hoopte hem niet al te zeer omringd te 25 vinden, en vond hem te bed. Ofschoon het nu uitgemaakt is, dat een studee-26rend jongeling, als hij toch eenmaal thuis moet blijven, veel vroeger zijn 27 troost in de veeren zoekt dan een nijvere huismoeder, zoo was dit dan toch 28 erger dan ik mij had voorgesteld. William was echter zeer monter en opge-29wekt. Ik bemerkte dadelijk, dat hij koorts had. Twee zijner intiemsten zaten 30 voor zijn ledikant om hem wat op te beuren, en raadpleegden hem als 31 scheidsman over een al of niet op te spelen kaart in een partij hombre, die 32 dien namiddag in ‘de Pauw’ gespeeld was, waardoor zij hem noodzaakten 33 zich in verbeelding zevenentwintig kaarten in allerlei samenvoeging voor te 34 stellen; gewisselijk een aangename tijdpasseering voor een zieke, maar uit 35 haren aard toch wel wat vermoeiend. Ik gaf den beiden zieketroosters een 36 wenk om dit gesprek liever te staken, en had ze gaarne te zamen zien ver-37trekken. Ik ried daarop den patiënt zich stil te houden, draaide de pit van de 38 lamp wat neer, en liet het opgenomen bedgordijn vallen.

39Ik verzocht hem een dokter te nemen; maar hij wilde er niet van hooren; 40 een der vrienden zou bij hem blijven totdat hij sliep, en men zou den ande-41ren dag afwachten.

[p. 157]

aant.1Den anderen dag had ik reeds vroeg de hospita van mijn buurman bij 2 mij.

3‘Het was niemendal goed met meheer!’ Hij was in 't midden van den 4 nacht wakker geworden, had haar thee laten zetten, en was, wat zij vol-5strekt niet van haar meheer gewend was, zeer knorrig geweest; daarbij had 6 hij haar zoo verwilderd aangekeken, dat ze ‘der tranemontane haast was 7 kwijt geraakt en de schrik haar nog in de beenen zat’. Zij geloofde, ‘dat het 8 niet goed was geweest, dat meheer zoo veul met een open raam zat, want 9 daar waren die menschen uit vreemde landen toch maar niet aan gewend’, 10 en zoo vervolgens. Ik kleedde mij en ging hem terstond zien.

11Hij had nog koorts, en nu veel heviger, was zeer ontevreden over zijn 12 bed, zijn slaapkamer, zijn hospita, in één woord, over alles; hij wilde een 13 groot vuur op de voorkamer hebben aangelegd, en had daar alle verwach-14ting van. Ik verzocht hem te blijven waar hij was, en liet oogenblikkelijk een 15 dokter halen.

16De dokter kwam en verklaarde de ongesteldheid voor bedenkelijk. De 17 studeerkamer werd tot een ziekekamer ingericht, de patiënt met zijn bed 18 derwaarts gebracht; aan zijn voogd geschreven. Deze kwam na een paar 19 dagen. Het was een oud vrijer, die nooit zieken had bijgewoond en wien de 20 handen buitengewoon verkeerd stonden, klein van verstand en dof van 21 gevoel. Hij liet mij het bestier in alles over. De hospita was gelukkig eene 22 zeer handige, bedaarde, knappe, dóórtastende en tegelijk hartelijke vrouw. 23 Zij deed haar best; de dokter deed zijn best; een paar jongelingen, die ik, uit 24 de menigte van die volstrekt waken wilden, gekozen had, deden met mij al 25 het mogelijke; maar het hielp niet. De ziekte nam een noodlottigen loop; en 26 na drie weken van angst en tobben, droegen wij den armen William Kegge 27 naar het graf.

28Een studentebegrafenis heeft iets plechtigs. Een lange sleep van men-29schen in den bloei des levens, die in rouwgewaad een lijk ten grave bren-30gen, ten teeken dat die bloei des levens niet onschendbaar is voor den 31 dood! Zij weten het wel, maar zij moeten het zien, om er zich van te door-32dringen. Het zou echter nog veel plechtiger zijn, indien allen doordrongen 33 waren of konden wezen van dit gevoel; indien allen even zeer belang stel-34den in den overledene, even zeer deel namen in zijn dood; ja, indien maar 35 allen, ook de achtersten, het memento mori zien konden dat vooruit-36gedragen wordt. Ook moesten de nooders van de liefhebberij afzien om 37 met den langen trein te pronken en hen, die hem uitmaken, te vervelen met 38 eenen nutteloozen omgang door de stad. Gewoonlijk wordt de baar door 39 de stadgenooten van den doode gedragen of, indien die niet genoegzaam in 40 getale zijn, door hen die met den doode uit dezelfde provincie of uit de-41zelfde kolonie afkomstig zijn. Voor William had men geen twaalf landge-

[p. 158]

aant.1nooten kunnen vinden. Zijne beste vrienden droegen hem. Hij had nog zoo 2 kort aan de hoogeschool verkeerd...! Er was misschien onder dezen zelfs 3 niet een enkele, voor wien hij zijn hart ten volle geopend had. Wellicht was 4 ik, die hem toch zoo weinig had gezien, nog wel zijn vertrouwdste geweest. 5 Althans hij had in den laatsten nacht van zijn leven, in een oogenblik 6 waarop hij volkomen bij zijne kennis was, een ring van zijn vinger getrok-7ken, met een kleinen diamant, en van binnen de letters E.M.

8‘Bewaar dat’ - had hij met flauwe, maar nadrukkelijke stem gezegd - 9 ‘het was mij heel dierbaar.’

10Meer had hij er niet bijgevoegd.

11De student voorzitter der rechtsgeleerde faculteit, tot welke William 12 behoord had, hield eene korte toespraak bij het open graf. Toen wierpen 13 wij, die hem gedragen hadden, er ieder een schop aarde in, en de voogd 14 bedankte alle aanwezigen voor de eer den overledene aangedaan. De trein 15 ging terug naar de gehoorzaal der academie en scheidde daar. De zwarte 16 rokken werden uitgetrokken, de witte handschoenen hadden afgedaan. Elk 17 keerde weder tot zijne oefeningen, zijne uitspanningen, zijne levende vrien-18den. Nog zes weken droeg deze en gene den smallen rouwstrik om de muts. 19 Maar toen, tegen kersttijd, de studentenalmanak verscheen, en het verslag 20 gelezen werd, waarin ook eenige regels aan de nagedachtenis van William 21 Kegge waren gewijd, was er reeds menig academiebroeder, die al zijn herin-22neringsmiddelen moest bijeenroepen om zich voor te stellen hoe ‘die Wil-23liam Keg’ er bij zijn leven had uitgezien.

24Als de voogd er aan dacht of van sprak om naar de West te schrijven, 25 was hij zoo verlegen met de zaak, dat ik eindelijk op mij nam den voorberei-26denden brief te stellen, waarop dan de zijne met het doodsbericht en zijne 27 verantwoording omtrent de zaken van den jongen overledene zoo ras moge-28lijk volgen zouden. Ik vervulde dien moeilijken plicht; en eenigen tijd na de 29 afzending der beide tijdingen ontving ik van den vader van Kegge een brief 30 vol van wel wat overdreven dankbetuigingen en vriendschapsaanbiedingen 31 in antwoord.

 

33Twee jaren later kwam de familie Kegge zelve in Nederland, en zette zich 34 (zooals ik later vernam, schatrijk) in de stad R. neder. Ik kreeg hier het eerst 35 kennis van, door een kistje havannah-sigaren, per diligence ontvangen, met 36 een biljet van dezen, vrij zonderlingen inhoud:

37‘Een klein reukoffer van dankbaarheid bij onze komst in het moeder-38land. Kom te R. en vraag er naar de familie die uit de West is gekomen, en gij 39 zult hartelijk welkom worden geheeten door

40Jan Adam Kegge.’

[p. 159]

aant.Kennismaking met menschen en dieren

3Eenigen tijd na de ontvangst van dit ‘reukoffer’, hetwelk mijne vrienden 4 niet nagelaten hadden van lieverlede voor mij in geur te doen opgaan, zat ik 5 op een regenachtigen Octobermorgen, waarop ik juist niet te vroeg was 6 opgestaan, in stil gepeins voor mijn ontbijt, toen zich beneden mij een bui-7tengewoon gestommel hooren deed.

8‘Nog al hooger?’ vroeg eene zeer luide stem, die ik niet kende, ‘drom-9mels, tante! dat is in de hanebalken. Sakkerloot, 't is hier suffisant donker, 10 hoor! ik ben een kuiken als ik zien kan!’

11Het is niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat zich de kapi-12teins van vergane schepen met onleesbare brieven in de met hen gestrande 13 portefeuilles, of de ‘professeurs’ van onbekende lycaea, die ‘tijdstroomen’ 14 aanbieden, of de doorgevallen kruideniers, die uit hunne verbrande pakhui-15zen niets anders hebben gered dan een mooie partij Zeeuwsche chocolade 16 van duizend a's, of de goedkoope portretteurs en silhouettemakers, die de 17 eer hebben gehad uwen besten vriend ook af te beelden, of de konstenaars, 18 die voor een spotprijs de geheele koninklijke familie in gips op uwe tafel wil-19len zetten, of de reizigers met inteekenlijsten op onmisbare boeken, waar-20van een professor zich heeft afgemaakt door ze een student op den hals te 21 schuiven; het is, zeg ik, niet met zulk een vrijmoedige luidruchtigheid, dat 22 opgemelde heeren, en al wat verder zich op eene listige wijze bij de studee-23rende jeugd indringt, om op haar medelijden, onervarenheid, of blooheid te 24 speculeeren, gewoon zijn zich aan te bieden; want indien zij geen Fransch of 25 Duitsch of Luikerwaalsch spreken om uw hospita te overbluffen, dan 26 nemen zij de beleefdste, beschaafdste en tevredenste houding der wereld 27 jegens haar aan; en wat de trap betreft, zij veinzen niet zelden er ten volle 28 mede bekend te wezen. Ik was dus op dit punt gerust, en daar ik in eene 29 stemming verkeerde, die voor afleiding vatbaar was, verheugde ik mij bij 30 voorraad, een vreemd gezicht te zullen zien.

