terug  begin  verderprepost
[p. 317]

V Van spoorwegen en vergulde koeken, en veel nieuws en anders in land en steden

‘Hoe ondenkbaar moet in de oogen van het tegenwoordig geslacht een Nederland zonder Spoorwegen, hoe buitensporig een Sint-Nicolaaskoek met verguldsel voorkomen!’ Aldus in 1864. Wat het laatste betreft: de Kegges die, in spijt van alle heraldieke wetten, ‘goud op zilver’ stellen willen, zijn nog altijd talrijker dan de grootmoeders Marrison, die niet veel van goud houden. En zoo wij sedert bijna een halve eeuw geen vergulde koek hebben gezien, zoo al de De Grooten op een goeden dag er toe gekomen zijn die weelde af te schaffen, het is op hoog bevel, en in naam van Ste. Hygiëia geschied, maar met dezen troost, dat er een hemelsbreed verschil bestaat tusschen de behoefte om zoetigheid, en de behoefte om pillen te vergulden; en dat er, indien al niet in hun winkels, toch nog altijd vergulde vrijers en vrijsters, dagbroers en andere poppen genoeg zijn.1

Maar ‘een Nederland zonder spoorwegen’, ondenkbaar reeds vóór drieentwintig jaar, hoe veel ondenkbarer is het sedert geworden! Hoe gansch ondenkbaar moet het zijn in de oogen van een geslacht, waarvan niet slechts de jongeren, maar de bijna vijftigjarigen zulk een Nederland ook voor geen oogenblik gekend hebben, en waaronder de schrijver dezer regelen interessant begint te worden met zijne heugenis van den eersten spoortrein tusschen Amsterdam en Haarlem (1839), veertien jaar nadat tusschen Stockton en Darlington de allereerste geloopen had, en binnen de twee, nadat hij (1837) zijn smachtend: Komt! komt, heerlijke spoorwegen! had aangeheven. Nog staat die eersteling voor zijn oogen. Nog ziet hij hem, ziedend, dampend, rookend, ‘langs zijn tweelinglijn’ zich voor de eerste maal in beweging stellen. Nog hoort hij het gillen, snuiven, hijgen, stampen, gonzen van dien ‘vuurgen salamander’, uit wiens ‘over de aarde rammelenden buik’, als Da Costa twee jaar later van hem zingen zou, ‘vuur siste’. Een ‘bevol-

[p. 318]

king’, een ‘leger’, droeg hij vooralsnog niet ‘in zijn staart’, en zijn ‘metalen tenten’ vervoerden op haar ‘bliksemende wielen’ in den eersten tijd nog slechts grootendeels nieuwsgierigen die, ‘om er eens de proef van te nemen’, bij voorkeur in de derde klasse plaats namen, toen metterdaad nog tentsgewijze ingericht en slechts door gordijnen tegen den wind, die tusschen IJ en Meer ongenadig blazen kon, beschermd; hetwelk aanmaningen van wege de administratie, om toch, in het belang der onderneming, ook de tweede, en zelfs de eerste klasse eens te probeeren, uitlokte. Aandoenlijk was het daarbij te aanschouwen, hoe, terwijl op den eenen oever der Amsterdamsche Vaart de spoortrein voortsnelde, in die vaart zelf, de oude trekschuit, bevattende juffrouwen die men op dat nieuwe niet krijgen zou, nog beproeven bleef de hopelooze concurrentie vol te houden; en langs den anderen oever, de diligence, hetzij dan van Van Gend en Loos of van Veldhorst en Van Koppen,1 te zien voortsukkelen, bevracht met sofisten, die het onder

