terug  begin  verderprepost
[p. 125]

Aantekeningen bij de Camera Obscura

De aantekeningen worden telkens voorafgegaan door het pagina- en regelnummer van de Camera Obscura in deel 1 en het woord of de passage waarop de uitleg betrekking heeft. Van langere passages worden alleen de eerste en laatste woorden weergegeven, het tussenliggende is vervangen door een beletselteken. Wanneer het beletselteken tussen vierkante haken staat betekent dit dat de uitleg alleen betrekking heeft op de weergegeven woorden.

pagina regel
5   De schaduwen... edito: dit citaat is in de eenentwintigste druk van de Camera Obscura afgedrukt tegenover de titelpagina.
  2 Camera Obscura: in een camera obscura (donkere kamer), ook wel chambre obscure genoemd, werd een door een lens opgevangen beeld van de buitenwereld op een scherm geprojecteerd. In een camera van kamerformaat (een populaire kermisattractie) konden de toeschouwers binnenin plaatsnemen. Draagbare camera's in de vorm van een doos waren vooral bij kunstschilders in gebruik; het beeld viel hier op een matglasplaat in een van de zijden en kon overgetrokken en desgewenst later bijgewerkt en ingekleurd worden. (Salverda 1989; nvj, p. 353)
  5 groote Tentoonstellingen: tentoonstellingen van schilderijen. Sinds 1808 werden in Nederland, vooral in de grote steden, verkooptentoonstellingen van schilderijen van levende meesters gehouden (Stolwijk 1995, p. 193 e.v.).
  9 bepaald: specifiek.
  9 tronie: portret (zonder negatieve bijklank).
  12 Anonymus... edito: (Latijn) een ongenoemd schrijver in een niet uitgegeven boek (nvj, p. 348).
     
6   Nec... ludum: (Latijn) het is geen schande gespeeld (geschertst) te hebben, maar wel om niet (tijdig) te zijn opgehouden met spelen. Citaat uit de Epistulae (i, iv, 36) van de Romeinse dichter Horatius (65-8 v.Chr.). Dit citaat is in de eenentwintigste druk van de Camera Obscura afgedrukt op de titelpagina.

[p. 126]

Voorbericht, zesde druk, 1864

pagina regel
11   Zie voor de in dit Voorbericht genoemde voorbeelden van onverstaanbaar geworden begrippen en formuleringen de aantekeningen bij de teksten waarin deze voorkomen.
  8 onder zijn eigen naam: voor de publicatie van de Camera Obscura had Beets onder zijn eigen naam al enkele versvertellingen laten verschijnen, waaronder Guy de Vlaming en vertalingen naar de Engelse dichter George Noel Gordon, lord Byron (1788-1824).
  8 niet... opgenomen: zie Inleiding, p. 18-19.
  11 tweeden druk... derde druk: zie voor deze en volgende drukken Inleiding, p. 59 e.v.
  34 maar niet minder... te doen worden: de hier door Beets genoemde onduidelijkheden verklaarde hij in Hildebrand, Na vijftig jaar. Noodige en overbodige ophelderingen van de Camera Obscura (Haarlem 1887, 2e druk, Haarlem 1888), dat in deze editie is opgenomen.
     
12 1 gedenkteeken: op de Dam in Amsterdam was op 27 augustus 1856 een monument onthuld ter herinnering aan de Belgische opstand van 1830-1831 die de nationale gevoelens hoog deed oplaaien. Het monument was ontworpen door M.H. Tetar van Elven M.Gz. (Wijnman 1974, 90-91).
  4 nationale kleederdracht: na de Belgische opstand werd in 1831 een poging gedaan een nationale dracht in te voeren (zie ook nvj, p. 282).
  7 nationale modeblad: de Euphrosyne, tijdschrift voor Hollandsche kleeding werd in 1832 te Amsterdam uitgegeven. De nationale tunica, een sterk van de heersende mode afwijkend kledingstuk, werd in het eerste nummer geïntroduceerd. (Keyser 1979, p. 158)
  34 Nederlandsch Woordenboek: vanaf 1850 was men bezig met de voorbereiding van het groot Woordenboek der Nederlandsche Taal. De eerste aflevering verscheen in 1864. In deel 2 (1898) staat het woord ‘beestenspel’ omschreven als: ‘Kijkspel waar wilde beesten vertoond worden; menagerie’ met een citaat uit de Camera Obscura (‘Nee, ik wil niet naar 't beestenspel! Ik houd er niet van.’).
  35 Sedert... uitgediend: in zijn opstel ‘Beestenspel’ (zie dl. 1, p. 29-34) uitte Beets veel kritiek op de menagerieën. Mede wegens de

[p. 127]

12   publieke belangstelling en ter bevordering van ‘de kennis der natuurlijke historie’ werd in 1838 de diergaarde Artis geopend. In de eerste jaren kocht Artis bekende menagerieën op, waaronder die van Martin & Co. De laatste had Beets op het oog toen hij ‘Beestenspel’ schreef. (Witkamp 1869, p. 112-125)
  39 Het... gewicht: na de verschijning van Beets' opstel ‘Vooruitgang’ in De Gids publiceerde de Leidse hoogleraar Jacob Geel (1789-1862) in de ‘Voorrede’ van zijn Onderzoek en phantasie (1838) daar een negatieve kritiek op, waarin hij het stuk onder andere ‘hybridisch’ noemt, (nvj, p. 343 en 370, zie ook de inleidende aantekening bij ‘Vooruitgang’; over Beets' gevoelens ten aanzien van Geel zie Van den Berg 1990b)
     
13 7 vond... pen: in de noot onderaan p. 13 zegt Beets dat het hier om Thorbecke ging. Johan Rudolf Thorbecke (1798-1872), hoogleraar te Leiden van 1831-1850, was in 1864 minister van Binnenlandse Zaken en leider van het kabinet. Vanaf de achtste druk (1872) is het slot van de noot veranderd in: ‘Men meende destijds en ook sedert heel zeker te weten dat de steller niemand minder was dan Thorbecke.’ (Zie ook Dyserinck 1882, p. 17; Van den Berg 1985; nvj, p. 392)
  23 Behalve... licht: zie Bijlage 2, p. 68 en ook Dyserinck 1882, p. 31-46.
  35 geestigste: geestrijkste.
     
14 4 ‘leerwijze van Prinsen’: Pieter Johannes Prinsen (1777-1854), kweekschooldirecteur te Haarlem, was de auteur van de Leerwijze om kinderen te leeren lezen (1817), die na verloop van tijd vrijwel overal in Nederland werd ingevoerd (zie ook nvj, p. 301; Vis 1993).
  5 ‘la doctrine des princes’: de leerwijze van de prinsen.
  9 ‘Le nom... excellence’: de letterlijke Nederlandse vertaling luidt: ‘De naam van de baker is een duidelijk bewijs - dat men geen toegang tot de sterren nodig heeft om de naam van een vrouwelijk beroep bij uitstek te doen kennen.’ Het begin van ‘De baker’ luidt: ‘De naam van Baker is een zonneklaar bewijs dat er (schoon 't volk baakster zegt) juist geen uitgang op ster vereischt wordt, om de titularis van een bij uitnemendheid vrouwelijk ambt te kennen te geven.’ (Zie dl. 1, p. 383)
  12 gardes: bakers; de eerste betekenis van het woord is bewakers.

[p. 128]

Bijvoegsel, veertiende druk; 1883

pagina regel
14 25 in zijn geheel afgedrukt: in de tussenliggende drukken bewerkte Beets telkens het ‘Voorbericht’ van de zesde druk, onder andere door het hele stuk over de drukfouten en de vertalingen te schrappen. Dyserinck (1882, p. 42-43) betreurde dat schrappen.
  29 belangstelling in den Vreemde: zie Bijlage 2, p. 68.
     
15 22 Johannes Dyserinck: Johannes Dyserinck (1835-1912) was predikant en een autoriteit op het gebied van de Beets-studie.
  28 keurig: mooie.
  n1 Zie... 40: Beets verwijst naar Dyserinck (1882, p. 40) waarin deze de Duitser Karl Braun kapittelt. Braun had in het Duitse weekblad Die Gartenlaube (1870, nr. 9) een ‘oorspronkelijk’ stuk geschreven, waarbij hij de beschrijving van een gezellige Nederlandse tuinkamer letterlijk uit ‘De familie Stastok’ vertaald had.
  n2 Volapük: kunstmatige wereldtaal.
  n2 verbeden: geprobeerd af te wenden.
     
16 10 uitlatingen: weglatingen.
  20 met zorg herziene’: zie Inleiding, p. 60-62.
  26 onduitsche: onnederlandse.

Jongens

pagina regel
17 16 Filomele: dichterlijke naam voor de nachtegaal.
  17 kastie: balspel (zie ook nvj, p. 370).
  27 kapellen: vlinders.
  32 Bröder [...] Weyting: Christian Gottlieb Bröder (1745-1814) en Henricus Weyting (1767-1834), auteurs van Latijnse schoolboeken (zie ook nvj, p. 302, 396).
  35 Het oorspronkelijke... Hölty: Ludwig Heinrich Christoph Hölty (1748-1776), Duits dichter. Het betreffende gedichtje ‘Die Knabenzeit’ is te vinden op p. 6 en 7 van zijn Gedichte (Leipzig z.j.), en (enigszins afwijkend) in nvj, p. 366.
  36 jeugdige dichters... onhollandsche vertalingen: in de Nederlandsche Muzen-almanak voor 1839 komt voor ‘De oude landman’, vertaald door P.J.V. Dusseau (1807-1853). In de Almanak voor

[p. 129]

17   het Schoone en Goede voor 1839 ‘Elegie op een landmeisje’ van G. ten Bruggencate Hz. (1803-1853) en ‘Aan mijne tabakspijp’ van B.Ph. de Kanter (1805-1865). Hölty's gedichten werden ook op muziek gezet en in 't Nederlands vertaald. (De Haan 1953, p. 305-313)
  38 Neurenburger legprent: legpuzzel, vervaardigd in de speelgoedstad Neurenberg.
     