31De deur ging open, en er trad een welgedaan heer binnen, die een goede 32 veertig jaar oud mocht zijn. 's Mans gelaat was juist niet hoog fatsoenlijk, 33 maar de uitdrukking er van bijzonder vroolijk en joviaal. Zijn verbrande 34 kleur verried de warmer luchtstreek. Hij had levendige grijsblauwe oogen 35 en zeer zwarte bakkebaarden. Zijn haar, waarin op de kruin een aanzienlijk 36 hiaat begon te komen, was reeds hier en daar, naar de uitdrukking van Ovi-37dius, met een weinig grijs doorsprenkeld. Hij droeg een groenen overrok, 38 dien hij oogenblikkelijk losknoopte, en vertoonde zich toen in een zwart 39 pak kleederen met een satijn vest, waarover een zware gouden halsketting 40 tot beteugeling van zijn horloge. In de hand hield hij een fraai bamboes met 41 barnsteenen knop.

[p. 160]

aant.1‘Kegge!’ riep hij mij toe, als ik verbaasd opstond om hem te groeten. 2 ‘Kegge! De vader van William! Ik ben gekomen om u, het Museum, en den 3 Burg te zien; en als je dan mee naar mijn huis wilt gaan, zulje me drommels 4 veel pleizier doen.’

5Ik was door dit bezoek geheel verrast, en op het hooren van den naam 6 ontroerd. Ik beken, dat ik zelden meer aan den goeden William dacht, maar 7 eene plotselinge herinnering, en dat wel uit den mond van den beroofden 8 vader, deed mij aan.

9Ik betuigde hem mijn genoegen den vader van den overleden vriend 10 vóór mij te zien.

11‘Ja,’ zei de heer Kegge, zijn horloge uithalende: ‘het was jammer van den 12 jongen, hè! 't Moet een goeie kerel geworden zijn. 't Spijt me in mijn ziel.’ En 13 het gordijntje openschuivende voegde hij er bij: ‘Je woont hier duivels hoog, 14 maar 't is een mooie stand; dat heet hier de Breestraat, doet het niet?’

15‘Hier schuins over woonde William: dáár; waar nu die steiger staat.’

16‘Ei zoo, dan was je na buren! Ja, 't is jammer, jammer, jammer. - Sakker-17loot, is dat het portret van Walter Scott? Lees je Engelsch? Mooie taal, niet 18 waar? Zou ik hier een complete editie van Walter Scott kunnen krijgen? 19 Maar zij moet wat mooi, wat kostbaar zijn. Ik hou niet van die lorren. Mijn 20 kinderen hebben er al één half verscheurd.’ - En al weder op zijn horloge 21 ziende: ‘Hoe laat gaat dat Museum open? Ik moet volstrekt naar dat dooie-22beesten-spel toe. Kan ik de Academie óók zien? Wat hebje al zoo meer?’

 

24Op dien regenachtigen Octoberdag zag men Hildebrand met een vreemde-25ling door Leidens straten hollen, om eerst de doode beesten in het Museum 26 van natuurlijke, en daarna de Farao's in het Museum van onbekende histo-27rie te gaan aanschouwen; vervolgens een blik te werpen op de kindertjes, die 28 nooit geleefd hebben, der Anatomie, en daarna op de portretten der doode 29 professoren, die eeuwig leven zullen, op de Senaatskamer, van Scaliger ‘met 30 den purperen mantel’ af, tot op Borger met den houten mantel toe, waarvan 31 er echter ettelijke den doodstrek duidelijk hebben gezet. Om een weinig ver-32scheidenheid teweeg te brengen, bezochten wij daarop den Burg, die zelf 33 een lijk is, vroeger bewoond door de Romeinen, Ada, en die Rederijkerska-34mer waarvan ‘zoo vele genieën’ lid waren. Ten slotte zagen wij ook nog den 35 Sineeschen en Japanneeschen inboedel bij den heer Siebold, en rustten ein-36delijk uit in de sociëteit Minerva, toen nog geschraagd door ‘de dubbele 37 zuil’ van dien broederlijken zin, die sedert roekeloos verbroken is. Wij aten 38 vervolgens aan de open tafel in ‘de Zon’, en het was aldaar, dat de heer 39 Kegge de algemeene verbazing en zelfs de volkomen verontwaardiging van 40 een zeer lang heer tot zich trok, door de aanzienlijke hoeveelheid cayenne-41peper, die hij uit een opzettelijk daartoe op zak gedragen ivoren kokertje op

[p. 161]

aant. 1 zijn spijzen schudde, alsmede door zijne volstrekte verachting van bloem-2kool en bordeaux-wijnen, waardoor ik genoodzaakt werd een flesch port 3 met hem te deelen.

4Na het diné vertrok z ed. per diligence; evenwel niet dan na mij de 5 belofte te hebben afgeperst, dat ik na afloop van mijn ophanden zijnde can-6didaatsexamen, zonder fout, een paar weken bij hem zou komen doorbren-7gen; als wanneer hij mij eens zou toonen hoe hij gewoon was menschen te 8 ontvangen, en hoe goed zijn kelder was.

9‘Als je studeeren wilt,’ zei hij; ‘ik heb een mooie portie boeken; en is er 10 wat nieuws uitgekomen van Bulwer of zoo iemand, breng het voor mijn 11 rekening mee; maar vooral een beste editie!’

12Een paar weken daarna kreeg ik een brief ter herinnering aan deze 13 mijne belofte, begeleid door een onmetelijk grooten pot West-Indische con-14fituren, bestaande, voor zoo veel ik er van begreep, uit vele schijven rhabar-15ber en groote stukken hengelriet, in quintessence van suiker ingelegd. De 16 heer Kegge meldde mij, dat ‘zijne vrouw en dochter, welke laatste, tusschen 17 twee haakjes gezegd, een mooie brunette was, van verlangen brandden om 18 mij te zien’.

19Aan dit verlangen voldeed ik, en weinige dagen daarna zat ik tegenover 20 de vrouw en de mooie brunette, onder een geweldig geblaf van twee spaan-21sche hazewindjes, ten huize van den heer Jan Adam Kegge.

 

23De kamer waarin ik mij bevond leverde een schouwspel op van de weelde-24rigste pracht, met de grootste achteloosheid gepaard. Overvloed van zwie-25rige meubelen vervulde haar, welke allen het onhuiselijk aanzien hadden 26 van splinternieuw te zijn. Een breede, veeloctavige piano-forte stond open-27geslagen en lag bevracht met een aantal boeken, een hoop dooreengewor-28pen muziek, en een gitaar. Een gladhouten muziekkastje stond open, en een 29 der spaansche hazewindjes vermaakte zich een weinig met dat gedeelte van 30 den inhoud hetwelk niet op de piano zwierf. Een allersierlijkst pronktafeltje 31 stond beladen met allerlei aardigheden en mooie beuzelingen, reukfles-32schen, hand-vuurschermen, magots, kinkhorens, sigaarbusjes en kostbare 33 plaatwerken. Een zilveren pendule met een paar vazen van hetzelfde metaal 34 rustten op een schoorsteenmantel van cararisch marmer, en op een tru-35meau, onder een reusachtigen spiegel daartegenover, zag men een groep van 36 de schitterendste opgezette vogels met spitse bekken en lange staarten, die 37 ooit levend of dood geschitterd hebben. Een marokijnen kleinodiënschrijn-38tje stond er halfgeopend naast. In de vier hoeken der kamer prijkten vier 39 zwaar vergulde standerdkandelaars. Het vloertapijt was uit gloeiend rood 40 en even gloeiend groen geweven. De neteldoeken gordijnen waren met 41 oranje en lichtblauwe zijde overplooid. Gelijk bij alle ijdele menschen, hin-

[p. 162]

aant.1gen ook in deze huiskamer aan den wand de levensgroote en zeer behaag-2zieke portretten van mijnheer en mevrouw; mijnheer in een almaviva met 3 een sierlijken zwaai gedrapeerd, en een oogopslag als van een aangeblazen 4 dichter; mevrouw, zeer laag gekleed, met een dik parelsnoer om den hals, 5 een kanten plooisel om de japon, en schitterende armbanden. Een derde 6 schilderij stelde een groep van vier der kinderen voor, waarbij aan de schoo-7ne brunette vooral niet was te kort gedaan. De beeltenis van William, die de 8 oudste geweest was, miste ik met smart; maar het was natuurlijk, want het 9 stuk was eerst sedert de overkomst der familie in het moederland geschil-10derd. Voor de sofa, waarop de schoone dochter van den huize was gezeten, 11 lag een tijgervel met rood omzoomd; en de armstoel van mevrouw was zoo 12 ruim en zoo gemakkelijk, dat zij er als in verzonk.

13Toen ik binnentrad zat mama met het windhondje Azor, dat met min-14der muzikale neigingen begaafd scheen dan het windhondje Mimi, op haar 15 schoot, en liefkoosde het, terwijl de dochter haar borduurwerk had neerge-16legd, om zich met een grooten witten kaketoe met gele kuif te onderhouden.

17Mevrouw Kegge was eer klein dan groot van gestalte, aanmerkelijk 18 jonger dan haar echtgenoot, aanmerkelijk bruiner dan haar dochter en, wat 19 zij ook mocht geweest zijn, op dit oogenblik aanmerkelijk verre van eene 20 schoonheid in de oogen van een Europeaan. Haar toilet was, ik moet het 21 bekennen, eenvoudig genoeg, en ik zou haast zeggen eenigszins slordig; 22 maar waar is het, dat er veel werd goedgemaakt door een zonnige ferronière 23 op mevrouw Kegges voorhoofd en een zware gouden ketting op mevrouw 24 Kegges voormaligen boezem; hoezeer ook deze versierselen zich het air 25 gaven van bij mevrouw Kegges tegenwoordige kleedij volstrekt niet te wil-26len passen. Zij scheen verlegen met mijn bezoek, en had wel het voorkomen 27 een weinigje verlegen met alles te zijn; ook met de pracht, die haar om-28ringde, en het karakter, dat zij had op te houden.

29Haar dochter kwam haar te hulp. Een goede uitvinding van sommige 30 moeders: dochters te hebben. Zij hief zich, om mij te groeten, eenigszins 31 plechtig van de sofa op, terwijl de zwarte knecht mij een stoel gaf, veel dich-32ter bij haar dan bij haar mama, en betuigde haar genoegen mijnheer Hilde-33brand te zien. ‘Papa had er zich zóó veel van voorgesteld mijnheer Hilde-34brand eens te bezitten. Niet lang zeker zou hij zich laten wachten; maar eene 35 dringende commissie had hem uit geroepen.’