[p. 319]

elkaar eens waren en het elkander steeds duidelijker maakten, dat men, alles in aanmerking genomen, op deze wijze toch nog eer kwam waar men te Amsterdam wezen wilde, dan met dat ‘schijnbaar zoo mooie en expediete nieuwe middel van vervoer!’ In allen ernst, dingen als deze moeten ongelooflijk zijn in een tijd, waarin niemand meer begrijpen kan dat niet iedereen de meest mogelijke haast heeft, de middelen van vervoer in het oneindige worden vermenigvuldigd, onze vier millioenen nederlanders nu metterdaad dagelijks door elkander geschoten worden als een partij weversspoelen, en een Nederland zonder onderaardschen schietblaasbalg eerlang even ondenkbaar zijn zal als nu een Nederland zonder spoorwegen.1 Eer het echter ook daartoe komt, zal men niet onwaarschijnlijk met de luchtscheepvaart gereed zijn, waarin, door de regeering uitgezonden, een nederlandsche commissie reeds bezig is geweest zich buitenlands te bekwamen. De aan het tegenwoordig geslacht zoo welgevallige vorm van een sigaar, voor het luchtschip aangenomen, schijnt er veel toe gedaan te hebben om de zaak mogelijk te maken.

Thans snelt de spoortrein ook langs wat, toen Teun de Jager uit jagen ging, nog de woestijn van het Koegras kon genoemd worden. Reeds in 1864 moest de bestempeling met dien naam verwondering baren, sinds die uitgestrekte vlakte, nog bij Hildebrands geheugenis, niet dan van konijnen krielende (en zóó zeer krielende, dat zij de paarden voor een toenmaligen fourgon in hun draf belemmerden), in grazige weiden herschapen was, waar de koeien van een vijftigtal welvarende boerderijen op werden uitgezet. Maar hoe veel is er in land en steden veranderd, dat opheldering van verouderde voorstellingen noodig maakt! Het Hondsbosch b.v. is wel, gelijk in de dagen van dien zelfden Teun, nog altijd in het geheel geen bosch meer, als het toch in vorige eeuwen moet geweest zijn,2 maar de Hondsbossche zeewering, door de doortastende wijsheid van den vorigen dijkgraaf, naar het oude beginsel der twee Pieters3steenen aan den Dijk is de behoudenis van 't

[p. 320]

Landt’, door een steenglooiing vervangen zijnde, behoeft het groote open tusschen Kamp en Petten volstrekt geen paalwerk meer.1

Het Haarlemmermeer. - Vruchteloos had onze Jacob van Lennep (April 1837) de prioriteit voor de droogmaking van het Haarlemmermeer tegen die van den aanleg onzer eerste spoorweglijn bepleit; maar weldra mocht zij volgen. Nadat in September 1839 de eerste ‘onafzienbre wagensleep’ over de door den dichter zoo twijfelmoedig te gemoet geziene ‘ijzre baan’, ‘door 't verbaasd Polanen gerold had’, werd reeds in Mei 1840 ‘ter bedwinging van de jammerplaag, die kankrend in Hollands binnenst woedde’,2 ‘de eerste der millioenen steken gronds verwerkt’.3 Twaalf jaar later (1852) verscheen in de Staatscourant het verheven laconische: ‘Het Meer is droog.’ Hoe spoedig kwam het in cultuur! - Hoe veel heeft aan de ontwikkeling van zijn landbouw de eerst onlangs (1885) overleden Mr. P.J. Amersfoort, vóór 1839 met Hildebrand student te Leiden, gedurende het beste deel van zijn leven en tot den dag zijns doods toe, op zijn wereldberoemde Badhoeve, door kunde, krachten, gaven, geld, en goed voorbeeld toegebracht! Hoe voorspoedig heeft het onder het bestuur van zijn eersten en tweeden dijkgraaf, - de tweede heeft reeds zijn zilveren feest in die hoedanigheid mogen vieren4 - op zijn vruchtbaren bodem twee dorpen en meer dan zevenhonderd boerderijen zien verrijzen, zijn bevolking tot vijftiend-halfduizend zien aangroeien, en nu reeds millioenen schats opgebracht! Welk een glimlach moet het dan brengen op de lippen, wanneer men nu leest van den tegenstand der stad Leiden tegen eene onderneming met zulk een uitslag bekroond; tegenstand in de vergadering der Edelmogenden (die trouwens, wat zij ook wezen mogen, sedert het ministerie Thorbecke ook al