18 2 Potgieter... ‘het Noorden’: E.J. Potgieter (1808-1875) had in 1836 het eerste deel van zijn Scandinavische reisimpressies Het Noorden gepubliceerd. Het tweede deel zou in 1840 volgen. (nvj, p. 381)
  3 Wap... ‘Reis naar Rome’: Jan-J.F. Wap (1806-1880), Mijne reis naar Rome, in het voorjaar van 1837. Eerste deel 1838, tweede deel 1839. (nvj, p. 394)
  6 ondanks... blauwgekielde: in 1830 had België, dat sinds 1815 met Nederland was verenigd, de onafhankelijkheid uitgeroepen. In deze opstand (die pas in 1839 door een formele vredesregeling zou worden beëindigd) droegen de Belgische vrijkorpsen de Brabantse blauwe kiel als uniform. (nvj, p. 289-290)
  7 spes patriae: (Latijn) hoop des vaderlands, d.w.z. het opgroeiende geslacht (nvj, p. 390).
  15 u ed.: u edele (deftige aanspreekvorm).
  21 ootje-knikkeren: knikkerspel, waarbij een knikker die in het kringetje (ootje) ligt het mikpunt is (zie ook nvj, p. 377).
  22 schoffel en een klap: technieken in het knikkerspel (zie ook nvj, p. 377-378).
  23 nagelt [...] nagelaar: nagelen is een onhandige manier om een knikker weg te schieten (zie ook nvj, p. 378).
  35 Gekrulde haren, gekrulde zinnen: zegswijze waarvan de strekking is dat gekruld haar gepaard gaat met zinnelijkheid.
  39 schotschbont: bontgeruit.
  40 buis: kort jasje met twee rijen knopen.
  40 gaat vast: mist nooit.
     
19 2 dolle kastanje: wilde kastanje.
  4 kokinjes: suikerballetjes.
  5 grifje: griffeltje.
  5 hazesprong: hazenbotje, destijds wel gebruikt als pijpenwroeter of sigarenpijpje.

[p. 130]

19 12 doubletten: dubbele exemplaren.
  14 bokken: namelijk als trekdieren voor bokkenwagens.
  16 leerwijze van Prinsen: Pieter Johannes Prinsen (1777-1854), kweekschooldirecteur te Haarlem, was de auteur van de Leerwijze om kinderen te leeren lezen (1817), die na verloop van tijd vrijwel overal in Nederland werd ingevoerd (zie ook nvj, p. 301).
  17 plakkers: koolmezen.
  17 paapjes: zangvogels.
  17 examen voor den eersten rang: de Verordening op het afnemen en afleggen der Examina van degenen, welke lager Onderwijs begeren te geven uit 1806 kende vier rangen. De eerste was de zwaarste. Beets noemt slechts drie rangen. (Zie ook nvj, p. 383)
  20 lichtelijk: gemakkelijk, snel.
  24 hoe zij varen: hoe het met hen gaat.
  28 partij: tegenpartij.
  29 overgeslagen: omgeslagen (d.w.z. niet staand).
  30 zijnen vader: tegenover zijn vader.
     
20 7 krijgen: pakken.
  13 wereldzin: materialisme.
  23 kinderen... in de boosheid: ontleend aan het bijbelboek 1 Corinthiërs 14:20; ‘Broeders wordt geene kinderen in het verstand; maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in het verstand volwassen.’

Kinderrampen

pagina regel
21 5 versje van Hölty: zie de aantekening bij p. 17 r. 35.
  25 Hollandsche school: school voor lager onderwijs. Veelal bestond dit lager onderwijs slechts uit leesonderwijs; voor schrijven en rekenen moest extra schoolgeld betaald worden.
  29 de Jacobijnenstraat te H.: de school in de Jacobijnenstraat te Haarlem stond onder leiding van meester Pieter Johannes Prinsen (1777-1854) (zie de aantekening bij p. 14 r. 4 en nvj, p. 301).
  35 op het bord stond: meester Prinsen deelde nauwelijks lijfstraffen meer uit, maar schreef de naam van wie over de schreef was gegaan op het bord (zie ook nvj, p. 300-301).
  36 puisje vangen: belletje trekken (nvj, p. 382).

[p. 131]

21 37 denkbeeld... extra kaartjes: voor vlijt en goed gedrag werden dagelijks kaartjes uitgereikt. Bij bijzonder goed gedrag en vlijt kregen de leerlingen een kaartje extra. (Zie ook nvj, p. 300)
     
22 3 het volop: de overvloed.
  10 verluchtingen: ontboezemingen.
  11 heb [...] aangezien: heb ervan verdacht.
  24 de meester... van het vrageboek: sinds de jeugd van Beets was het onderwijs in organisatie en didactiek ingrijpend gemoderniseerd (zie ook nvj, p. 298-301).
  25 kamerjapon: kamerjas.
  25 plak: korte stok met een schijf aan het uiteinde waarmee een schoolmeester de kinderen op de vlakke hand kon slaan (nvj, p. 298).
  27 wij... hadden: Acket vermeldt in zijn toelichting de anekdote van een jongen aan wie gevraagd werd wie de wereld geschapen had. Hij had niet opgelet, verstond de vraag niet en antwoordde, denkend dat over zijn kattenkwaad werd gesproken: ‘Ik, maar ik zal 't nooit meer doen.’ (Acket en Schröder 1947, p. 6)
  30 vrageboek: catechismus, overzicht van de geloofsleer in de vorm van vragen en antwoorden. De eerste vraag en antwoord luiden: Van waar hebt gij / en alles / wat er is / uwen oorsprong? Ik heb mijnen oorsprong van God, die al wat er is / uit niet geschapen heeft (Bijbel, Genesis 1). (Vraagboekje 1834, p. 1)
  31 Haarlemmer Courant: de Oprechte Haarlemsche Courant, opgericht in 1656, las men in de negentiende eeuw vooral om de familieberichten. De krant bevatte verder berichten uit binnenen buitenland, berichten over verkopingen en andere advertenties. In de negentiende eeuw werden kranten ook gebruikt als materiaal bij het leesonderwijs.
  35 bestekamer: wc-hokje.
  36 ondermeesters: lagere leerkrachten.
  40 17 provinciën: voor de afsplitsing van België in 1830 bestond het Koninkrijk der Nederlanden uit 17 provincies: Groningen, Friesland, Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Holland, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Henegouwen, Antwerpen, Namen, Luik en Zuid-Brabant.
  41 Tafel van werkzaamheden: lesrooster.

[p. 132]

23 4 hoeveel koeien... Haarlem heeft: dergelijke vragen werden gesteld in aardrijkskundeboekjes als dat van Beets' eigen onderwijzer Pieter Johannes Prinsen, Aardrijkskundige beschrijving van de stad Haarlem voor kinderen (1817).
  5 drukkerijen van Enschedé: de befaamde drukkerij van het drukkersgeslacht Enschedé was sinds het begin van de achttiende eeuw te Haarlem gevestigd.
  5 Kostersbeelden: op de Grote Markt te Haarlem stond sinds 1801 een standbeeld van Laurens Janszoon Koster (1405-1484), aan wie de uitvinding van de boekdrukkunst werd toegeschreven.
  6 instituten voor schoolonderwijzers: de in 1816 te Haarlem opgerichte Rijks Kweekschool voor Schoolonderwijzer, tot 1860 de enige kweekschool in Nederland.
  8 opzetten: beginnen.
  15 lasten... maten: inhoudsmaten voor droge waren.
  30 armelui's kinderen die geen opvoeding krijgen: de leerplicht was ten tijde van het verschijnen van de Camera Obscura nog niet ingevoerd.
  31 ‘duitjen òp’: knikkerspel.
  34 Wat vreugd, het schooluur heeft geslagen: naar de mening van Beets de aanvang van een schoolgezang uit de bundel Zangoefeningen voor de lagere scholen (Amsterdam, 1819) van Dirk van Dapperen (1791-1822). Het lied komt echter in de nog bestaande exemplaren van deze bundel niet voor. (nvj, p. 395)
  37 braven jongen: Hendrik uit de in 1810 verschenen en in de negentiende eeuw talloze keren herdrukte De brave Hendrik van de onderwijzer Nicolaas Anslijn Nz. (1777-1838) (nvj, p. 352).
  n1 de ‘24 Artikelen’: overeenkomst die de grote Europese mogendheden in 1831 aan België en Nederland hadden opgelegd om de splitsing van het voormalige Koninkrijk der Nederlanden te regelen. Willem i aanvaardde deze overeenkomst pas in 1838; de vrede werd in 1839 gesloten.
     
24 2 levensschets... man: in het begin van de negentiende eeuw verschenen er populaire boekjes zoals de tweedelige Galerij van beroemde mannen en vrouwen in Nederland, door eene vriendin der jeugd (Amsterdam, 1821) en het driedelig werk van N. Anslijn Nz. Nederlandsche voorbeelden van deugd. Een leesboek voor de schooljeugd (Leyden, 1831-1837), waarin roem-

[p. 133]

24   rijke of deugdzame personen beschreven werden ter lering van de jeugd.
  7 vader Eelhart of Braafmoed: clichénamen.
  10 aandikken: dikker en duidelijker maken van letters.
  18 linksche pen: pen uit de linkervleugel van een gans. Een veer van de linkervlerk ligt goed in de hand van een rechtshandige schrijver (Jackson 1981, p. 84). Beets stelt echter dat de schachten, pennen afkomstig van de rechter wiek, beter in de hand lagen dan de boutjes, pennen van de linker wiek (zie ook nvj, p. 372).
  21 vermaken: opnieuw aanscherpen van een ganzenpen.
  27 ballen: snoepgoed.
  29 van... corpus: corpus delicti: voorwerp waarmee het misdrijf gepleegd is (nvj, p. 355).
  32 tantaliseeren: lekker maken.
  39 Herodes: koning van Judea ten tijde van de geboorte van Christus. Hij gaf het bevel tot de kindermoord van Bethlehem.
     
25 5 nieuwste verordeningen: de tot 1857 van kracht zijnde Schoolwet van 1806 stelde vrij algemene eisen met betrekking tot de bouw en de inrichting van de scholen waarbij de nadruk lag op de gezondheid van de leerlingen. De eisen werden veelal uitgewerkt in provinciale en plaatselijke verordeningen.
  11 Mijn leeren is spelen: uit de beginregel van ‘Het vroolijk leeren’ in de lang populair gebleven bundel Kleine gedichten voor kinderen (1778-1782) van Hieronymus van Alphen (1746-1803).
  20 bloohartigste: meest bedeesde.
  25 in de kleine evenredigheden: op de kleine schaal.
  28 Pestalozzi: Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827), Zwitsers pedagoog (nvj, p. 380).
  29 Prinsen: P.J. Prinsen was een van degenen die Pestalozzi's ideeën in Nederland hebben verbreid en heeft ze ook zelf in praktijk gebracht (nvj, p. 300-301).
  31 aangehaald: opgescheept.
  35 ingeënt: voorzien van een inenting tegen de koepokken. Op grond van plaatselijke verordeningen was vaak al sinds het begin van de negentiende eeuw een ‘pokkenbriefje’ verplicht voor schoolgaande kinderen. In 1872 werd deze inenting wettelijk verplicht gesteld voor leerlingen en leerkrachten van openbare en bijzondere scholen. (Verdoorn 1981, p. 185; Van Petersen 1984, p. 52-53)

[p. 134]

25 38 vóór hun achtste: gebruikelijk was de kinderen met vijf jaar naar school te sturen.
  38 de veranderde uitspraak... medeklinkers: een van de in Prinsens Leerwijze voorgestelde vernieuwingen betrof ‘de natuurlijke klank der letters’. De leerlingen dienden de letters te spellen als be, de, fe in plaats van bé, dé, effe enz. (nvj, p. 374).
  40 ‘Nu... Piet: ‘Nu kan ik al lezen, zei kleine Piet’ was de eerste zin van het Nieuw Spel- of Leesboekje, dienende, om de kinderen bij de eerste beginselen, ook in het lezen te oefenen: ten gebruike der scholen, een zeer veel gebruikt leesboekje door N. Anslijn Nz. (zie ook nvj, p. 376).
  41 in massa: alles bijeengenomen.
     