36Inderdaad, het was een schoon meisje, die dochter van den heer Kegge. 37 Zij had den fijnen neus en den mond van William, maar veel schooner 38 oogen dan deze had gehad. Heerlijke, donkere, tintelende oogen waren het, 39 die tot in de ziel doordrongen. Als zij ze opsloeg, blonken zij vurig en onver-40saagd, en toch, als zij ze neersloeg, hadden zij iets bijzonder zachts en kwij-41nends. Heur haar hing in menigte van lange glinsterende krullen, naar

[p. 163]

aant. 1 engelsche wijze, langs haar eenigszins bleeke, maar mollige wangen. Ik wist 2 dat zij drie jaar jonger was dan William, die nu ongeveer twintig jaren zou 3 geteld hebben; maar, naar den aard der tropische menschengeslachten was 4 zij ten vollen ontwikkeld. Een weelderig négligé van wit batist en kronkelige 5 tule kleedde hare rijzige gestalte, en zij had geen anderen opschik dan een 6 bloedigen robijn aan haar vinger, die de oogen trok tot haar kleine zachte 7 handekens.

8De schoone brunette hield het gesprek vrij wel gaande, en vulde de ga-9pingen aan door allervriendelijkst met den kaketoe te converseeren en hem 10 kleine stukjes beschuit uit hare hand te laten oppikken, bij welke gelegen-11heid ik doodsangsten uitstond voor hare schoone vingeren. Men gevoelt, 12 dat ik het begunstigde dier uitermate prees.

13‘O, hij praatte zoo aardig. Zij was nu begonnen hem haar naam te lee-14ren uitspreken; Coco, hoe heet de vrouw?’

15En zij aaide Coco zoo zacht over den kop, dat ik wenschte Coco te zijn.

16De lieve naam kwam echter zoomin van 's mans hoornachtige lippen, 17 als ikzelf in staat zou geweest zijn dien voort te brengen. Na lang vleiens 18 kwam er: ‘Kopje krauwen.’

19Dit was klaarblijkelijk eene vergissing, en Coco boette die duur genoeg. 20 De schoone oogen begonnen te vonkelen, en de lieve hand gaf den onwilli-21gen met een gouden naaldekoker een gevoeligen slag op den kop; ten ge-22volge waarvan de heer Coco, met een schuinslinks gebogen kruin en kleine 23 pasjes, naar het verwijderdste gedeelte van zijn kruk retireerde, en daar in 24 die houding zitten bleef met een ter bescherming opgeheven poot, ongeveer 25 als een schooljongen op wien de meester onheildreigend uitschiet.

26‘Papa leert hem soms zulke woorden uit een aardigheid,’ zei de ver-27toornde schoone; ‘maar ik vind het zeer onaangenaam.’

28Mama zag met een zekeren angst naar haar dochter op.

29Ik zocht naar een nieuw onderwerp van gesprek, en was juist van plan 30 de portretten te hulp te roepen, als mijnheer Kegge zelf te huis kwam.

31‘Onsterfelijke vriend!’ riep hij mij toe; als waren wij ons geheele leven 32 door de teederste banden van vriendschap, waarvan ooit in een album 33 gesproken is, ‘verknocht, verstrengeld’ en, als het rijm medebrengt, ‘veren-34geld’ geweest: ‘Onsterfelijke vriend! daar doe je wel aan. Kom aan, dat's 35 goed. Nog niets gebruikt? Wat wil je hebben? Madera, teneriffe, malaga, 36 constantia? witte port? vruchtenwijn? Lieve kind, laat onmiddellijk de 37 likeuren komen. Hoe zit jij daar zoo te druilen, Lorre?’

38‘Hij heeft knorren gehad, papa,’ antwoordde de dochter, ‘omdat hij 39 andere woorden spreekt dan die ik hem geleerd heb.’

40‘Allemaal gekheid! Hoe meer woorden hoe beter! Poes, poes! kopje 41 krauwen! gekskap!...’

[p. 164]

aant.1‘Papa, ik had het waarlijk liever niet.’

2‘Nu, nu, Harriot my dear! Ik zal 't niet weer doen. - Maar wat zegje van 3 onzen gast, mijnheer Hildebrand? En wat zegt mijnheer Hildebrand van 4 mijn dochter?...’

5Wij waren beiden verlegen, en hadden niets van elkaar te zeggen.

6‘Allemaal gekheid!’ riep de heer Kegge; ‘je zult wel familiaar worden. 7 Voortaan geen mijnheeren of dames, maar Henriette en Hildebrand, alstje-8blieft.’

9Juffrouw Henriette Kegge stond op, om met zeer veel ijver op de piano 10 een boek te zoeken.

11De knecht had intusschen bevel gekregen de aangebodene verkwikkin-12gen te brengen, en zette te dien einde een onmetelijk groote vierkante san-13delhouten kist op tafel, met het woord Liqueurs in sierlijke trekletters 14 bemaald. Ik houd niet van die coffres-forts der gastvrijheid, die door slot en 15 grendel schijnen aan te toonen hoeveel prijs men zelf op hun inhoud stelt. 16 Naar de woorden van den heer Kegge evenwel te oordeelen, geloof ik dat ik 17 hem wezenlijk zou hebben verplicht, indien ik had kunnen besluiten al de 18 zes karaffen, die er, met haar bijbehoorend gezelschap van glazen, in eens 19 werden uitgelicht, na elkander leeg te drinken. Met een glas madera heette 20 hij mij welkom.

21‘Hoor reis, onsterfelijke!’ ging de heer Kegge voort, ‘dit is nu mijn huis, 22 dit mijn vrouw, dit mijn oudste dochter, en straks zul je al de kinderen zien; 23 niet waar Hanna? Dan ken je hier de taal en de spraak zoo wat. Je moet 24 maar denken: wij in de West zijn familiaar. In Europa is men vrij wat stijver. 25 Je hebt hier adellijke heeren en groote hanzen; daar behoor ik niet toe; 26 waarachtig niet; ik ben niet van adel; ik ben geen groote hans; ik ben een 27 parvenu, zoo je wilt.’

28Henriette verliet de kamer.

29‘Maar ik heb, Goddank! niemand naar de oogen te zien; dat's één 30 geluk! Leve de vrijheid, en vooral hier in huis! Je doet en laat hier alles wat je 31 goed vindt, slaapt zoo lang als je wilt, eet goed, drinkt goed - dat zijn de 32 wetten van het huis. Waar is Henriet?’

33‘Naar haar kamer,’ antwoordde mevrouw Kegge. ‘Zij kleedt zich voor 34 het diné.’

35‘Dan moeten de kinderen nog effen komen!’

36Er werd gescheld. De zwarte knecht kreeg zijne bevelen, en de kinderen 37 verschenen.

38Er traden twee mooie jongens binnen, de een van negen, en de andere 39 van tien jaren. De ondeugd zag hun uit de brutale zwarte kijkers, en zij 40 waren er, helaas! niet leelijker om. Zij droegen blauwlakensche pakjes met

[p. 165]

aant. 1 tallooze vergulde knoopen over de schouders, breed omgeslagen en breed 2 geplooide batisten halskragen, geen das, en lage schoenen met witte kous-3jes. Daarna kwam een meisje van zeven jaar met lange zwarte haarvlechten 4 en bloedroode strikken op den rug; een jongen van vijf, in een schotschbont 5 blousetje; weder een meisje, van een jaar of drie, met bloote voetjes in ge-6kleurde laarsjes; en eindelijk, op den arm eener min, een kind, dat niets meer 7 aanhad dan het witte jurkje dat men zag, en het witte hemdje dat men niet 8 zag, - verontrust u niet, lieve Hollandsche moeders! het schaap zag er vol-9maakt gezond uit - met een gouden rammelaar in de eene hand en een korst 10 brood in de andere.

11‘Nu hebje ze allemaal gezien,’ riep papa, de kleinste van den arm der 12 minne nemende en op zijn schouder zettende; waarop het kind allerliefst 13 schaterde van lachen en met de bloote beentjes spartelde en trappelde, dat 14 het een lust was om aan te zien. ‘Ik heb er elf gehad; William, dien je gekend 15 hebt; Henriet, die je gezien hebt; nu is er een heele gaping; eerst kreeg mijn 16 vrouw een miskraam, en daarop een dood kind; de vierde is tien jaar oud 17 geworden en toen aan de koorts bezweken; nu komen de jongens; hier hebje 18 Rob, en daar hebje Adam, mijn petekind; die zijn allebei nog ondeugender 19 dan hun vader, toen hij zoo klein was; tusschen hem en dit meisje is er weer 20 eentje dood; dat werd door een beest van een negerin vergeven op zijn an-21derhalf jaar; dit meisje heet Hanna, naar mijn vrouw; dat 's een mooi klein 22 ding, is het niet? en die kleine jongen heet Jan; niet waar, boer? Hier hebben 23 we Sofietje; en het kleintje heet Kitty.’

24Na deze optelling van zijn kinderen, schonk hij ze allen een glas malaga 25 in, en liet zelfs de kleine Kitty daarvan proeven, die een leelijk gezicht zette, 26 een uitwerksel dat den oorsprong van haar leven zeer vroolijk maakte. 27 Mama speelde met den krullebol van Rob, en Rob met den staart van Azor; 28 Adam prikte zijn zuster Hanna zachtkens met een speld in den nek, en bui-29telde daarop naar den kaketoe, die zichtbaar bang voor hem was; Jan en 30 Sofie begonnen een twistgeding ter zake van het hazewindje Mimi. De heer 31 Kegge gaf zijn jongste spruit weer aan de min over.

32‘Zie zoo, minne!’ zeide hij: ‘nu maar weer naar de kinderkamer! Vort, 33 jongens! Veel pleizier!’

34En de geheele stoet verdrong zich lachende en juichende in de deur, en 35 stoof henen.

36‘Als je nu eens weten wilt waar je slaapt, onsterfelijke!’ hervatte de heer 37 Kegge, die dezen naam voor mij gekozen scheen te hebben, ‘ga dan mee als 38 je wilt; dan kanje meteen de bibliotheek zien.’