[p. 321]

geen Edelmogenden meer worden genoemd) op grond van het overoud recht der Stad op een gedeelte van het vischwater, waarvan dan ook de verpachting haar jaarlijks wel tweeduizend gulden deed ten goede komen!1

Of er, sedert Hildebrands studentedagen, maatregelen genomen zijn om de stad der visschers voor hoogwater te hehoeden, kan hij niet zeggen, zoo min als hij weet of de man Bolus, die dezen zijnen naam te danken had aan de stroopige gebakjes, dagelijks door hem, op den overloop der academietrap, der collegegrage jeugd in de tusschenkwartieren uit een groenen trommel ter versnapering te koop geboden, opvolgers heeft gehad. Even weinig zou hij durven beweren dat de harde plaatkoek, onder den naam van leidsche bul, aan hetgeen elders janhagel of ook hijlikmaker heet niet ongelijk, en evenzeer een goed gebit vereischende, in zijn naam een toespeling omdraagt op dien der doctorale diplomata, aan de leidsche hoogeschool, niet dan met de lofwaardigste inspanning van gaven en krachten, te bemachtigen. Maar wel weet hij, dat er in de stad, óók van bul en bolussen, geen sprake meer is, hetzij van Hogewoerds-, hetzij van Koe-, Witte-, Rijnsburger-, of Marepoort, daar het juist deze zijn, die alle zijn verdwenen, niet achterlatende dan de Morschpoort, boven wier hoofd echter de moker ook reeds opgeheven, maar misschien nog verbeden wordt,2 en de Zijlpoort, die men wel moet weten dat bedoeld wordt, als de eigenaardige leidsche tongval van Zellepoort gewaagt.

De Breestraat is nog steeds breed en weinig veranderd; maar Hildebrands hoekspiegeltje niet alleen, ook het geheele smalle huisje tegenover de Ketelboeterssteeg, waar hij de bovenkamers op de tweede verdieping van bewoonde, is sinds lang in een breeder huisbouw verzwolgen; en wat den Ossekop bij Rivé betreft: niet dan indien door die familie of hare opvolgers

[p. 322]

de leder- of schoenenhandel in dezelfde woning ware voortgezet, zou er waarschijnlijkheid zijn geweest dat hij voortdurend in den gevel was blijven prijken, met den groenen krans om den hals, die den gilde-os in herinnering bracht en de voortreffelijkheid van het leer moest aanduiden. Hiervan echter is mij niets gebleken. Maar in de dagen van den Ossekop, stond tegenover het later zoo schoon gerestaureerde stadhuis, ter plaatse waar thans het Café Neuf ou Suisse zijn uitheemschen naam in den gevel voert, het hollandsche koffiehuis De Twee Kolommen, in welks eenvoudige bovenzalen, ten tijde dat de student Hildebrand daarin westindische bezoekers introduceerde, de Studentensociëteit Minerva haar zetel had, toen ‘nog geschraagd door de dubbele zuil van dien broederlijken zin’, waarvan die Twee Kolommen wel het gelukkig zinnebeeld, maar helaas! geenszins het onderpand zijn konden, daar hij ‘sedert roekeloos’ ofschoon niet voor zeer langen tijd ‘verbroken’ werd. Ook zijn zij opgegeven en de sociëteit, nog in Hildebrands studiedagen naar ‘het huis van Siebold’ op het Rapenburg verplaatst, ziet zich thans, reeds een dozijn jaren, wederom op de Breestraat, maar nu aan de overzijde, gevestigd, in een huis als een paleis, in dit opzicht gelukkiger dan de Alma Mater zelve. Immers niets is zekerder dan dat de hoop op een nieuw en waardig academiegebouw op de Groote Ruïne, door een koning gewekt, door een dichter versterkt, tachtig jaar gekoesterd, en die oogen-blikken gehad heeft waarin zij hare vervulling nabijkwam,1 voor goed ver-