26 1 ‘met de spa’ te werken: het woord ‘spa’ was een van de eerste voorbeelden in de spelmethode Prinsen (nvj, p. 301).
  3 baardelooze: nog niet droog achter de oren; recensentencliché voor jonge, niet gewaardeerde auteurs (zie ook nvj, p. 365).
  9 la perte des illusions: het verlies van illusies.
  10 la perte des dents: het verlies van de tanden.
  24 reis: eens.
  27 nestig: wrevelig.
  29 tandmeester: tandarts.
  30 wiggelen: wrikken.
  39 ‘op springen staat’: op het punt staat bankroet te gaan.
     
27 7 schoenen met lange linten: schoenen met kruiselings over wreef en enkel gaande linten, die de rijglaarsjes opvolgden.
  12 circumferentie: omvang.
  19 de juffrouw: de kinderjuffrouw.
     
28 1 tot den prijs van iets anders: in de plaats van een meer volwassen versnapering.
  12 buisje: kort jasje met twee rijen knopen.
  12 kraagjas: jas met twee kragen over elkaar.
  16 sophisterijen: drogredeneringen.

Een beestenspel

pagina regel
29 1 Beestenspel: een soort rondreizende dierentuin annex circus.

[p. 135]

29   Beets schreef dit stuk voor de Leidse studentenalmanak van 1837 na een bezoek aan de menagerie van Martin & Co. (Keyser 1976, p. 150-151).
  5 Les peines... Art. 8: de onterende straffen zijn: 1. De schandpaal; 2. De verbanning; 3. De ontzetting uit de burgerrechten. Wetboek van Strafrecht. Boek i, Art. 8. De Franse Code Pénal werd in Nederland tijdens de inlijving bij Frankrijk in 1811 ingevoerd en bleef na de bevrijding in gewijzigde vorm gelden tot 1886.
  24 zijn woordspeling op de beren: beer betekende in de negentiende eeuw ook schuldeiser of onbetaalde rekening.
  28 natuurlijke geschiedenis: biologie.
  32 plaat i. van iederen prentenbijbel: afbeelding van het paradijs, waar alle dieren met elkaar en de mens in vrede leven.
  37 lijsterbogen: strikken om lijsters te vangen.
  37 in 't verschiet: in de verte.
     
30 4 bedlam: soortnaam voor een verpleeghuis van ernstig geesteszieken, afgeleid van de eigennaam Bedlam, het oudste krankzinnigengesticht in Londen.
  10 Barbarije: Noord-Afrika.
  11 kwade seizoen: ongunstige seizoen, de herfst.
  38 behangsel: gordijn.
  41 écrin: juwelenkistje.
     
31 3 zes voet: ca. 1,80 meter.
  7 ‘Il est... des cannes’: het is verboden de dieren aan te raken, vooral met wandelstokken.
  13 ‘Laat hem komen, als hij kan’: uit het gedicht ‘Klaasje en Pietje’ in de Kleine gedichten voor kinderen (1778-1782) van Hieronymus van Alphen (1746-1803) (zie ook nvj, p. 371):
    Klaasje:
Pietje, zoo gij niet wilt deugen
Dan verschijnt de zwarte man.
Pietje:
Klaasje foei, dat is een leugen!
Laat hem komen, als hij kan.
Die aan zulk een man geloofd [sic],
Is van zijn verstand beroofd.

[p. 136]

31 27 een haspel in een flesch: een curiosum.
  29 foudre de guerre: houwdegen.
  29 schilderhuis: schildwachthuisje.
  29 Simson... haar: de Israëlitische leider Simson verloor zijn geweldige kracht toen zijn haar werd afgesneden (Bijbel, Richteren 16).
  33 staatsiegordijnen: pronkgordijnen.
  34 schoorsteenvallen: stroken van stof langs de rand van de schoorsteen.
     
32 2 petit-maître: fatje.
  10 Dans... bêtes: in de natuur zijn ze veel minder beest (stompzinnig). De Franse woordspeling (bête heeft zowel de betekenis van beest als van onnozel, dom) gaat in het Nederlands verloren.
  20 pectus quod disertum facit: (Latijn) het is het hart [als zetel van het gevoel] dat welsprekend maakt (bekende woorden van de Romeinse schrijver Marcus Fabius Quintilianus (ca. 35-96), Institutio oratoria x, vii, 15; nvj, p. 380).
  24 behulpelijk: armzalig.
  27 verduwen: verteren.
  32 geabonneerden: mensen die voor de duur van de hele kermis een toegangskaartje (abonnement) kochten.
  36 gemeen: plat.
  39 Sire... chien!: Sire, dat is niet fatsoenlijk: op de stervende leeuw laat u uw hond los! Woorden uit de eerste akte, vijfde scène van Le roi s'amuse (1832) van de Franse auteur Victor Hugo (1802-1885) (nvj, p. 389).
     
33 7 pelikaan: zinnebeeld van de zelfopofferende ouderliefde (zie ook nvj, p. 38o).
  8 maakt... onderkaak: bekende aardigheid in die tijd: de uitlegger stak dan zijn hoofd onder tegen de krop van de pelikaan.
  10 loopt [...] om: loopt rond.
  14 Leidsch museum: Rijksmuseum van Natuurlijke Historie, in 1820 geopend aan het Rapenburg.
  18 een knie te buigen: te rusten.
  26 εἴδωλα: (Grieks) schimmen, schaduwen.
     
34 1 elefanten: olifanten werden door o.a. de Perzen gebruikt op het slagveld.

[p. 137]

34 2 onagers: wilde ezels, die te temmen zouden zijn door hen in de oren te bijten (zie ook nvj, p. 377).
  2 jaagt uw lood door het voorhoofd der tijgers: door Hildebrand een slechte raad genoemd: de kostbare huid wordt op deze manier nodeloos beschadigd (zie ook nvj, p. 369).
  3 schabrak: zadelkleed.
  7 kaak: schandpaal.
  7 draaikooi: kleine ijzeren kooi die snel kon draaien, waarin gestraften werden geplaatst.
  9 coliséum: colosseum: amfitheater in het oude Rome waar mensen met wilde dieren streden.
  13 teringdood: dood als gevolg van een slopende ziekte.

Een onaangenaam mensch in den Haarlemmerhout

pagina regel
35   Dit verhaal is gesitueerd in Haarlem. Beets geeft in Na vijftig jaar op p. 323-327 enige beschouwingen over deze stad en haar omgeving.
  2 Haarlemmerhout: groot park, gelegen tussen Haarlem en Heemstede; geliefde wandelplaats voor Haarlemmers en Amsterdammers (nvj, p. 367).
  10 de West: Nederlands West-Indië. Het daar fortuin zoeken stond in een kwade reuk: vergelijk ‘De familie Kegge’, deel 1, p. 176 en 232.
  10 hem wel brieven meegegeven: er bestond nog geen periodieke postbesteldienst op en in Nederlands West-Indië. Daarom gaf men vaak brieven mee aan vertrouwden.
  15 ‘Lezers’: personen die een lezing houden.
  15 Felix: Felix Meritis, Latijn voor Gelukkig door Verdiensten, was de naam van een in 1777 te Amsterdam opgerichte maatschappij ter beoefening van kunsten en wetenschappen.
  15 rijtuig houden: alleen de rijken konden zich de weelde van een eigen rijtuig met koetsier veroorloven.
  17 Nurks: gepersonifieerd en gesubstantiveerd adjectief: hatelijk, onaangenaam.
  18 per diligence... aan: het was sedert de invoering van de postwet verboden brieven te verzenden buiten de vaak trage en dure Ko-

[p. 138]

35   ninklijke Posterijen om. Teneinde deze bepaling te ontduiken bond men de te bestellen brief aan een stuk hout, blad lood of steen, waardoor hij als pakje wel door de snellere en goedkopere diligence of trekschuit mocht worden vervoerd. (Ten Brink 1969, p. 33, 36-37)
  22 z ed.: Zijne Edelheid (plechtstatig).
  29 fatsoen: model.
  29 nationalen [hoed]: na de Belgische opstand werd in 1831 een poging gedaan een nationale dracht in te voeren, waarvan de naar zeventiende-eeuwse voorbeelden gemodelleerde nationale hoed een onderdeel uitmaakte (Keyser 1979, p. 160-161; nvj, p.282).
  35 weergaschen: deksels.
  39 tamelijk: redelijk.
     
36 26 ‘Ingenuas didicisse fideliter artes’ etc.: (Latijn) naar de Romeinse dichter Ovidius (43 v.Chr.-17 n.Chr.). Epistolae ex Ponto ii, ix, 47-48: ‘[adde quod] ingenuas didicisse fideliter artes emollit mores nec sinit esse feros’. In de eigen vertaling van Beets: ‘Zich trouw aan wetenschap en schoone lettren wijden / Verzacht de zeden en doet al wat ruw is mijden.’ (nvj, p. 368)
  36 u [...] beloofdet: u verwachtte.
  39 Enkhuizer Almanak: deze, nog altijd uitkomende, populaire almanak bevatte behalve de kalendergegevens ook altijd een serie anekdoten.
     
37 15 Zomerzorg: een toentertijd zeer bekende en drukbezochte uitspanning in het Bloemendaalse bos (nvj, p. 327).
  15 Velzerend: een uit de zeventiende eeuw daterend buiten, gelegen bij de ruïne van Bredero in de nabijheid van Velzen. Destijds was het een vermaard hotel (nvj, p. 327).
  16 de Breezaap: gedeeltelijk met hout begroeide duinvallei tussen Velzen en Beverwijk, rijk aan zeldzame inheemse planten (nvj, p. 327).
  26 Boerhave: Herman Boerhaave (1668-1738), wereldberoemd Nederlands hoogleraar in de geneeskunde te Leiden.
  28 Aristolochia Clematitis: pijpbloem (zie ook nvj, p. 327-328).
  29 conchiliën: schaaldieren.
  31 Blauwe Trappen: duinhelling, waarop blauwgeverfde houten

[p. 139]

37   treden waren gelegd om het beklimmen gemakkelijker te maken (nvj, p. 327-328).
  37 onbepaald: grenzeloos.
     