39Hij bracht mij naar een achterbovenkamer, die op den tuin uitzag. Nog 40 nooit zou ik te midden van zooveel weelde hebben geslapen. Een lit d'ange,

[p. 166]

aant. 1 een canapé, een chaise longue daarenboven, een pendule, een psyché, een 2 waschtafel van satijnhout, met tot de geringste benoodigdheden voor het 3 toilet meer dan voorzien.

4‘Je bent niet bang voor dat wapentuig daar in den hoek?’ zei de heer 5 Kegge, naar een paar indiaansche bogen en een dozijn wie weet hoe vergif-6tige pijlen wijzende. ‘Hier is de schel; als je wat noodig hebt, dan rammel je 7 maar dat het huis dreunt.’

8Wij gingen daarop naar de bibliotheek, waar een lustig vuur brandde 9 en een schat van Voyages pittoresques en hedendaagsche literatuur, op de 10 keurigste wijze gebonden, bijeen was.

11‘Hier ga je nu maar heen, als je je verveelt! Die sofa is nog al makkelijk. 12 In deze laden zijn platen; al wat je hier ziet is meestal in Engeland gekocht, 13 en nu completeert Henriet het zoo wat. Ik kan me met die snorrepijperij niet 14 altijd ophouden. Henriet heeft twee jaar te Arnhem school gelegen. Maar 15 toen zijn we in 't land gekomen, en hebben haar thuisgehaald; ze was te 16 groot, en ze moet nu zelf maar verder haspelen. Engelsch kon ze al; en als je 17 in twee jaren geen Fransch kunt leeren, dan leer je 't nooit. Dat lange school-18gaan - allemaal gekheid. Ik laat geen van me kinderen meer schoolgaan; ze 19 krijgen patente meesters aan huis. Gouverneurs en gouvernantes wil ik niet 20 onder mijn oogen zien. En wat de meisjes betreft: mijn vrouw verstaat geen 21 woord Fransch, en toch heeft ze elf kinderen gehad, weetje... Zie je dien 22 opgezetten tijger? Dien heb ik zelf op mijn suikerplantage geschoten!... De 23 deugniet had al driemaal een kalf komen weghalen.’

24Wij gingen verder, en in den tijd van een half uur had de heer Kegge mij 25 al de kamers van het geheele huis, den tuin, den stal en het koetshuis laten 26 zien, alles onder even drukke en schutterige gesprekken, waaruit het mij 27 meer en meer bleek, dat de heer Jan Adam Kegge zeer ingenomen was met 28 zijn rijkdom, zijn kinderen, en zichzelven. Hij scheen er volkomen van over-29tuigd te zijn, dat hij een onuitputtelijk fortuin had en dat hij ‘een perfecte 30 goeie kerel’ was; tienmaal beter dan alle mogelijke ‘groote hanzen en adel-31lijke heeren’, en volkomen gerechtigd om alle wereldsche zorgen en wel-32voeglijkheden met zijn lievelingsuitroep af te doen: ‘allemaal gekheid!’

33Toen wij alles gezien hadden, wachtte mevrouw ons in de eetzaal.

34Henriette verscheen er in eene japon van blauwe zijde, die haar niet vol-35komen zoo goed stond als haar wit négligé. Ik had de eer tusschen haar en 36 mevrouw haar moeder te worden geplaatst. Mijnheer zat over mij, en de 37 kinderen schaarden zich naar goedvinden. Bij het couvert van den oudsten, 38 die trouwens ook al tien jaren telde, stond een karaf wijn zoo goed als bij 39 het mijne. Aan het eind der tafel stond nog een stoel ledig; en toen wij allen 40 gezeten waren, kwam er een kleine, magere vrouw binnen, nog veel bruiner 41 dan mevrouw Kegge. Zij kon omstreeks zestig jaren oud zijn, als eenige te

[p. 167]

aant. 1 voorschijn komende grijze haren deden vermoeden; valsch haar droeg zij 2 niet. Zij was in het zwart gekleed, maar droeg een omgespelden neusdoek 3 van hoogroode oostindische zijde. Achter haar ging een schoone lange-4hond, die zoodra zij plaats genomen had zich bij haar stoel nederzette en 5 zijn kop in haar schoot lei, waar zij hare bruine hand op rusten deed. Er was 6 iets indrukmakends in deze verschijning, schoon niemand acht op de bin-7nenkomende sloeg. Men noemde haar grootmama; doch ik twijfelde soms 8 of dit niet maar een naam was, haar in scherts gegeven. Zij zelve sprak wei-9nig en eenigszins gebroken, maar eenmaal zag ik haar veelbeduidend het 10 hoofd schudden, toen de heer Kegge vertelde ‘dat hij den koop van dat 11 nieuwe rijtuig maar gesloten had, en dat zij nu voortaan nog makkelijker 12 naar de kerk zou rijden’.

13‘Kom, kom!’ riep hij toen, ‘geen hoofdschuddingen! dat's allemaal gek-14heid. 't Zal het mooiste rijtuig van de stad zijn, en de groote hanzen en adel-15lijke heeren kunnen er een punt aan zuigen. Ik heb zin om er een wapen op 16 te laten schilderen met een gouden keg1 op een zilveren veld, en een groote 17 planterskroon er bovenop van suikerriet en koffieboonen.’

18‘Ik zou er maar J.A.K. op laten zetten,’ zei de oude dame droogjes: ‘je 19 kunt immers de letters met net zooveel krullen maken als je maar wilt.’

20Ik beschrijf u het diné niet, met al zijn opscherpende tomaat- en andere 21 sausen, cayenne, soya, kruiderazijn, atjarbamboe, engelsche pickles en wat 22 dies meer zij; noch zal het wagen u een denkbeeld te geven van den portwijn 23 van den heer Kegge, die hij door een extra-extra gelegenheid had, maar die 24 dan ook zóó was, dat de heer Kegge verklaarde een zeeuwsche rijksdaalder 25 te willen zijn als men hem ooit, als men hem ergens anders dan misschien bij 26 den koning van Engeland, zóó drinken zou. Mevrouw at veel, en Henriette 27 weinig; maar men moet bedenken dat de laatste oneindig meer sprak; ook 28 regelde zij de tafel, en droeg zorg, dat men de gerechten in behoorlijke orde 29 nuttigde, niettegenstaande haar papa zich daar wel eens tegen bezondigde, 30 en dan met een ‘allemaal gekheid’ de fout verschoonde. De hazewindjes van 31 mevrouw waren allerbescheidenlijkst stil, omdat zij ontzag hadden voor 32 den langen-hond der oude dame; maar de kinderen, die ‘vrij werden opge-33voed’, maakten een vreeselijke drukte.

34Na den eten bood de zwarte knecht koffie aan, en moest ik een schot-35sche likeur proeven, die als vuur in de keel was.

[p. 168]

aant.1De oude dame was na den afloop van het diné terstond opgestaan en ver-2trokken, gevolgd van haar getrouwen hond. De kinderen waren in de eet-3zaal gebleven, waar de kleine Hanna de compôte met morellen tot zich trok 4 en daaruit, terwijl het gezelschap scheidde, zichzelve en hare broertjes nog 5 eens bediende, op mama's vriendelijk verzoek zich aan deze verkwikking 6 niet verder te buiten te gaan, niets antwoordende dan dat het zoo lekker 7 was.

8‘Je zult niet kwalijk nemen dat ik eens naar de bibliotheek ga,’ zei de 9 heer Kegge; ‘dit is mijn studie-uurtje!’ En met een weinig bedwongen geeuw 10 verliet hij de kamer.

11Mevrouw zette zich in eene gemakkelijke houding op de sofa neder, 12 wierp een bonten zijden zakdoek over haar hoofd en bereidde zich insge-13lijks tot de siësta.

14De schoone brunette en ik bleven dus zoo goed als alleen in de scheme-15ring, slechts verhelderd door de grillige vlammen van het lustig brandend 16 kolenvuur. Zij zette zich in een vensterbank neder en betuigde er zich in te 17 verheugen, dat zij na den eten aangenaam gezelschap had.

18Dit was allerliefst; maar ik merkte aan, dat een eenzaam schemeruurtje 19 ook zijn waarde heeft.

20Zij hield er niet van. Zij hield van veel licht, veel discours, veel men-21schen; ‘en helaas,’ voegde zij er bij, ‘er is hier volstrekt geen conversatie.’

22Ik verwonderde mij over het verschijnsel van een stad met zoo veel dui-23zend inwoners, zonder eenige conversatie.

24‘Ach,’ antwoordde Henriette: ‘men moet denken, de menschen zijn hier 25 verschrikkelijk stijf; het zijn allemaal coterieën, waar men niemand in 26 opneemt. Daar zijn nog wel families genoeg, die gaarne met ons zouden 27 omgaan, maar... die conveniëeren ons weer minder.’

28Ik begreep zulk een toestand volkomen. Er zijn in iedere stad huisgezin-29nen, die volstrekt niet georiënteerd zijn in hunne eigenlijke plaats en stand; 30 familiën zonder familie, die den neus optrekken voor den eenvoudigen, den 31 deftigen burger, wiens vader en grootvader ook eenvoudige en deftige bur-32gers waren, maar verbaasd staan, dat de eerste kringen hen niet met open 33 armen ontvangen. Lieve menschen! van waar komt u deze laatdunkend-34heid? Moeten dan, mevrouw, omdat uw echtgenoot een ambt bekleedt dat 35 hem tot het waterpas van zes, zeven groote heeren in de stad opvoert, de zes, 36 zeven vrouwen dier groote heeren terstond vergeten, dat uw geboorte bur-37gerlijk, uw afkomst burgerlijk, uw toon burgerlijk is? Of bevreemdt het u, 38 rijke koopmansgade! dat de hoogste kringen niet tot u zijn toegenaderd, 39 naarmate uw echtvriend langzamerhand een grooter huis is gaan bewonen, 40 zijne bedienden in liverei heeft gestoken, meer paarden en misschien wel een 41 heerlijkheid heeft gekocht? Moet dan, mejuffrouw! omdat uw vader met