38 2 buitensociëteit: gebouw van een sociëteit buiten de stad.
  3 ‘vermoakelijkheden’: attracties.
  3 den Berenbijt: bekende Amsterdamse herberg, gelegen aan de Amstel buiten de Utrechtsepoort, waarvandaan de trekschuiten richting Utrecht vertrokken (nvj, p. 329).
  4 De Munt: bekende Amsterdamse sociëteit, die in het vroegere muntgebouw vergaderde en de naam had de deftigste te zijn (nvj, p. 330).
  4 Doctrina: Doctrina et Amicitia (Latijn voor Wetenschap en Vriendschap), Amsterdamse sociëteit (nvj, p. 357).
  11 den Haarlemmer: de Oprechte Haarlemsche Courant, opgericht in 1656, werd in de negentiende eeuw vooral gelezen om de familieberichten.
  13 pot maakte... spelen: het potspel, een biljartspel, kon door meer spelers tegelijk worden gespeeld. Potspelers hadden daarom voorrang op gewone biljarters, de carambolespelers. (Simons 1906-7, p. 623; zie ook ‘De familie Stastok’, dl. 1, p. 60 e.v.)
  25 Amsterdamsche poort: oostelijke stadspoort (zie ook nvj, p. 323).
  31 halsboord: punt van een staande boord.
  34 strop: hoge, nauw om de hals sluitende das (zie ook nvj, p. 287).
  35 ronde boorden: boorden zonder punten.
  37 waren er mooi mee: konden het ermee doen.
  40 portecigares: sigarenkoker.
  41 strooien: van stro vervaardigd, dus inferieur.
     
39 17 om een knijpbriefjen af te vaardigen: letterlijk ‘een dichtgevouwen briefje wegbrengen’. De uitdrukking betekende ‘naar het toilet gaan’, maar volgens een zoon van Beets zou zijn vader deze overdrachtelijke betekenis niet bedoeld hebben (Beets 1924, p. 4).
  20 schoenenjood: joodse straathandelaar in schoenen.
  38 veranderde hij van batterij: veranderde hij van tactiek.
  41 een bus te krijgen: aan fondspatiënten te komen. Een bus of ziekenbus was een vereniging van personen die contributie betaalden om in geval van ziekte gratis behandeld te kunnen worden.

[p. 140]

39   Veelal betaalde een arts voor zijn aanstelling een bepaald bedrag aan de directeur van zo'n fonds. Beginnende artsen zonder particuliere praktijk waren voor hun inkomen vaak afhankelijk van fondsinkomsten. (Verdoorn 1981, p. 160-161)
     
40 1 medicinae candidatum: (Latijn) gevorderde student in de medicijnen.
  9 speciës van het genus: soorten van het geslacht. Latijnse termen, door biologen gebruikt bij de indeling van het dieren- en plantenrijk.
  16 de schoone vergelijking van Homerus: regels uit de Ilias (boek vi, 146-149) van de Griekse dichter Homerus (achtste eeuw v. Chr.). In de vertaling van Willem Bilderdijk (1756-1831):
    Het menschelijk geslacht is even als de bladeren.
De stormwind zweept hen af, een nieuwe teelt ontspruit;
Zoo zijn wy: de een verwelkt, en de andre bot weêr uit.
(Bilderdijk, Dichtwerken ii, Haarlem 1856, p. 440)
  19 Europa der vijfde eeuw: Europa gedurende de zogenaamde Grote Volksverhuizing.
  22 het Plein: plein tussen de Groote Houtbrug en de Dreef (nvj, p. 324).
  22 den Koekamp: afgerasterd weiland bij het Paviljoen (zie ook nvj, p. 324).
  23 den Haarlemmerdijk: volksbuurt in Amsterdam, uitvalsweg naar Haarlem.
  32 zak: soort tas.
  33 kinderluur: luier.
  35 de Glip: buurtschap onder Heemstede.
  36 scharren: goedkope kleine platvis, gewoonlijk gedroogd gegeten.
  36 de Groene Valk: naam van een herberg aan het Plein, een van de vele in de buurt van de Hout. In het exemplaar van Na vijftig jaar in de universiteitsbibliotheek te Leiden (sign. 1496 f10-11) heeft Beets een aantekening t.o. p. 158 gemaakt m.b.t. de ligging).
  36 den Aalbessenboom: café aan het Plein.
  37 de laatste schuit naar Amsterdam: deze vertrok 's avonds om acht uur (Amsterdamsche Studenten-Almanak voor het schrikkeljaar 1836, p. 22).

[p. 141]

41 2 besteedster: verhuurster van dienstboden, ‘koppelbazin’.
  5 het Paviljoen: monumentale villa in neo-classicistische stijl (nvj, p. 325).
  9 de groep van Laokoön: een voor het Paviljoen geplaatst loden afgietsel van het beroemde hellenistische beeldhouwwerk, waarvan het origineel zich in het Vaticaans Museum bevindt (Blauw 1959, p. 76-77).
  10 de W... beduidt: de W in het frontispice (een driehoekige gevelbekroning) stond voor Welgelegen, de oorspronkelijke naam van de villa. De uitleg Wullem vond zijn oorsprong in het feit dat de weduwe van stadhouder Willem v (Willemijntje) er van 1814 tot 1820 had gewoond. (nvj, p. 325)
  11 de Dreef: de Haarlemse wandelweg bij uitstek, uitkomend op de Hout (nvj, p. 324).
  13 allergeestigst: allerbevalligst.
  14 ‘logementen’: de achttiende-eeuwse herbergen, vaak met een minder goede reputatie, ontwikkelden zich in de negentiende eeuw tot meer respectabele logementen, eenvoudige gelegenheden waar men kon overnachten en een maaltijd gebruiken. De naam herberg werd toen nog slechts voor drinkgelegenheden van minder allooi gebruikt.
  14 barouchette: een vierwielig rijtuig voor vier personen.
  15 char-à-bancs: groot open rijtuig met banken voor gezelschappen, getrokken door een vierspan.
  18 Saksen-Weimar: een hoog, stijf militair hoofddeksel met een klep. Het exemplaar van Na vijftig jaar in de universiteitsbibliotheek te Leiden bevat een tekeningetje van de hand van Beets (sign. 1496 f10-11) (nvj, p. 286).
  18 rok: lange jas met panden; in de negentiende eeuw de gewone mannendracht.
  20 houten marmeren tafeltjes: tafeltjes met een geschilderd, imitatiemarmeren blad.
  20 ‘Wapen van Amsterdam’: vermaard oud hotel op de hoek van de Dreef en de Meesterlottenlaan.
  22 in 't kort: met een kuitbroek aan.
  26 met lichtblauw Zeister: in de oecumenisch, sociaal en economisch actieve Evangelische Broedergemeente (Hernhutters), sinds 1746 in Zeist gevestigd, droegen getrouwde vrouwen een bijzonder model mutsje dat met een lichtblauw zijden lint werd vastgestrikt.

[p. 142]

41 28 Amsterdamsche kornet: vrouwenmuts die het hoofdhaar slechts gedeeltelijk bedekte, hetgeen een kokette indruk maakte (nvj, p. 285).
  31 everlasting: stevige grijze of donkerblauwe stof, speciaal gebruikt voor het bovenwerk van een schoen.
  31 kruislinten: kruiselings gebonden schoenlinten (nvj, p. 286).
  34 baleinen valhoedje: een hoedje met brede rand en een van veerkrachtige baleinen vervaardigde bol, om jonge kinderen die pas hadden leren lopen tegen de gevolgen van een val te beschermen (nvj, p. 289).
  35 beugeltjes: ijzeren tuig, waarin men de beentjes van een kind plaatste om het kromgroeien door Engelse ziekte (rachitis) te corrigeren.
  37 ‘uwé’: kleinburgerlijke, deftig bedoelde nevenvorm van u, ontstaan uit de schrijfwijze u.e. (Uwe Edelheid) (Paardekooper 1987, p. 507).
  39 Hertebaan: hertenkamp in de Hout.
  40 in 't bloote hoofd: blootshoofds. Het was zeer ongebruikelijk zich zonder hoofddeksel naar buiten te begeven. Onbedekt hoofdhaar van vrouwen werd als onzedelijk gezien.
  41 sterk: fel.
     
42 2 Stoffels: Xavier de Severin Stoffels (1802-1870), herbergier van het ‘Wapen van Amsterdam’ (nvj, p. 324).
  4 deurraam: openslaand venster dat tevens als deur dienstdoet.
  5 Zocher: Jan David Zocher jr. (1791-1870), bekende architect en tuinarchitect. In 1828 werd de Nieuwe Hout (een gedeelte van de Haarlemmerhout) naar zijn plannen veranderd. (Haarlemmerhout 400 jaar 1984, p. 27-28; nvj, p. 327)
  6 Trou moet blijcken: oorspronkelijk rederijkerskamer, later sociëteit. Indertijd gehuisvest in het ‘Wapen van Amsterdam’. (Haarlemmerhout 400 jaar 1984, p. 76; zie ook nvj, p. 326)
  6 tot de schepen toe te zien: bij de verandering van de Nieuwe Hout had Zocher gezorgd voor een doorkijk richting Spaarne (nvj, p. 327).
  7 't Sparen: de Spaarne. Indertijd een vrij druk bevaren rivier.
  9 blauwe kleederen [...] met zwarte dassen: de Zaanse mannen, in meerderheid doopsgezind, waren gekleed in stemmig donkerblauw of zwart.
  10 onderdassen: deze werden onder de eigenlijke dassen gedragen.

[p. 143]

42 10 de nationale kap: er bestond geen ‘nationale kap’ als pendant van de ‘nationale hoed’ (zie de tweede aantekening bij p. 35 r. 29). Mogelijk beschouwt Hildebrand de (rijk versierde) Zaanlandse kap als typisch Nederlands.
  17 stilleverklikker: politiespion.
  25 de boekhouders... ooren: om de concentratie te bevorderen (nvj, p. 287-289, 395).
  25 ambachtsbazen: zelfstandige handwerkslieden.
  29 hunner: over hen (hun vaders).
  29 secretarieklerken: lagere bureau-ambtenaren.
  30 ondermeesters: lagere leerkrachten
  34 surnumerair: onbezoldigd ambtenaar (soort van stagiair).
  34 het gouvernement: het provinciaal bestuur, gevestigd te Haarlem.
     
43 2 de bloemisten van den Kleinen Houtweg: aan de Kleine Houtweg hadden vrij veel grote bloemenkwekers hun tuinen.
  4 rokken: lange jassen met panden, de gewone mannendracht in de negentiende eeuw. Jongens droegen kielen en buisjes.
  6 sjees: tweewielig open rijtuig voor twee personen.
  7 grutter: winkelier in gort, meel, bonen, erwten enz.
  8 pleiziergeld: belasting op het houden van ‘paarden tot vermaak’. De grutter hoefde deze belasting niet te betalen omdat hij zijn paard door de week voor zijn bedrijf nodig had (Staatsblad 1813, Koninklijk Besluit van 23 december 1813).
  8 demi-fortune: vierwielig rijtuig, bespannen met één paard.
  10 koorden: van touw gevlochten.
  11 rijpaard van den kostschoolhouderszoon: kostschoolhouders hadden de reputatie er warmpjes bij te zitten (Vitringa 1860, p. 57).
  13 calèches: open vierwielig rijtuigen met twee banken tegenover elkaar en zonder bok, getrokken door een vierspan.
  16 Houtpoort: de Kleine Houtpoort aan het einde van de Kleine Houtstraat.
  23 peu fashionable: weinig modieus (pseudo-Frans).
  29 menniste: doopsgezinde, zo genoemd naar Menno Simonsz (1496-1561). In Haarlem zouden veel rijke menisten wonen (nvj, p. 324).
  30 deftige middelstand: de laag onmiddellijk onder de aristocratie, te vergelijken met de Engelse upper middle class.

[p. 144]

43 32 haute volée: aanzienlijksten.
  39 fatsoen: model.
     
44 12 ‘Cieraad van Flora’: toentertijd bekende bloemisterij even buiten Haarlem aan de Wagenweg (nvj, p. 355).
  20 Cactus Speciosa: cactus met scharlakenrode bloemen.
  24 merkwaardigen: gedenkwaardige.
  24 staatjufferen: hofdames.
  31 mantilles: manteltjes zonder mouwen.
  31 amazones: paardrijdende dames.
  37 vrijliep: de dans ontsprong.
  41 physionomisch: wat de gelaatsuitdrukking betreft.
     
45 4 eerepenningen... verdienen: de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen, een maatschappij die zich bezighield met onderwijs-(vernieuwing) en volksopvoeding, stelde ook beloningen voor heldhaftig gedrag beschikbaar. In haar regels voor het toekennen van die beloningen (bronzen, zilveren en gouden medailles, boekgeschenken en geldbedragen) wordt de eis gesteld dat de redder zichzelf ook in een gevaarlijke situatie bracht. Art. 13 van deze regels stelt expliciet de vraag of de redder zwemmen kan. (Algemeene regelen [1835], [1], 7)
  30 te pas te jagen: op een geforceerde manier te pas brengen.
  32 liplappen: spotnaam voor afstammelingen van Europeanen en inlanders.
  32 blauwen: spotnaam voor donkergekleurde inlanders.
  36 reticules: handtassen die aan de bovenkant dichtgesnoerd kunnen worden.
  37 tissu's: dameshalsdoekjes.
  38 schuifjes: smalle strook stof bij de opening, waardoor een sluitbandje was gehaald.
  38 Saffo: Sappho (ca. 600 v.Chr.), beroemde Griekse dichteres van minneliederen, afkomstig van het eiland Lesbos.
  41 poetjes: engeltjes (van het Italiaanse putti); in de beeldende kunsten voorkomende, naakte kinder- of engelenfiguurtjes.
  41 gratietjes: Gratiën: in de klassieke oudheid de verpersoonlijking van schoonheid, bevalligheid en vrolijkheid.
     
46 10 Fleu-ve du-Ta-ge!: beginwoorden van de populaire sentimentele romance ‘Le Troubadour du Tage’. Het is, als eerste lied, te

[p. 145]

46   vinden in Verzameling van uitheemsche gezelschapsliederen voor den beschaafden stand (Kampen 1838) (zie ook nvj, p. 360).
  13 romance: verhalend lied met een eenvoudige melodie.
  17 flesschebakje: onderzetter voor een fles, hier gebruikt om er geld mee op te halen.
  22 vijfje: kwartje.
  32 eenloopend: in zijn eentje optredend.
  33 zonder hoed: d.w.z. ietwat ongekleed, want het was zeer ongebruikelijk zich zonder hoofddeksel naar buiten te begeven.
     
47 7 point d'orgue: volgehouden grondtoon.
  10 affiche: programma.
  10 geglaceerden: met glacé (zacht leer) handschoen aan.
  17 tact: fijn oordeel.
  17 classieke van romantieke muziek: de klassieke stijl in de muziek is die van de late achttiende eeuw, met als voornaamste kenmerk een relatief strenge vorm. De belangrijkste vertegenwoordigers ervan zijn de Oostenrijkse componisten Franz Joseph Haydn (1732-1809) en Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791). Aan het begin van de negentiende eeuw ontstond min of meer als reactie hierop de romantische muziek, waarin de kunstenaar vrij uitdrukking gaf aan zijn individuele gevoelens. Als voorbeeld bij uitstek gold de Duitse componist Ludwig van Beethoven (1770-1827).
  18 Lafont: Charles Philippe Lafont (1781-1839), vermaarde Franse violist. Hij was een vooraanstaand vertegenwoordiger van de klassieke traditie van de zgn. Franse school. Onder erkenning van de technische brille van hun spel misten de romantisch georiënteerde critici daarin ‘diepte’, (nvj, p. 311, 371)
  18 Beriot: Charles Auguste de Beriot (1802-1870), vooraanstaand Belgisch violist en componist uit de Franse school (nvj, p. 311, 350).
  19 Eichhorns: Johann Gottfried Ernst (1822-1844) en Johann Karl Eduard (1823-1896) Eichhorn, twee Duitse wonderkinderen op de viool, die in de jaren dertig groot opzien baarden op tournees door heel Europa. Vooral Ernst werd bewonderd om het diepe gevoel dat hij in zijn spel wist te leggen. (nvj, p. 311, 358-359)
  19 Ernst: Heinrich Wilhelm Ernst (1814-1865), Oostenrijker, een van de beroemdste violisten van zijn tijd, geprezen om zijn gloed-

[p. 146]

47   volle spel. In januari 1839 heeft hij te Haarlem een concert gegeven (ga-Haarlem, Archief Gemeentebestuur 1813-1956, Notulen Burgemeester en Wethouders 1839, p. 9). (nvj, p. 311, 359)
  25 doedelaars: doedelzakspelers.
  34 ‘every inch gentlemen’: every inch a gentleman: op en top een heer.
  39 table d'hôte: gemeenschappelijke tafel in een hotel op een vast uur van de dag met voor iedereen hetzelfde menu.
  40 economie: zuinigheid.
     
48 1 bouilli: mager rundvlees waarvan soep getrokken is.
  3 met gepoeierd hoofd: met poeder bestrooide pruik (toentertijd al ouderwets).
  12 streek: slag.
  13 geadoniseerde: opgedirkte; van Adonis, een knappe jongeman uit de Griekse mythologie, op wie Aphrodite verliefd werd.
  15 gepalmde omslagdoeken: grote, met palmbladmotieven bedrukte doeken die schuingevouwen om de schouders werden geslagen en tot onder op de rok afhingen (nvj, p. 361).
  16 twijfelaar: spottende benaming voor een kruising tussen een rok (kort van voren, lang van achteren) en een gewone jas (nvj, p. 393).
  16 heel stuk laken: voor de ruimvallende jas was veel stof gebruikt. Laken is een gladde wollen stof.
  17 kuitendekker: spottende benaming voor een te lang vallende rokjas.
  17 ‘sleepjurk’: letterlijk ‘avondjurk met sleep’.
  19 ‘de Bel’: herberg te Haarlem in de Groote Houtstraat, vanwaar diligences vertrokken (zie ook nvj, p. 350).
  23 hek... hebben: de Groote Houtpoort was in 1824 voor afbraak verkocht en in 1829 door een ijzeren hek vervangen (Allan 1874, p. 90, 92; zie ook nvj, p. 323).
  24 Hazepatersveld: weideveld aan de rand van Haarlem (nvj, p. 324).

[p. 147]

Humoristen

pagina regel
49 5 Het legher... Aemstel:
    Het leger treckt vast in met duizenden, een maght
Zoo groot als Waterland noch oit te velde bragt,
En Kennemer en Vries, en Zee en Holland t'zaemen.
Regels uit het derde bedrijf (839-841) van de Gijsbregt van Aemstel (1637) van Joost van den Vondel (1587-1679) (editie W.A. Ornée, Zutphen z.j.).
  21 Bonte Kalfje: herberg in Haarlem (nvj, p. 352).
  23 Fransche gebed: op school werd de dag geopend met een gebed. Op de zogenaamde ‘Fransche school’, een school voor elementair vervolgonderwijs waar onder meer Frans werd onderwezen, geschiedde dit in het Frans (zie ook nvj, p. 302).
  26 Ik... recensiën: toespeling op de recensie van Jacob Geel van Hildebrands schets ‘Vooruitgang’ uit De Gids (zie de toelichting bij deze schets op p. 219 van dit deel).
  31 omdat... is: in de tijd van de Camera Obscura was er een internationale ‘cultus’ van humoristische schetsen en verhalen (Jongejan 1933, p. 496 e.v.).
  34 leg [...] uit: spendeer.
  41 ‘bijwagen’: tweede wagen bij een diligence. Hildebrand zinspeelt ook op het in 1837 opgerichte tijdschrift De Bijwagen: tijdschrift, toegewijd aan wetenschappelijk en gezellig onderhoud (zie ook nvj, p. 314).
     