[p. 169]

aant. 1 ettelijke tonnen gouds uit Oost of West terugkwam, en den achtbaarsten 2 patriciër, den besten edelman naar de oogen steekt door uiterlijke praalver-3tooning, die achtbare patriciër, die doorluchtige edelman al de uwen ter-4stond de hand reiken, en u tot gade voor zijnen zoon begeeren? Weet gij dan 5 niet, dat indien de kringen, welke gij zoo verlangend zijt binnen te treden, 6 zich voor u openden, gij in gestadigen angst zoudt verkeeren voor eene toe-7speling op uws vaders afkomst, eene hatelijkheid op uw aangewaaiden 8 rang? Zou het niet veel beter zijn, indien gij u rustig aansloot aan den stand 9 waartoe gij behoort, die even goed is als een hoogere, en waarin gij zoudt 10 worden geëerd en ontzien? Moest gij niet veel liever de eerste onder de bur-11gers dan de laatste, de bij gedoogen toegelatene, onder de grooten zijn? 12 Waarlijk, ik begrijp hunne terughoudendheid beter dan uwe eerzucht. Zij 13 zijn volkomen tevreden met het verkeer onder huns gelijken; zij schromen 14 avances te doen, die hun naderhand zouden kunnen berouwen; de mevrou-15wen vreezen, dat zij nu en dan voor elkander over hare nieuwe kennissen 16 zouden hebben te blozen, indien zij u en amitié namen, en gij verriedt eens 17 uw nieuwelingschap of volkomen misplaatst zijn in de kaste, waarin gij 18 waart toegelaten zonder in hare geheimenissen te zijn ingeleid!... Of, korter 19 nog; zij zien niet in, waarom zij juist u in haren omgang zouden opnemen. - 20 Maar gijzelve, die gedurig op uw teenen staat om in haar vensters te kijken 21 en het af te zien hoe zij haar huis stoffeeren, haar disch arrangeeren en hare 22 bedienden dresseeren; gij, die haar plaagt, en tart door uw toilet kostbaar-23der te maken dan het hare, die er beurtelings de nabootsing, de parodie, en 24 de charge van uitstalt; die terwijl gij over den onchristelijken hoogmoed der 25 groote dames klaagt, die de deur sluiten voor eene familie, die niet tot haren 26 stand behoort, uw eigen deur op het nachtslot gooit voor familiën, die wèl 27 tot uwen stand behooren: ik weet niet hoe het komt, dat gij deze dwaze eer-28zucht niet lang hebt afgeschud. Een ordinaris kip is zoo goed als, en mis-29schien beter dan een fazantehen, maar ze behoort daarom niet in het hok 30 der goudlakenschen. Zoo zij dan den kippenloop veracht, mag zij alleen 31 gaan zitten onder dezen of genen sparreboom, en pikken zich in de veeren, 32 en aan de voorbijzwemmende eenden wijsmaken, dat haar nicht in den tien-33den graad ook een fazantehen is. Maar de kippen in den loop hebben samen 34 ruim zoo veel genoegen als zij in haar eenigheid, achten elkander, bewonde-35ren elkanders eieren, en kakelen en klokken dat het een lust is. Doch voor u 36 heb ik eene andere vergelijking. Gij zijt vledermuizen, bij de vogelen niet 37 gezien, en de muizen verachtende, die geen ander genoegen hebben dan in 38 het schemeruur wat vertooning te maken met een soort van vleugelen, die 39 haar waarlijk staan of ze haar niet toekomen.

40Het bleek mij in dit schemeruur, dat de schoone Henriette zich met deze 41 ongelukkige eerzucht pijnigde. Mevrouw kende ik nog niet; maar mijnheer,

[p. 170]

aant. 1 schoon alles bruskeerende, wat groot en hoog was, sprak mij veel te veel 2 van adellijke heeren en groote hanzen, dan dat ik hem niet van eene heime-3lijke jaloezie verdacht zou hebben. In zijn trotsch belijden ‘zoo je wilt, een 4 parvenu te zijn’ was misschien even veel spijt als oprechtheid.

5In den loop van ons gesprek verhaalde Henriette mij wonderen van het 6 huis en de paarden en de slaven, die de familie in de West had; een slaaf voor 7 den zakdoek, een slaaf voor den waaier, een slaaf voor het kerkboek, een 8 slaaf voor den flacon! Zij kwam ook op haar kostschool, en klaagde over de 9 nare madame, die door al de meisjes gehaat was, en verhief hemelhoog de 10 allerliefste Clementine zus en zoo, haar beste vriendin, waarmee zij ‘in alles 11 sympathiseerde’. Zij had eene ‘onbegrijpelijken zin’ om in Den Haag te 12 wonen, of een reis door Zwitserland te doen; bij welke gelegenheid zij lief-13hebberij toonde om al die bergen te bestijgen, welke gewoonlijk niet door 14 dames bestegen worden. Zij vond het onuitstaanbaar dat de menschen hier 15 over het gordijntje gluurden als zij een dame te paard zagen, en dat men zich 16 nooit in deze stad met een heer in 't publiek kon vertoonen of er werd 17 gezegd dat men verloofd was; een grieve, welke ik door alle mogelijke 18 dames tegen alle mogelijke steden heb hooren inbrengen, maar waarvan ik 19 het ijselijke zoo ijselijk niet inzie.

Een juffertje en een mijnheer

24Terwijl wij nog zaten te schemeren ging de deur open, en door twee of drie 25 van de kinderen werd eene vrouwelijke gestalte meer binnengegooid dan 26 ingeleid, onder het gejuich van ‘Saartje met een mof! Saartje met een mof!’

27Een diepe zucht rees op uit den schoonen boezem van Henriette.

28De gestalte, uit het licht in den donker komende, kon waarschijnlijk 29 geen hand voor oogen zien, en bleef in de deur staan; de kinderen trokken 30 weder af, en wij hoorden hen in den gang voortjuichen: ‘Saartje met een 31 mof! Saartje met een mof!’

32‘Kind!’ zei Henriette tot de binnengekomene: ‘wat kom je ontzaglijk 33 vroeg; mama slaapt nog.’

34‘Wat zeg je, Harriot?’ riep mevrouw met een schorre stem, wakker wor-35dende: ‘wat wilje kind? is er iets? hebje nog geen licht op?’

36‘Nicht Saartje is daar al,’ was het antwoord. ‘De kinderen zeggen;’ 37 voegde zij er lachend bij; ‘de kinderen zeggen, met een mof!’

38De gestalte kwam, op het geluid af, naderbij, en vroeg met een heele 39 lieve stem naar de gezondheid van nicht Kegge en nicht Henriette.

40‘Och!’ zei de laatste, ‘je bent er toch niet ver af; schel reis om het licht, 41 wilje?’

[p. 171]

aant.1Nichtje gehoorzaamde, en ik verlangde naar de lamp. Het licht kwam 2 binnen, en ik ontwaarde bij zijn schijnsel een jong meisje, misschien van de 3 jaren, maar nog niet van de ontwikkeling van Henriette. Een allerliefste 4 taille, in een zeer simpel winterjaponnetje gekleed, maakte zich los uit de 5 plooien van een bruinen lakenschen mantel; een gegaufreerd kraagje sloot 6 stemmigjes om een allerblanksten hals; en toen zij haar eenvoudig kastoor 7 hoedje afzette, vertoonde zich, onder een schat van los neerhangende 8 blonde krullen, een allerinnemendst zacht en liefelijk gelaat. Zij bloosde op 9 het onverwacht gezicht van een persoon meer dan zij vermoed had. Ik 10 haastte mij haar van hoed en mantel te ontlasten, en ook van de mof, in wier 11 gezelschap zij was aangekondigd. Zij bloosde nog sterker over deze gedien-12stigheid en wilde zich die volstrekt niet laten welgevallen.

13Henriette nam de mof in de hand. Het was geen alledaagsch, nieuwmo-14disch handmofje van marter of chinchilla, met lichtblauwe of kersroode zijde 15 gevoerd en nauwelijks groot genoeg voor twee kleine handjes, een zakdoek, 16 een reukflesch, en een visiteboekje; maar een degelijke, ruige, ouderwetsche, 17 dikke vette mof, van een fiksche langharige vossenhuid, waarbij een dito hals-18bekleedsel behoorde, waarmee onze grootmoeders over haar doek naar de 19 kerk gingen en waarin wij daar ter plaatse nu nog een enkele oude keuken-20meid zien verschijnen, en dat den naam van sabel draagt.

 

22‘Wat een allerliefst mofje!’ zei Henriet, met het harde haar over hare zachte 23 wangen strijkende; ‘wat doe jij nu met een mof, Saartje?’

24‘'t Is een oud ding,’ zei Saartje met een lief lachje: ‘de kinderen hebben er 25 ook al zoo'n pleizier over gehad. 't Is nog van mijn grootmoeder, en ik draag 26 het alleen 's avonds, nicht Henriette! Hoe vaart neef?’

27‘Papa is heel wel,’ antwoordde de schoone. En als om het te bewijzen 28 trad de heer Kegge zelf binnen, vatte Saartje met een fikschen greep om het 29 middel, en gaf haar een zoen dat het klapte.

30‘Wel Saar! daar doe je wèl aan!’ riep hij uit. ‘Kom je nog reis thee voor 31 ons schenken? Wat zeg je van dien mijnheer, dien we hebben opgedaan? Pas 32 maar op hoor, het is een meisjesgek.’

33Dit zijn van die malle gezegden, waarop de patiënt niet veel anders doen 34 kan dan pijnlijk glimlachen.

35‘En wat hoor ik van je mof? Rob zegt dat je een mof hebt. Laat reis kij-36ken. Die is nog van je moeder, Saar! Lieve schepsel! ik ben een citroen als dat 37 niet precies het haar is van een wild varken. Hoor reis, je zult voor je Sinter 38 Klaas een betere mof van mij hebben.’

39‘Och neen, neef Kegge!’ zei het lieve meisje verlegen; ‘ik zou haar toch 40 niet anders dan 's avonds dragen.’

41‘En waarom niet, als ik ze je geef?’

[p. 172]

aant.1‘Omdat het me... niet past, neef Kegge.’

2‘Niet passen? allemaal gekheid! wat droes, als ik ze betaal?’

3‘Toch niet, neef Kegge! heusch, ik had het liever niet, - ik mag geen bont 4 dragen, - en ik ben er ook nog veel te jong voor.’

5‘Allemaal gekheid! wat doen de jaren tot een stuk beestenhaar? 't Is 6 immers voor de kou, krullebol! Nu, let maar op, met Sinter Klaas; en hou nu 7 je moeders vel maar uit de tanden van Azor en Mimi.’

8Deze laatste aardigheid deed den heer Kegge machtig genoeglijk aan, en 9 wij zetten ons tot de thee. Dat het servies van zilver en de kopjes van blauw 10 porselein waren, behoeft niet te worden opgemerkt. De lezer weet nu te wel 11 hoe het huishouden van de rijke familie Kegge gemonteerd was, om van 12 eenige pracht ter wereld meer verwonderd te staan, en het verveelt mij er 13 hem langer opmerkzaam op te maken. Die er behagen in schept moois van 14 dien aard met bewondering en ingenomenheid beschreven te zien, leze de 15 novellen van Q. en Z. Men zou zeggen dat die heeren zelf belust werden op 16 de schoone mirakelen, die zij beschrijven.

 

18Toen de thee was afgeloopen en de pendule bijna op acht uren stond, liet de 19 heer Kegge zich een met zwart zeehond gevoerden overjas van poolsch 20 maaksel geven. Het was nog niet koud genoeg voor de pels, zeide hij. Hij 21 stak daarna op, hetgeen hij met een kieschen term een stinkstok noemde, en 22 ging uit, om alweer een noodige commissie te doen.

23Niet lang daarna kwam er in zijne plaats een heer binnen van een zeven-24of achtentwintig jaren, naar ik berekende. Het was een welgemaakt, rijzig 25 man, met een gelaat, waarvan de snede heel goed, maar dat voor het overige 26 zeer vervallen was. Hij droeg het haar eenigszins lang, zeer scheef geschei-27den, en aan den breedsten kant gefriseerd. Grijze oogen schoten hunne 28 doffe stralen uit diepe spelonken, want de jukbeenderen waren zeer sterk 29 geteekend, en om zijne lippen speelde een glimlach, die kennelijk geen 30 andere bestemming had, dan om een zeer blank en regelmatig gebit te doen 31 te voorschijn komen. Deze persoon was gedost in een zeer nauwen groenen 32 rok met zeer kleine vergulde knoopjes en zeer nauwe en korte mouwtjes, 33 een zeer wijden zwarten pantalon, met zeer spits toeloopende pijpen, en een 34 gebrocheerd zijden vest. Een zwartsatijnen strop, in welks slippen een zeer 35 lange, zeer dunne gouden doekspeld stak, met een klein goud snoertje daar-36aan vast, stroo-gele handschoenen en zeer puntige laarzen voltooiden zijn 37 kleedij. Nog slingerde er een gouden halsketting, saamgesteld uit lange 38 magere schakels, over zijn vest, en wees der verbeelding den weg naar een 39 zeer dun goud horloge à cylindre, terwijl aan een bijna onzichtbaar elastiek 40 koordje een klein vierkant lorgnet bengelde, dat geschikt was om zonder 41 hand of vinger aan te raken, in den winkel van het oog te blijven staan.

[p. 173]

aant.1Toen deze heer binnenkwam, ging hij eerst de kamer door, volstrekt in 2 dezelfde houding alsof hij moederziel alleen ware geweest en zonder ter lin-3ker of ter rechter zijde iets te willen opmerken; men zou gezegd hebben in 4 eene blinde opgewondenheid. Toen hij tot mevrouw Kegge genaderd was, 5 stond hij stokstil en liet zijn hoofd op de borst vallen als eene geknakte 6 bieze; vervolgens ging hij op Henriette af, en herhaalde dezelfde beweging 7 met al de bevalligheid van een automaat; eindelijk bracht hij ze ten derde-8male ten uitvoer voor de vereenigde personages van Saartjen en mij.

9Henriette stelde ons aan elkander voor, als mijnheer van der Hoogen en 10 mijnheer Hildebrand.

11Mijnheer van der Hoogen plaatste zich vervolgens op den hem aange-12boden stoel, bracht den duim van zijne rechterhand ter hoogte van zijn 13 rechterschouder, en stak hem door het armsgat van het gebrocheerde vestje, 14 zoodat zijne taille fine allerschitterendst uitkwam. Daarop begon hij met 15 een krakende stem tot mevrouw:

16‘En hoe maken het Azor en Mimi? Charmante hondjes. Gisteren 17 dineerde ik bij den heer van Nagel; nu, u weet wel dat freule Constance ook 18 een aardig hondje heeft...’

19‘Ik weet het heel goed; het is een King Richard,’ zei Henriette, ‘een aller-20liefst dier.’

21‘Niet waar? allerliefst en allercharmantst; maar toch het haalt niet bij 22 Azor en Mimi.’

23‘Zou je dat waarlijk denken?’ vroeg mevrouw, met zichtbaar welgevallen.

24‘o Mevrouw!’ antwoordde de heer van der Hoogen, geheel opgewon-25denheid: ‘het scheelt hemel en aarde. Ik kon ook niet nalaten het te zeggen. 26 Freule Constance! zei ik, uw hondje is charmant; maar de hondjes van 27 mevrouw Kegge zijn charmanter.’

28Ik had nog zoo veel bewijs van leven op het gelaat van mevrouw Kegge 29 niet gezien; met een soort van geestdrift stak zij Azor en Mimi, die bij haar 30 op een tabouret lagen, ieder een klompje suiker toe, en streelde hen dat 31 hunne koppen blonken als spiegels.

32De heer van der Hoogen richtte zich daarop tot Henriette.

33‘Ik kan u zeggen, juffrouw Henriette, dat de freule Constance jaloersch 34 is van uw maraboe's; zij heeft u er laatst mee in de kerk gezien. Gisteren zei 35 ze: Van der Hoogen, je kent immers de familie Kegge? Ik antwoordde dat ik 36 de eer had er gepresenteerd te zijn. Nu, zei ze, ik kan je zeggen: ik ben ziek 37 naar de maraboe's van de freule. Het zijn allercharmantste maraboe's; 38 daarop volgde een heel gesprek over u.’

39‘Waarlijk?’ vroeg Henriette: hare oogen ongeloovig tot hem opslaande. 40 ‘Foei, Van der Hoogen! je houdt me een beetje voor den gek.’

41‘Dat is ondeugend van je,’ antwoordde Van der Hoogen, als zij glimla-

[p. 174]

aant.1chende. ‘Hoor je 't, mevrouw? Foei, foei, welke zwarte soupçons!’ Daarop 2 trok hij zijn gezicht in een ernstige plooi en vervolgde: ‘Waarlijk, juffrouw 3 Henriette, het is jammer, heel jammer, dat je die menschen niet ziet. Het is 4 een charmant huis. De freule Constance is waarlijk allercharmantst.’

5‘Ik weet niet, Van der Hoogen! maar ik geloof stellig dat er iets bestaat 6 tusschen u en die freule Constance!’ merkte Henriette aan. En zij lichtte 7 haar kleinen wijsvinger op, en zag hem met alle mogelijke coquetterie in de 8 oogen.

9De heer van der Hoogen had er, wed ik, zijn mooie handschoenen voor 10 willen verbeuren, indien hij had kunnen blozen. Maar zijn blos was - wie 11 weet waar?

12‘Al weer foei!’ hernam hij, ‘dat is nu toch niet edelmoedig, juffrouw 13 Henriette!’ En hij lei de hand zeer gemoedelijk op zijn gebrocheerd vest; ‘ik 14 verklaar u op mijn woord van eer, dat al wat men daar misschien van fluis-15tert - onwaar is.’

16Hij liet een korte geheimzinnige pauze volgen; daarna ging hij voort:

17‘Ik mag de freule Constance heel gaarne; zij is waarlijk aller-char-18mantst; maar... ik heb geen plans, in 't geheel geen plans. En wilje weten 19 waarom zij mij juist gisteren zoo beviel?’

20‘Welnu?’

21‘Omdat zij zich zoo aan u intéresseerde.’ En hij sloeg de oogen liefelijk 22 neder.

23‘Inderdaad, ondeugd?’ plaagde Henriette; ‘je zoudt me waarlijk 24 nieuwsgierig maken, indien ik het worden kon!’

25‘Zij vond uw voorkomen zoo bijzonder lief en intéressant,’ zei Van der 26 Hoogen, ‘en ze had zóó veel van uw spelen gehoord.’ En zich tot mevrouw 27 Kegge keerende: ‘Lieve mevrouw! vereenig u toch met al wat in de stad 28 smaak heeft, om uw dochter te bewegen haar woord te houden.’

29‘Dat behoeft niet meer!’ zei Henriette glimlachende: ‘alles is bepaald: ik 30 speel vrijdag.’

31‘Charmant, charmant, allercharmantst. Dat zal freule Constance ver-32rukken. Dat zal een sensatie in de stad geven. Een groot stuk, hoop ik...’

33‘Ik ben nog niet gedécideerd,’ antwoordde Henriette: ‘wil de heer van 34 der Hoogen mij eens helpen kiezen? Zullen wij de piano eens openmaken?’

35‘Gaarne, dolgaarne.’

36‘Maar gij moet reflecties maken.’

37‘Onmogelijk! onmogelijk!’ riep Van der Hoogen. Daarop sprong hij 38 van zijn stoel, bracht zijn hoed in een hoek van de kamer, waar hij hem zoo 39 voorzichtig nederlegde, alsof hij een uitgeblazen eierschaal geweest was, 40 ontblootte zijn sneeuwwitte handjes en nagels coupés à l'anglaise, en hielp 41 Henriette de muziek uitzoeken.

[p. 175]

aant.1Onderdies fluisterde hij halfhoorbaar: ‘Dat juffertje De Groot heeft 2 toch een allercharmantst gezichtje!’

3‘Wat onbeduidend,’ antwoordde Henriette.

4‘Niet waar? dat is de eenige fout,’ sprak Van der Hoogen.

5‘Saartje,’ hernam Henriette, ‘het is goed dat ik er om denk. Grootmama 6 heeft wel zeer verzocht of je haar een beetje gezelschap zoudt willen hou-7den.’

8‘Graag, nicht Henriette!’ antwoordde Saartje; ‘ik ga terstond.’

9Ongaarne zag ik de lieve blauwe oogen vertrekken.

10Henriette begon te spelen, en de heer van der Hoogen sloeg de bladen 11 om; maar ik merkte op dat hij er somtijds zoo lang mee talmde, dat Hen-12riette, bevreesd dat hij het niet bij tijds doen zoude, zelve hare hand uitstak, 13 waarop hij zich dan haastte die hand te ontmoeten en een allerliefst excuus 14 te fluisteren, of te glimlachen. Over 't geheel was de houding der jongelieden 15 voor de piano zeer vertrouwelijk.