50 1 humoristen op rijm... lezen kunt: de opsomming geeft een humoristisch tableau van de toenmalige humorcultus (zie Jongejan 1933, i.h.b. p. 496-503).
  8 rok: lange jas met panden; in de negentiende eeuw de gewone mannendracht.
  10 ze... Weldadigheid: de Maatschappij van Weldadigheid werd opgericht in 1818 om bedelaars e.d. onder te brengen in landbouwkolonies. De eerste kolonie was Frederiksoord, bij Steenwijk (zie ook nvj, p. 333).
  19 partes essentiales: (Latijn) de wezenlijke delen; in de plantkunde de geslachtskenmerken (nvj, p. 379).
  20 habitus: (Latijn) uiterlijke gedaante (nvj, p. 363).
  20 een systema... artificiale: (Latijn) een natuurlijk systeem of een

[p. 148]

50   kunstmatig systeem. De Zweedse natuuronderzoeker Carl Linnaeus (1707-1778) had een eenvoudig, kunstmatig systeem uitgedacht om planten te ordenen, gebaseerd op de voortplantingsorganen; de Zwitserse botanicus Augustin Pyramus de Candolle (1778-1841) maakte een nieuwe, uitvoeriger beschrijving van het plantenrijk volgens een natuurlijk systeem, gebaseerd op zo groot mogelijke vormovereenkomst.
  21 den stijl... mode: in zijn verzamelbundel Onderzoek en phantasie (1838) had Jacob Geel een uitvoerig opstel gepubliceerd over de stijl, onder de titel ‘Nieuwe karakter-verdeeling van den stijl’ (nvj, p. 394).
  26 wij drijven in humor: toespeling op de oorspronkelijke betekenis van het woord humor: (lichaams)vocht.
  28 drenkelinggenootschap voor humoristen: naar analogie van de in 1767 opgerichte Maatschappij tot Redding van Drenkelingen.
  29 afschaffings-... humor.’: in de jaren dertig en veertig van de negentiende eeuw zagen verscheidene brochures tegen het drankmisbruik het licht en werden ook de eerste afschaffingsgenootschappen opgericht (Van der Stel 1995, p. 143-146). Een daarvan voerde als zinspreuk: ‘Laat staan uw glas’ (nvj, p. 371).
  31 Jean Paul: Jean Paul Richter (1763-1825), Duits schrijver (nvj, p. 293).
  31 Rapponische krachten: Carl Rappo (1800-1854) was een rondreizende atleet en krachtpatser, die o.a. in 1834 voorstellingen gaf in de Haarlemse schouwburg (zie ook nvj, p. 293; Het dagboek 1983, p. 84).
  35 Bilderdijk: Willem Bilderdijk (1756-1831), dichter en geleerde.
  35 ergens... mond: Bilderdijk maakt de desbetreffende opmerking in zijn uitgave van de gedichten van P.C. Hooft (1581-1647) (Leiden 1823, III, p. 254). Anders dan Melchior kan Beets die onmogelijk uit Bilderdijks eigen mond hebben vernomen: hij heeft Bilderdijk nooit gesproken.
  36 Hooftiaansche neskheit: Hooft gebruikt het woord ‘neskheit’ (in de betekenis van malligheid, humor) in een gedicht over de gedichten van Constantijn Huygens (1596-1687): ‘Nut is neskheit bij de maet’ (malligheid met mate is nuttig) (editie P. Tuynman en G.P. van der Stroom 1994, p. 376). (Zie ook nvj, p. 376)
  37 wat de ‘Tesselschade’... moge: in het gedicht ‘De Luit van P.C.

[p. 149]

50   Hooft’, verschenen in de literaire almanak Tesselschade voor 1838 (p. 212), had de letterkundige Everhardus Johannes Potgieter (1808-1875) de zwaarmoedige hedendaagse schrijvers van liefdesgedichten opgeroepen een voorbeeld te nemen aan de blijgeestigheid van Hoofts amoureuze poëzie van twee eeuwen eerder (nvj, p. 315).
  38 voor 't algemeen: voor de gewone mensen.
  n1 ‘Humor... wird’: humor is het romantisch-komische, het omgekeerde verhevene, waarin het eindige op het oneindige, het verstand op het idee toegepast wordt. Het gaat hier niet om een letterlijk citaat maar om een samenflansing van elementen uit een breder betoog in de Vorschule der Aesthetik (1804), § 31, ‘Ueber die humoristische Poesie’ van Jean Paul. (Jean Paul, Werke (München 1963), dl. 5, p. 124-125; zie ook Jongejan 1933, p. 89-90)
     
51 1 après tont: alles welbeschouwd.
  4 op end' op: door en door.
  5 humoristische orde van zaken: in het hiernavolgende wordt een reeks geliefde typen en attributen uit de humoristische literatuur opgevoerd.
  10 niemand... zelve: steek onder water naar Jacob Geel, die in de ‘Voorrede’ van zijn Onderzoek en phantasie Beets als een ‘hoog bejaard man’ had voorgesteld. Johannes Petrus Hasebroek (1812-1896), student theologie en vriend van Beets, schrijft E.J. Potgieter dat Geel er zich over beklaagde hoe Beets in de Camera Obscura ‘gedurig krabbelde en beet’. In een eerdere brief had hij Potgieter gevraagd: ‘Gij zult u zeker ergeren over de vele blijken van Geel-haat, die er hier en daar door verspreid zijn?’ (Willems 1939, p. lxxxiii, lxxix)
  16 pâté de foie gras: ganzenleverpastei.
  18 tuinstokken: steunen voor planten.
  18 Moeder-de-Ganzen: van het bekende, oorspronkelijk uit 1697 daterende sprookjesboek Contes de ma mère l'Oye van de Franse schrijver Charles Perrault (1628-1703) bestonden in het begin van de negentiende eeuw verschillende Nederlandse vertalingen, waaronder geïllustreerde bewerkingen voor de jeugd (Albers 1969; nvj, p. 375).

[p. 150]

pagina regel
52 7 het kleine Stadje D -: de aldus aangeduide plaats van handeling lijkt gemodelleerd te zijn naar het toenmalige Delft (Van Zonneveld 1984).
  9 vice versa: (Latijn) heen en weer (nvj, p. 394).
  11 cloak: ruime blauwgrijze jas met schotsgeruite voering (nvj, p. 287).
  12 Hij had gereisd...: de nu volgende beschrijving van het gezelschap in de diligence is een bewerking van een passage in Beets' dagboek over een rit van Haarlem naar Amsterdam (Van den Berg 1990a, p. 231-234).
  20 souspied: bandje aan de broekspijp dat onder de voet door loopt.
  22 soutien: steun van ijzerdraad of stevig gaas om de vorm te behouden.
  29 het personeel: de gezamenlijke personages.
  35 dot: ouderwets soort speen van een lapje stof.
  37 broek- [...]gespen: gespen om de broekspijp van een kuitbroek onder de knie vast te maken.
     
53 15 plaatsmajoor: hoofdofficier in garnizoensplaats, belast met administratieve taken.
  16 in politiek: in burger.
  20 kantoorreiziger: handelsreiziger.
  26 z ed.: Zijne Edelheid (plechtstatig).
  29 maal: geldtas (Beets 1933, p. 39) of een zending poststukken.
  29 vijfje: kwartje.
  32 uwé: kleinburgerlijke, deftig bedoelde nevenvorm van u, ontstaan uit de schrijfwijze u.e. (Uwe Edelheid) (Paardekooper 1987, p. 507).
  37 de man van het maagdelijk metaal: de zilversmid.
     
54 2 diaconiehuis: ook wel diakenhuis, armenhuis der diaconie (armbestuur van de hervormde kerk).
  4 teeken zijner orde: merkje (bv. het stadswapen) waardoor de drager als diakenhuisbewoner kenbaar was (Beets 1924, p. 5-6).
  6 leesgezelschap: vereniging die voor gemeenschappelijke rekening boeken en tijdschriften onder haar leden laat circuleren.
  8 reis: eens.

[p. 151]

54 16 onder het faveur van: het voorrecht genietend.
  30 eigenaardig: karakteristiek.
  34 muilen: gebruikelijk schoeisel van keukenpersoneel (zie ook nvj, p. 286).
  35 eva: kort schortje over de boezelaar, het grote schort (zie ook nvj, p. 286).
  41 kruiskozijnen in het lood: kozijnen in kruisvorm met glas-in-loodruitjes.
     
55 8 hoog licht: hooggeplaatst venster.
  26 zwavelstok: voorloper van de lucifer (nvj, p. 342,396).
  34 de wagen van tweeën: de diligence van twee uur. Twee uur was geen ongebruikelijke tijd voor een aperitief (de zgn. morgendrank); de warme maaltijd werd in de betere kringen ruim na het middaguur genuttigd.
     
56 22 sluitjas... borst: nauwsluitende jas met twee rijen knopen en knoopsgaten, waarvan de voorpanden (tegen het slijten) afwisselend links over rechts en rechts over links gedragen konden worden.
  22 horlogesleutel: aan de horlogeketting bevestigde sleutel, om een zakhorloge mee op te winden.
  23 verschoende: opgelapte.
  23 floretten: van grove zijde.
  24 kapelaansrotting: rotting (wandelstok) met kwastjes (Sevensma 1964, p. 274-276).
  25 thé's der professoren: ter bevordering van het sociale contact was het gebruikelijk dat een hoogleraar eenmaal per week ontvangst hield voor zijn studenten, met thee en gebak. Er zijn vele getuigenissen overgeleverd dat deze sessies door beide partijen als buitengewoon vervelende plichtplegingen werden ervaren.
  27 senatoren... hebben: aankomende studenten werden ontgroend door een club ouderejaars, de zogenaamde ontgroensenaat. In Hildebrands studententijd waren er in iedere universiteitsstad nog verschillende, elkaar beconcurrerende ontgroensenaten; korte tijd later zouden die zich verenigen in de studentencorpora.
  31 dispuut: discussieclubje van studenten.
  32 van den kok... krijgt: klaargemaakt thuisbezorgd krijgt.

[p. 152]

56 35 tafel: voor een bepaald gezelschap gereserveerde tafel in een eetgelegenheid.
  39 respondeeren: antwoorden. Behalve de gewone colleges waren er de zgn. responsiecolleges, waar de student antwoord moest geven op door de hoogleraar gestelde vragen.
     
57 4 storten: vallen.
  6 Instituten: een samenvatting van de beginselen en regelen van het Romeins recht.
  12 bedorven: rampzalig.
  26 catechiseermeester: godsdienstonderwijzer.
  30 brand: op 25 juni 1824 woedde in Waalwijk een omvangrijke brand die een groot deel van het dorp verwoestte. Waalwijk was bekend om het schoeisel dat er gemaakt werd.
  35 Van der Veen's elixer: een kruidenextract voor in de borrel (Frijhoff 1986, p. 252).
  35 ‘Erger dan de cholera’: Otto Gerhard Heldring (1804-1876) had in 1838 een geruchtmakende brochure tegen drankmisbruik gepubliceerd, getiteld De jenever erger dan de cholera (zie ook nvj, p. 359).
  36 frisschen morgen: heilwens bij het toedrinken van iemand.
     
58 1 Justitia: gerechtigheid.
  1 Ususfructus: vruchtgebruik.
  8 oortjesband: band dat een oortje (¼ stuiver) de el kost (nvj, p. 336).
  13 Haarlemsche courant: de Oprechte Haarlemsche Courant, opgericht in 1656, werd in de negentiende eeuw vooral gelezen om de familieberichten.
  19 vloeken... voeren: bastaardvloeken: een balk (horizontale band) over een wapenschild gaf aan dat de drager een bastaard was.
  29 saaien: wollen.
  31 geperpendiculariseerd: overeind (nieuwvorming, afgeleid van perpendiculair: rechtstandig).
  33 hieltjes gemaakt had: de kous tot aan de voet binnenstebuiten gekeerd had, om het aantrekken gemakkelijk te maken.
  41 duim: lengtemaat van ongeveer 2,5 cm.
     
59 8 van onder... kwam: het was gebruikelijk dat de barbier zijn beter gesitueerde klanten bij hen thuis schoor (vgl. bv. Ten Kate 1842, p. 71).

[p. 153]

59 10 pruik: rond 1835 droegen nog slechts enkele behoudende heren een staartpruik (nvj, p. 391).
  13 oneigenaardige: niet-passende, inadequate.
  14 robe de chambre: kamerjas.
  16 japonnen met sjerpen: kamerjassen met een sjerp om het middel.
  21 Jannen: brassers.
  22 lichtmis: losbol.
  30 ‘Ik danke... geopenbaard’: blijkens de tekst leest oom Stastok niet voor uit de oude Statenvertaling (1637) maar uit de in 1822-1825 verschenen vertaling van Johannes Henricus van der Palm (1763-1840) (De Jong 1990, p. 11-13).
     
60 5 Koninklijken Nederlandschen Instituuts: (2e naamval): instelling gesticht door koning Lodewijk Napoleon (1778-1846) in 1808, tot bevordering van kunsten en wetenschappen. De 4e klasse bestond uit ‘Kenners en Begunstigers der schoone kunsten, en de Kunstenaars zelve’. De verschillende klassen schreven hun eigen prijsvragen uit. (Gerritsen 1997; zie ook nvj, p. 310)
  16 colleges... in 't Hollandsch: tot 1876 was het Latijn voor de meeste aan de universiteit onderwezen vakken officieel nog de verplichte voertaal (zie ook nvj, p. 303-305).
  17 dicteerde: veel hoogleraren bepaalden in de eerste helft van de negentiende eeuw hun college tot het voorlezen van een dictaat.
  18 testimonium: getuigschrift dat men de colleges in een vak gevolgd heeft.
  19 liefhebberij-colleges: colleges die niet verplicht zijn voor een examen.
  19 Smallenburg: Nicolaas Smallenburg, geboren 1761, hoogleraar in de rechten te Leiden sedert 1790, was op 20 mei 1836 overleden (nvj, p. 291).
  20 Uitertsche: nevenvorm van ‘Utrechtse’.
  20 Juris professores: (Latijn) hoogleraren in de rechten.
  22 van Heusde: Philip Willem van Heusde (1778-1839), sedert 1804 hoogleraar in het Grieks en de Geschiedenis te Utrecht. Verscheidene malen wees hij een (algemeen als een promotie beschouwde) benoeming in Leiden af. Van Heusde was befaamd als geleerde maar meer nog als uiterst bezielende mentor van zijn leerlingen. Op grond hiervan werd hij wel de Praeceptor Hollandiae (leermeester van Nederland) genoemd. (De Valk 1989; nvj, p. 291)

[p. 154]

60 23 mathesis-examen in 't Latijn: examen in de wiskunde dat in Utrecht nog in het Latijn maar in Leiden al in het Nederlands werd afgenomen (zie ook nvj, p. 373).
  29 slag: (sociale) vaardigheid.
  38 Engelsch hemd: overhemd met boord.
  40 trokken: lootten.
     
61 2 ‘pot, jongen!’: spelers die bezig waren met een gewone partij biljart, het zgn. carambole-spel, moesten hun partij staken wanneer iemand de wens te kennen gaf pot te spelen, aangezien dit spel met meer spelers werd gespeeld. Doorgaans eindigde een carambole-partij bij een score van vijftig maar nu is het bij ‘Vierentwintig uit, menheeren!’ (zie r. 7). (Simons 1906, p. 623, waaraan ook de hiernavolgende toelichtingen op het spel zijn ontleend.)
  3 winderigen: blufferige.
  4 voorhing: als nieuw lid voorgesteld was.
  6 pot te maken: de spelers maakten namelijk een pot door een gelijke som geld (12 stuivers per persoon) in te leggen, de mise. Deze was, verminderd met de biljarthuur, voor de winnaar.
  8 korfje... potballen: in een korfje met een opening, groot genoeg om de hand in te steken, werden zoveel genummerde potballetjes gedaan als er spelers waren. Ieder trok er een om de volgorde van de spelers te bepalen. Het balletje met nummer 1 heette het aas (zie r. 15).
  10 Mingaud: François Mingaud, (1771-1847), befaamd biljarter en uitvinder van de pomerans (stootdopje op de keu). Hij was van Franse afkomst maar woonde een groot deel van zijn leven in Rotterdam (zie ook nvj, p. 294-295).
  12 dopjes voor hunne pijpen: van fijn draad gevlochten kapjes, gebruikt om het biljartlaken tegen vonken te beschermen (nvj, p. 342).
  41 den kleinen bok: steuntje aan een stok om een extra ‘hand’ te plaatsen als de bal ver van de rand lag.
     
62 3 ‘Aas acquit, twee speelt!’: het potspel werd gespeeld met twee (witte) ballen op een tafel met zes zakken, vier in de hoeken en twee in het midden van de lange zijden. Bij het begin van het spel zet aas (de nr. 1) acquit, d.w.z. hij plaatst zijn bal bij de bovenrand op ca. 25 cm van de linker hoekzak. Vervolgens speelt nr. 2.

[p. 155]

62   op het acquit, wat inhoudt dat hij zijn eigen bal plaatst in het onderste kwart van het biljart (‘op drie vierden’, r. 8) en van daaruit stoot op aas. Het gaat erom de voorafgaande speler ‘weg te stoppen’ (zie p. 63 r. 24), d.w.z. diens bal met de eigen stootbal in een van de zakken te drijven. Als nr. 2 de bal inderdaad ‘maakt’ (r. 19) - als ‘hij zit’ (p. 63 r. 28) - krijgt de voorganger achter zijn naam op de scorelei een appèl (p. 63 r. 13), d.w.z. een strafpunt. De nr. 3 moet vervolgens opnieuw acquit zetten en de nr. 4 speelt weer op het acquit. Wanneer de bal niet gemaakt wordt, stoot de volgende speler de andere bal, etc. Andere mogelijkheden om een strafpunt te krijgen zijn het missen van de andere bal en het stoten van de eigen bal in een van de zakken.
  18 klotste... lag: de bal van Pieter klotste doordat hij zo hard en vlak op de acquitbal had gestoten: de ballen stootten onbedoeld een tweede keer op elkaar en zijn bal kwam daardoor ‘à faire’ te liggen, d.w.z. gemakkelijk te maken voor de volgende speler.
  20 stevig ‘houdende’: de bal goed onder controle houdend zodat deze na de andere geraakt te hebben min of meer stil blijft liggen.
  21 den millieu: het midden over de lange afstand van de tafel. De positie van de eigen bal is veilig als de andere bal zover mogelijk uit de buurt is gebracht. Idealiter komt de bal waarop men gespeeld heeft ‘collé’ te liggen (p. 64 r. 21), d.w.z. tegen de tegenovergestelde band aan. Hij is dan voor de volgende speler moeilijk te stoten.
  21 nam [...] zijn pijp tusschen zijn grauwe knevels: nam zijn pijp tussen zijn snorharen, d.w.z. dwars in zijn mond.
  22 speelde... op goedaf: de kunst van het potspel was de voorganger weg te stoppen zonder zelf ‘à faire’ te komen liggen. Hildebrand en na hem de luitenant spelen ‘op goedaf’: ze proberen niet de bal te maken maar zorgen er wel voor dat de eigen bal in een veilige positie komt. Daarnaast waren er ongeschreven regels. Zo gold het als sportief om ‘op goedaf’ te spelen als de bal al te makkelijk ‘à faire’ lag, met name voor een hoekzak. De jongeling van drieëndertig jaar heeft daar lak aan en speelt rechtstreeks op winst (r. 34-36). Ronduit ongepast was het om bij de acquitstoot de andere bal rechtstreeks in de hoekzak links boven te drijven.
  23 ‘een beest’: een onbeheerste stoot waardoor de andere bal in een zak rolt waarop niet gedoeld is.

[p. 156]

62 23 gesneden: door een lichte aanraking van de stootbal regelrecht in een zak gewerkt.
  28 gemeene: gewone.
  28 sneeuwballetje: glaasje jenever met suiker.
  29 't Handelsblad: het Algemeen Handelsblad, toen een jonge (opgericht in 1828) en moderne krant van (gematigd) liberale signatuur, vooral gewijd aan de belangen van de handel (nvj, p.315).
  34 voordeelig... verkoopen: zolang men niet verloren had, had men het recht zijn partij tegen betaling aan een ander over te doen. Het recht tot kopen verkreeg men wanneer men verloren had doordat men het maximum van vier appèls bereikt had.
  40 collé: vast tegen de band.
     
63 4 tegen alle etiquette aan: het snijden van de acquitbal in de nabije linker hoekzak was niet verboden maar werd zeer unfair geacht.
  13 ‘Aas één appèl, drie acquit, vier speelt!’: het aas heeft een appèl gekregen omdat hij door Pieter weggestopt is.
  19 sauveeren: sparen, niet wegstoppen. De pikeur had er een zeker recht op dat Pieter hem nu sauveerde, gezien de ongelukstreffer van zo-even.
  34 een doublé gemaakt: de andere bal zo geraakt dat hij via een band in een van de zakken terecht was gekomen.
  35 de Goudsche courant: tussen 1805 en 1841 verscheen er geen enkele krant te Gouda (Schouten 1987, p. 11-12).
  40 ‘Vier driemaal... de Vlag!’: nr. 4 (de luitenant) heeft drie strafpunten. Achter de naam van Pieter, degene die nog geen appèl heeft terwijl alle andere spelers al één of meer streepjes hebben, wordt een vlaggetje getekend.
     
64 1 kortswijl: plezier, vermaak.
  6 geassureerd: zich (bij de vermoedelijke winnaar) verzekerd tegen het verlies van de mise. Dit werd nogal eens overeengekomen tussen de twee laatst overgebleven spelers. De uiteindelijke winnaar moest dan wel de inzet van de laatste medespeler missen. De hier beschreven voortijdige assurantie was eigenlijk tegen de etiquette van het spel.
  6 zich doodstooten: door opzettelijk te missen het laatste strafpunt verwerven (waarmee dus het recht van koop van andermans partij werd verworven).