16Intusschen zaten aan een klein tafeltje de jonge heeren Rob en Adam 17 écarté te spelen om een kwartje, en verminkte kleine Hanna (want deze drie 18 kinderen schenen op te blijven) de platen van een kostbaar boek tot mis-19lukte knipsels.

20Ik had nu geen andere conversatie dan mevrouw, die mij vooreerst 21 ophelderde dat de gebeurtenis, die ‘al wat in de stad smaak had verrukken 22 zou’, geen andere was, dan dat Henriette aanstaanden vrijdag op het 23 damesconcert een obligaat op de piano zou uitvoeren. De heer van der 24 Hoogen had haar zoo lang gebeden, en de directie van het concert had er 25 mijnheer Kegge zoo zeer om lastig gevallen, en Henriette speelde ook zoo 26 uitmuntend, dat men niet langer had kunnen weigeren! Na deze mededee-27ling begon ons gesprek te kwijnen, en wist ik niets beters te doen, dan haar 28 af te vragen hoe 't haar in Holland beviel. Zij klaagde daarop steen en been. 29 Het scheen hier te lande koud en nat te zijn; de menschen waren hier stijf en 30 gierig, en altijd bij hun kinderen; de kinderen hadden zooveel kleeren aan 't 31 lijf; en de huizen waren zoo tochtig! Maar zij zelve was gelukkig altijd 32 gezond, en de kinderen en Kegge ook, en ook de hondjes.

33De heer Kegge kwam thuis en vertelde zooveel nieuws, dat het blijkbaar 34 was dat hij naar de sociëteit was geweest. Er kwam wijn binnen voor de 35 dames, en er werd grog gemaakt voor de heeren. De heer Kegge voegde zich 36 bij de piano. Saartje kwam weder beneden en vertelde dat de oude mevrouw 37 lust had om naar bed te gaan. Ik hield mij daarop met haar bezig door te 38 zamen de platen te bezien eener prachtuitgaaf van Lafontaine. Zij wist zoo 39 goed welke fabel door iedere plaat werd voorgesteld, en sprak het Fransch 40 zoo wel uit, dat ik duidelijk bemerkte dat dit eenvoudig burgerdochtertje, 41 dat geen bont mocht dragen, eene zeer goede opvoeding had gehad, en mis-

[p. 176]

aant.1schien ruim zoo goed geprofiteerd had, als ik van de schoone brunette en 2 haar tweejarig pensionaat verwachten durfde.

3Er werd nog een heele poos muziek gemaakt, en mevrouw Kegge slui-4merde met haar hondjes in. Zij werd niet wakker voordat de charmante 5 heer van der Hoogen weder op haar was toegeloopen, zijn hoofd op de 6 borst had laten vallen, en betuigd dat hij, heer van der Hoogen, de eer had 7 haar dienaar te wezen.

8Hij maakte dezelfde plichtpleging voor de jonge dames, en begon nu 9 aan den heer Kegge.

10‘A propos’ - zeide hij - ‘goed dat ik er om denk. Er presenteert zich 11 eerstdaags eene charmante gelegenheid om iets naar de West te verzenden. 12 Een jong mensch aan een der bureaux zal zich waarschijnlijk décideeren er 13 heen te gaan. Hier geen vooruitzichten voor iemand zonder familie; mis-14schien daar nog een plaatsje als blankofficier; honorable betrekking!’

15‘Vooral tegenwoordig!’ merkte de heer Kegge aan, ‘schoon 't bij ons 16 beter is dan in Suriname. Daar zijn de blankofficiers geheel in verachting. 17 Maar 't is dwaas; want zoo in Suriname als in Demerary zijn de meeste 18 directeurs het zelf geweest.’

19Henriette werd vuurrood op deze uitspraak. Welke gevolgtrekkingen 20 kon de charmante heer van der Hoogen niet uit zulk een bekentenis opma-21ken! Maar de charmante heer van der Hoogen dacht misschien aan zijn 22 eigen vader die, zoo als ik naderhand vernam, een logementhouder te 23 Amsterdam was, en met wien hij dien ten gevolge niets meer had uit te staan 24 dan dat hij nu en dan een wissel op hem trok.

Vaderangsten en kinderliefde

29Wie Hildebrand te logeeren vraagt, krijgt, durf ik zeggen, geen al te lastigen 30 gast in hem; maar op één ding is hij zeer gesteld. Hij moet niet alleen een 31 afgeschoten hoekje hebben waar hij slaapt, maar ook een afgeschoten 32 hoekje waar hij alleen kan zitten; een plaatsje van ontwijk, al is dat dan ook 33 nog zoo klein, waar hij zichzelven kan toebehooren en, ongestoord en 34 onbespied, gedurende een zeker gedeelte van den dag doen wat hij wil; en 35 als het winter is, valt dat bij sommige menschen moeielijk; want dan kan op 36 de eene kamer niet gestookt worden om de valwinden, en op de andere geen 37 vuur aangemaakt omdat het er zoo rookt en, schoon hij zich vrij wat koude 38 getroosten kan, ‘in de kou mag hij volstrekt niet gaan zitten’. Ondertus-39schen is het een schrikkelijk ding tusschen het ontbijt en het koffieuur, te zit-40ten hangen in de huiskamer, eerst in gezelschap van de dames in négligé; 41 daarna in gezelschap van een dienstbode, die u verzoekt uw boek op te lich-

[p. 177]

aant.1ten om ‘eventjes de tafel te wrijven’, vervolgens met in 't geheel geen gezel-2schap, en eindelijk weer in gezelschap van iemand, die een brief gaat zitten 3 schrijven, en dan, af en aan, eene flauwe, slaperige en rekkerige conversatie. 4 Neen! de conversable dag begint niet voor één ure. Aan het ontbijt voegt de 5 bijbel en de stilte, en na den ontbijt, eenzaamheid en bezigheid; met de kof-6fie krijgt eerst de gezelligheid hare rechten, en ik heb geen eerbied voor den 7 man, die eene anecdote vertelt of een geestigheid zegt vóór dat de klok van 8 éénen koud is.

9Ik was tot één ure op de bibliotheek gebleven, waar ik mij recht op mijn 10 gemak genesteld had, en mij onledig gehouden, niet met mij op eene fat-11soenlijke wijze te vervelen door, zonder bepaald iets te willen doen, nu het 12 eene dan het andere boek uit de kast te halen, in te zien, en weer op zijn 13 plaats te stellen, maar door een klein werkjen op te zetten, waartoe ik de 14 materialen had meegebracht, een werkje daar ik alle oogenblikken van 15 scheiden kon, maar daar ik ook genoeg aan had om met belangstelling in 16 bezig te zijn.

17Ik kwam beneden en werd door mijn gastheer als ‘den geleerde’ 18 begroet, ‘die den heelen ochtend met den neus in de boeken had gezeten; 19 allemaal gekheid. Hij was een dromedaris als hij er niet bij in slaap zou zijn 20 gevallen.’

21Henriette kwam binnen. Zij zag er buitengewoon vroolijk en opgewekt 22 uit, en hield in de eene hand een violetkleurig biljet, dat zij pas scheen te 23 hebben ontvangen.

24‘Kind!’ riep de heer Kegge haar toe, ‘van avond ga je uit, hoor!’

25‘En waarheen, papa?’ vroeg Henriette.

26‘Naar neef de Groot, hart! Op vergulden.’

27‘Op wat?’ vroeg Henriette, wier aangezicht betrok.

28‘Op koekplakken!’ zei haar vader. ‘Sakkerloot, ik heb het in mijn jeugd 29 ook gedaan. Vrijers, vrijsters, varkens, ledikanten, Adam en Eva, schepen, 30 al den boel! Weetje niet dat het haast Sinter Klaas is?’

31‘Ik koekplakken, papa, bij de De Grooten! - Ik kan het niet; ik bedank 32 er voor. Neen, daar bedank ik nu voor,’ zei Henriette op een welberaden 33 toon, ‘ik doe het niet.’

34‘Ja maar, lieve meid,’ zei de heer Kegge, ‘ik heb het voor je aangenomen, 35 hoor; je kunt er niet af; 't is een heele damespartij.’

36‘En wat voor dames zouden er bij de De Grooten komen?’ vroeg de 37 schoone smalend.

38‘Weet ik het, juffrouw Henriette?’ zei de vader, op een kluchtige wijze 39 het mutsje afnemende, dat hij droeg uit aanmerking van het hiaat in zijne 40 lokken, ofschoon met zichtbare verlegenheid. ‘Ik ben een kievit als ik het 41 weet. Je neef heeft er me verscheiden opgenoemd; juffrouw Riet, juffrouw

[p. 178]

aant. 1 Dekken, juffer dit en dat; hij zegt dat het heele ordentelijke juffrouwen zijn.’

2‘En waarom heeft Saartje mij dan gisteren niet verzocht?’

3‘Omdat zij het vergeten heeft, zegt ze.’

4‘Omdat ze niet gedurfd heeft,’ verbeterde Henriette, rood van veront-5waardiging.

6‘Henriette-lief!’ vleide papa, ‘ik had graag dat je wèl waart met de De 7 Grooten. Toen we hier vreemd aankwamen, hebben ze ons duizend dien-8sten bewezen. Neef heeft dit huis voor ons gehuurd en alles; hij is een eerlijk 9 man; kan hij 't helpen dat hij geen adellijk heer of groote hans is, dat hij geen 10 glacé handschoentjes draagt als onze vriend Van der Hoogen? Ik heb het 11 aangenomen; je zult er immers heengaan? Ik wil dat je er heengaat.’

12‘Het is wèl; ik zal er heengaan,’ antwoordde Henriette, bleek van drift; 13 ‘maar als ik vrijdag slecht speel, is het uw schuld.’

14‘Voor mijn rekening, kind! Maar, van vrijdag gesproken! Misschien 15 bevalt je dat óók niet; ik heb neef De Groot een introductiekaartje beloofd.’

16‘'t Is goed,’ zei Henriette, haar spijt verbijtende.

17‘Van wien is dat paarse briefje?’

18‘Ik heb het met muziek gekregen.’

19‘Nu, kind! van avond vergulden, hoor! Hildebrand mag je komen halen 20 als hij pleizier heeft; en dan moet hij wat vroeg gaan, dan kan hij nog reis 21 mee trekken om 't langste brok. 't Zijn waarlijk goeie menschen, Hilde-22brand! heel ordentelijk. Je hebt gisteren Saartje gezien. Henriet’ - vervolgde 23 hij, met de oogen pinkende - ‘Henriet mocht willen dat zij er zoo uitzag!’

24Henriet beefde.

25‘Maar zij heeft óók wel mooie zwarte oogen,’ zei haar papa, en gaf haar 26 een kus. ‘Harriot, my dear, je moet niet boos zijn.’

27Harriot, his dear, draaide het hoofd af.

28De vader was verlegen.

29‘Het is goed weer,’ hernam hij: ‘best weer! ik heb de schimmels voor de 30 barouchette laten zetten; ik wil een toertje maken met mijn logé. Ga je mee, 31 Harriot?’

32‘Ik heb te schrijven en muziek te copiëeren,’ antwoordde zij, een slot-33portefeuille openslaande, en er een blaadje bathpapier uitkrijgende, dat zij 34 oogenblikkelijk met veel ijver ging zitten vullen.

35‘Nu, dan gaan wij alleen; voor mama is het te koud.’

36Er volgde een poosje stilte.

37‘Is uw toilet voor vrijdag al in orde, Harriot?’ vroeg de heer Kegge.

38‘Ik weet niet,’ zei Harriot.

39‘Moet er niets nieuws zijn, een ferronière, of zoo wat?’

40‘Neen, papa.’

[p. 179]

aant.1De schimmels waren vóór; Henriette bleef pruilen. Wij namen afscheid 2 en stegen in de barouchette.

3‘Henriette was boos,’ zei de vader, toen wij gezeten waren. ‘Ja, die 4 dametjes! je moet ze ontzien, vrind! En Henriet heeft veel karakter.’

5Wij toerden eerst door de voornaamste straten der stad, en lieten de 6 vensters der respectieve bewoners dreunen. Mijnheer Kegge beweerde dat 7 men hard moest rijden, want dat men anders geen ontzag onder de voetgan-8gers krijgen kon. Ik kon dan ook het woord ‘ongepermitteerd’ duidelijk 9 lezen op het gelaat van verscheidene Joden, die de stad met kruiwagens 10 doorkruisten, en van oude vrouwen die van de vischmarkt kwamen en op 11 dezen of genen hoek niet gauw genoeg uit den weg konden komen. Ook zag 12 ik deftige heeren met rottingen onder den arm die, niettegenstaande de 13 straat breed genoeg was, het veiliger achtten hunne wandeling te staken, 14 totdat het rijtuig zou zijn voorbijgegaan, en kindermeiden die, twintig hui-15zen vóór ons uit, ‘verschoten’ en de aan haar zorg toevertrouwde lievelin-16gen bij de armen naar zich toe sjorden, om der wereld te toonen hoe goed zij 17 voor hen zorgden. In een koffiehuis kwamen drie of vier heeren, met hori-18zontaal opgeheven pijpen in den mond, over het horretje kijken, en alles 19 toonde ontzag voor de fraaie schimmels, het mooie rijtuig, den deftigen 20 koetsier, en den zwarten lakei achterop, die met onbewegelijke plechtigheid 21 zat rond te kijken en iedereen eerbied inboezemde, behalve den boven alle 22 vooroordeelen verheven straatjongen, die hem nariep: ‘Mooie jongen, pas 23 op, hoor! dat de zon je niet verbrandt!’

24Alle deze bewijzen van opmerkzaamheid en belangstelling in zijn per-25soon en bezitting schenen ditmaal noch de hoovaardij van den heer Kegge te 26 prikkelen, noch zijne vroolijkheid gaande te maken.

27Wij reden de poort uit en den straatweg op, en deden een mooien keer 28 door de boschrijke streek. Het was een heerlijke najaarsdag. Het had in dien 29 herfst weinig geregend en nog in het geheel niet gestormd. De boomen 30 pronkten dus nog met een goed gedeelte van hun bladerkroon. Heerlijk 31 blonken de goudgele en bloedroode tinten van iepen en beuken in het rosse 32 zonlicht. Hier en daar breidde een eik daartusschen zijn gelende takken uit, 33 nog steeds groen aan den top; en het donkergroen van een partij dennen 34 beschaamde van tijd tot tijd, met somberen ernst, de overige zonen van het 35 woud, die nu nog zoo trotsch schenen op verdorde pracht, en weldra naakt 36 en arm den winter zouden tegemoet gaan.

37Maar noch de schoone natuur, noch de heldere zon, noch de frissche 38 najaarslucht vermochten de wolk van het voorhoofd van den heer Kegge te 39 verdrijven. Ik trachtte het gesprek levendig te houden en zijne gedachten 40 over allerlei onderwerpen te verdeelen, maar telkens bleek het mij duidelijk 41 dat zij over de verstoordheid van zijne beminde dochter liepen.

[p. 180]

aant.1De schimmels waren ongemeen vurig en liepen uitmuntend, en de koet-2sier maakte den heer Kegge herhaalde malen opmerkzaam dat de bijde-3handsche nu toch alle kuren had afgelegd. Het scheen alsof de heer Kegge er 4 geen gevoel voor had; hij dacht aan de kuren van Henriet.

5De koetsier slaagde er in, na een lange worsteling, een ‘grooten hans en 6 adellijken heer’ voorbij te rijden; maar de heer Kegge wreef zich de handen 7 niet met dat genoegen, waarmee ik mij overtuigd hield dat hij het gisteren 8 zou gedaan hebben. Zijn geest was gedrukt. Wel poogde hij den last nu en 9 dan van zich af te werpen, of zich dien te ontveinzen, door van tijd tot tijd 10 koddig of ruw uit te vallen, maar daarna geraakte hij op nieuw in de stilte. 11 Hij was de man van gisteren niet. Die barre mijnheer Kegge, zoo onafhan-12kelijk, zoo luidruchtig, zoo opbruisend, en voor geen kleintje vervaard, was 13 kleinmoedig en benepen van ziele, om den wille van de gril van een zeven-14tienjarig meisje, dat hij liefhad en vreesde. Mejuffrouw Toussaint, in wie ik 15 niet weet wat het meest te bewonderen, òf de juistheid waarmede zij de ver-16borgenheden van het innerlijk leven opvat, òf de keurigheid en kracht waar-17mee zij die in hare geschriften schildert, heeft dezen vorm der ouderlijke 18 liefde uitstekend geschetst.

19Op den terugkeer gebood de heer Kegge stil te houden voor de deur van 20 een bloemist.

21De zwarte palfrenier steeg af en schelde aan. ‘Is je heer thuis, meisje?’

22‘Meheer is na Amsterdam.’

23‘Maar mogelijk is Barend te werk,’ riep Kegge uit het rijtuig.

24‘Ja, meheer! Barend is er. As meheer er maar uit wil komen?’

25Wij stegen af, en men bracht ons naar het zoogenaamde bollenhuis, 26 waar Barend zich weldra te midden der bolrekken, houten zaadbakjes en 27 sterke geuren aan ons oog vertoonde.

28Barend was de oudste, de meester-knecht van den bloemist, bij wien wij 29 waren afgestapt; een man van een, in zijn stand, allereerwaardigst voorko-30men. Hij was niet groot van gestalte, en droeg een blauw wambuis van een 31 antiek snit, een korte broek, grijze kousen en groote vierkante zilveren kuit-32en schoengespen; zijn wit voorschoot was in de schuinte opgenomen. Niet-33tegenstaande zijn hooge jaren, droeg hij het hoofd nog vrij rechtop. Dunne 34 witte haren hingen hem langs de slapen; maar zijn gerimpeld gelaat had nog 35 dat gezonde rood, dat denzulken, die hun leven in de open lucht hebben 36 doorgebracht, tot in hun grijsheid bijblijft. Zijne blauwe oogen hadden een 37 vriendelijken glans, en zijn mond was juist genoeg ingevallen om een aller-38innemendste plooi te hebben aangenomen.

39‘Barend!’ zei de heer Kegge, ‘ik moet een mooien ruiker bloemen heb-40ben.’

41‘Dat zal slecht gaan, meheer Kegge,’ antwoordde Barend.

[p. 181]

aant.1‘Voor geld en goede woorden, Barend!’ hernam Kegge; ‘'t kan me niet 2 schelen wat het kost; je weet wel dat ik op geen kleintje zie.’

3‘Allemaal goed,’ zei Barend; ‘maar je kent de natuur niet dwingen. Dat 4 's een anjer, verstaje! 't Is nou de allerschraalste tijd. Weetje wel dat we al 5 mooi naar korsemis opschieten? Kom zoo vroeg in 't voorjaar as je wil, 6 meheer Kegge, en ik zel je een handvol gebroeid goed geven, dat je hart er 7 van verdaagt; maar nou is alles gedaan. Der mag nog een enkele kresante-8mum wezen, - maar 't is over, meheer Kegge; je kent, zeg ik nog reis, de 9 natuur van een ding niet dwingen. Je kent het wel dwingen; maar dwingen 10 en dwingen is twee; en as je een ding dwingt, dat nou eigenlijk niet gedwon-11gen kan worden, wat heb je dan? Dan plaag je je zelve.’

12De heer Kegge brak dezen niet zeer duidelijken woordenstroom van 13 den ouden Barend af, met te zeggen: ‘Nu nu, Barendje, als je al de kassen 14 reis doorloopt!’

15‘Hoor reis!’ zei Barend, ‘je mot maar denken dat ik je net zoo graag de 16 heele pot geef, as dat ik er de hartsteng uit mot snijen, want daar zit al de 17 kracht in, weetje. 'En blom, meheer Kegge; dat zeg ik altijd; 'en blom is net 18 as 'en mensch. As ik jou je hart uit je gemoed snij, dan kan je ommers ook 19 niet in 't leven blijven? Daar zit 'et 'em as 't ware maar in... Wat zeg jij, 20 meheer?’ voegde hij er bij, zich tot mij richtende.

21De heer Kegge wachtte volstrekt niet af wat ik in dezen zeggen zoude. 22 ‘Maar voor een goud vijfje zal ik toch nog wel wat kunnen hebben?’ zei hij 23 ongeduldig.

24‘Hoor,’ zei Barend, zijn snoeimes uit den zak halende en openslaande, 25 ‘as ze der binnen, dan hoefje geen goud vijfje te beste