[p. 157]

64 9 de bokaal... winnen: hij die de pot ‘op schoon’ won, d.w.z. zonder één enkel appèl, trakteerde op een fles wijn, die gezamenlijk opgedronken werd uit een speciaal daarvoor gereserveerde bokaal.
  14 ‘Die witte!’: er werd alleen met (twee) witte ballen gespeeld.
  22 zelfkanten: gemaakt van zelfkant (versterkt weefsel).
  26 ‘Strijk... gestreken: namelijk door het op het bord getekende vlaggetje achter Pieters naam uit te wissen.
  30 verliep: stootte de eigen bal in een zak.
  32 mispunt: misstoot: de andere bal wordt niet geraakt.
  34 brak ik... mijn bal op: hield ik op met spelen.
  36 achtentwintig: zilveren geldstuk ter waarde van achtentwintig stuivers (nvj, p. 334).
     
65 2 de hoekzakken trokken: het biljart naar de hoeken afliep.
  10 Drie dagen: in feite zijn het er twee: Hildebrand kwam op donderdag aan (p. 52 r. 7) en het is nu zaterdagochtend (p. 66 r. 24). Tot en met de dertiende druk was de dag van aankomst woensdag. Klaarblijkelijk heeft Hildebrand bij het veranderen daarvan (er zou dan immers één dag ‘niets’ zijn gebeurd) deze plaats over het hoofd gezien.
  18 huilebalk: vilten rouwhoed met brede rondom neerhangende rand (zie ook nvj, p. 367-368).
  20 een zwarte... spiegel: algemeen gangbaar rouwgebruik.
  21 geraspte broodjes: broodjes met ruwe, geraspte korst.
  26 besteld: als bediende geplaatst.
  29 halfpintsflesschen: cilindervormige flessen met een inhoud van ca. een kwart liter (nvj, p. 348).
  30 kinderglazen: bolle ronde flesjes met een lange hals (nvj, p. 348).
  30 amplet: kegelvormig soort medicijnflesje (nvj, p. 348).
  30 likkepot: potje met geneesmiddel dat men likkend kon innemen.
  30 pakje poeiers: poeier werd in papier verpakt: goudpapier voor ‘de aanzienlijken’ en zgn. sitspapier voor de ‘burgerlieden’ (nvj, p. 379).
  31 salebdrank: middel tegen diarree.
  32 obstructies: verstoppingen.
  32 jalappeharst: laxeermiddel.
  36 de groote opruiming... Frederiksoord: in de jaren 1822-1824 werden ter bezuiniging de stedelijke toelagen aan de weeshuizen

[p. 158]

65   ingetrokken. De besturen maakten daarom graag gebruik van het aanbod van de Maatschappij van Weldadigheid om de wezen op te nemen in haar koloniën. Dit waren nieuw gestichte nederzettingen op de woeste gronden van Drenthe en Noord-Overijssel. De bekendste ervan was Frederiksoord. (Berends enz. 1984, p. 27-28; nvj, p. 333, 378)
  40 wegbrengen van de courant: vóór de afschaffing van het zgn. dagbladzegel (1869) waren kranten relatief zeer duur. Het was daarom ook in de kringen van meer welgestelden niet ongebruikelijk gezamenlijk een abonnement te nemen.
     
66 10 rollaag: rij van op hun kant gemetselde stenen (zie ook nvj, p. 384).
  12 elyseüm: paradijs.
  20 vijfblad: wilde wingerd.
     
68 1 ‘lange blonde jongen’: een grapje voor insiders. In het Mengelwerk van het Algemeen Letterlievend Maandschrift waren in 1838 twee artikeltjes verschenen (‘Dichten’, p. 471 e.v. en ‘Recenseren’, p. 571 e.v.) waarin verhuld de spot gedreven werd met medewerkers aan het concurrerende tijdschrift De Gids. Nicolaas Beets wordt daar aangeduid als ‘de groote blonde jongen’ (nvj, p. 372).
  9 spul: kermis.
  20 laken van negen gulden: laken dat ƒ9,00 per el kostte (buitengewoon prijzig).
     
69 2 rooie... vensters: kleur van het wapen van Holland. Veel openbare gebouwen en liefdadigheidsgestichten in die provincie waren daarom rood geschilderd (nvj, p. 384).
  6 Vader: hoofd van het diaconiehuis.
  23 oranjeschilletje: sinaasappelschilletje, gebruikt als geneesmiddel en in dit geval om de dranklucht te maskeren.
  24 blok: zwaar houten blok dat bij wijze van straf aan het been werd vastgemaakt.
  24 bok: soort geselbank.
  27 'en graantje gepikt: een borreltje gedronken.
  36 op een buitenplaas of in een theetuin: een buitenplaats is een tamelijk groot stuk grond met een herenhuis dat vooral gedurende de zomermaanden bewoond werd; een theetuin is een

[p. 159]

69   stukje grond apart van het woonhuis even buiten de stad, met soms een theekoepel of een prieel erop.
     
70 2 Regenten: curatoren, leden van de commissie van toezicht.
  5 vastelavond: ook in niet-katholieke kringen bestond het gebruik om op vastenavond een extra traktatie te geven aan bedienden, armen enz.
  17 put: collectief graf voor de armen (zie ook nvj, p. 382).
     
71 12 suppoosten: oppassers.
  14 broers: medeverzorgden.
  17 bulster: met stro gevulde beddenzak.
  31 lap: dronkaard.
     
72 41 thesaurierzelve: de penningmeester zelf.
     
73 8 onder verbetering: zijn voorstel voor verbetering aanbevolen houdend.
  10 custodiëeren: in bewaring houden.
  31 lange lijzen: fijn Chinees porselein, zo genoemd naar de ranke vrouwenfiguren die erop zijn afgebeeld.
  31 met zes merken: kwaliteitsaanduiding in Chinese tekens op de onderkant waarmee de periode (dynastie), de datum, de naam van de porseleinbakker of andere gegevens worden aangegeven (Lunsingh Scheurleer 1966, p. 175-178).
  34 stoven... steenen: in de stoven werden, ter verwarming van de voeten, testen (bakjes) met gloeiende kolen gezet; houten stoven hadden gaten in de bovenkant, stenen stoven niet.
  36 verlakten ketel: theestoof: bak van gelakt hout met een koperen binnenmantel waarin een komfoortje stond. Hierop werd de theeketel warm gehouden.
     
74 8 schoorsteenstuk: stucwerk boven de schoorsteenmantel.
  11 formatie: structuur.
  13 op snee verguld: op het snijvlak verguld (boekbindersterm).
  14 behangsel: rond 1835 was beschilderd (linnen) behangsel ouderwets aan het worden; het maakte plaats voor het bedrukt behangselpapier (Heesters 1988, p. 46).
  27 geestig: knap.
  33 hooge japonnen met stukken: hooggesloten japonnen met een ingezet stuk in de halsopening.

[p. 160]

75 2 Moloch: allesverslindend monster.
  11 gesnap: gebabbel.
  19 lustres: luchters, meerarmige hangende kandelaars.
  27 hooge linnen halsboorden... weerschijnende zijde met ruim lijf: oom en tante Stastok kleedden zich nog naar modes van soms zelfs enige decennia terug. Ouderwets kleedgedrag was overigens in de kleinere steden niet ongebruikelijk.
  30 stropje: brede zijden das (zie ook nvj, p. 287).
  30 jabot: geplooide borststrook (nvj, p. 369).
  30 rok... jas: de rok, een lange jas met panden; in de negentiende eeuw de gewone mannendracht, is kort van voren en lang van achteren; de jas is voor en achter even lang.
  31 korte broek: kniebroek; deze deftige dracht was al bijna in onbruik geraakt (zie ook Van Rijn en Deetman [1910-1919], ii, p. 49).
  36 neepjes-mutsje: plooimutsje; in deze jaren eveneens een ouderwetse, stemmige dracht (nvj, p. 285).
     
76 1 bootje: slotje.
  2 kamerijkschen doek: omslagdoek van fijn linnen.
  12 verstokt hij zich: volhardt hij erin.
  26 ‘toe kachel’: gesloten kachel.
  34 gilden... ministerie Gogel: Isaac Jan Alexander Gogel (1765-1821) vervulde van 1799 tot 1813 met enige onderbrekingen regeringsfuncties op het gebied van financiën. Hij heeft de afschaffing van de gilden wettelijk geregeld en de zgn. patenten ingesteld: vergunningen om een bedrijf uit te oefenen (zie ook nvj, p. 297).
  40 Wagenaar... Wagenaar: Jan Wagenaar (1709-1773), auteur van Vaderlandsche historie (21 delen, 1749-1759), tot diep in de negentiende eeuw het standaardwerk voor de vaderlandse geschiedenis. Er zijn diverse vervolgen op verschenen, onder meer: Petrus Loosjes (1735-1813), Vaderlandsche historie [...] Ten vervolge van Wagenaars Vaderlandsche historie (27 delen, 1786-1811) en Johannes Munniks (1741-1815), Vaderlandsche historie [...] Beginnende met het jaar 1752 (17 delen, 1781-1787). (Haitsma Mulier en Van der Lem 1990 nrs. 505 f, 314 a en 344 a; nvj, p. 394)
  41 Le Francq van Berkhey: Joannes le Francq van Berkhey (1729-1812) schreef behalve gedichten talloze medische, natuurhisto-

[p. 161]

76   rische en geschiedkundige werken. Zeer bekend was vooral zijn Natuurlyke historie van Holland (9 delen, 1769-1811).
     
77 1 Tuinmans ‘Nederduytsche Spreekwoorden’: Carolus Tuinman (1659-1728), De oorsprong en uitlegging van dagelijks gebruikte Nederduitsche spreekwoorden (2 delen, 1726-1727) (nvj, p. 393).
  4 snuiter: soort schaar waarmee de verbrande pit van een kaars werd afgeknipt (zie ook nvj, p. 339).
  22 baleintje: lange veerkrachtige pen, gemaakt van walvisbot (zie ook nvj, p. 341).
  29 slemp: drank bereid door saffraan, thee, kruidnagels, kaneel en foelie in melk te koken en te laten aftrekken en vervolgens suiker toe te voegen.
     
78 1 ‘mevrouw’: ter onderscheiding van het in burgerkringen gebruikelijke ‘juffrouw’ (zie ook nvj, p. 374).
  17 rammel: kletskous.
     
79 26 komfoortje: bakje met gloeiende houts- of turfkolen, gebruikt om een pijp aan te steken.