[p. 323]

vlogen is. Een wandelpark, waarvoor de kosten op de rijksbegrooting uitgetrokken zijn en met welks aanleg men reeds begonnen is, zal dit leed moeten verzachten, en de laatste sporen van ‘de Ramp van Leiden’ onder zijne heesters en bloemen doen verdwijnen. De tijdelijke herschepping van het plein der verwoesting in een reusachtig bloemperk rondom den tijdelijken feest-tabernakel, bij gelegenheid van het derde eeuwfeest der hoogeschool (1875), ook bij latere lustra herhaald, schijnt beter bevallen te zijn dan de verschillende plannen en teekeningen voor eenen harer waardigen tempel, die in de laatste jaren en ook nog op dat feestgetij ter beschouwing waren voorgelegd, en waar het bij bleef. ‘Neen, toch niet!’ zei elf jaar later (21 Sept. 1886) prof. Land, bij het nederleggen van zijn rectoraat: ‘de oude Kloosterkerk werd in uiterlijk hersteld, naar de afbeeldingen die vóór 1807 verschenen.’ Iet of wat anders dan in de dagen van Gerrit Witse ziet het er dus wel uit. De moderne vensters zijn verdwenen.

En Haarlem? Het is nog altijd de stad der bloemen en der bollen. Of men het er nog steeds, om als de oude Barend te spreken, van de bollen hebben moet, en in dezelfde mate als vroeger, weet ik niet, maar wel dat wat bloemen betreft, noch daar, noch ergens waar zij gekweekt worden, meer schrale tijden voor haar zijn. Immers, zoo er in de latere jaren iets met voordeel is vooruitgegaan, het is de horticultuur, die ons, in alle seizoenen, dood, onder kransen en, levend, onder ruikers begraaft. De Amsterdamsche poort, ook Spaarnwouderpoort geheeten, door welke de onaangename mensch, in de dagen van de in de lucht zwevende pijpemanden, waarvan de vermelding later zoo ondoorgrondelijk is voorgekomen,1 toen nog per diligence binnenkwam om 's avonds met den wagen van achten weer door haar te vertrekken, is de eenige die er (mag ik mij vleien, te zijner gedachtenis?) nog is overgebleven,2 en zelfs het Hek, dat reeds ten jare '29 de Groote Houtpoort,

[p. 324]

om welke door het klinket binnengelaten te worden, de van zijne wandelingen terugkeerende Hildebrand zoo menigen stuiver had moeten betalen, vervangen had en door hem, met alle Haarlemmers, die de poort gekend hadden, nog altijd met dien naam genoemd werd, is sedert '59 niet meer. De Haarlemmerhout is dezelfde gebleven.1 Het Plein, de Dreef, de logementen, zoo wel het Wapen van Amsterdam (toen van Stoffels) op den hoek van de Meesterlottelaan, scheilinie tusschen Haarlem en Heemstede, als dat op den hoek van den Ouden Hout (het Heeren-logement) worden nog met dezelfde namen genoemd; ook de Koekamp, een stuk gronds, toen nog maar sedert kort (1832) uit den tuin van het Paviljoen te voorschijn gebracht en tot een weide gemaakt, waarop men een paar koeien grazen liet, en dat men met dien onwelluidenden naam bestempelde. Het heeft dien echter reeds weder verloren, door aan zijn vroegste bestemming teruggegeven en opnieuw tot een speelveld gemaakt te zijn, als het onder den naam van De Baan (nog steeds door den weg, die er langs loopt in herinnering gehouden) in vroegere dagen geweest is, en zulks naar de den Haarlemmers ‘voor menig trouwen dienst’ dankbare beschikking van hertog Albrecht (1590). Dies draagt het nù den naam van Aalbrechts- - neen, van Frederikspark. Maar wat in 1864 nog steeds het Hazepatersveld heette en een voortreffelijke en voortreffelijk onderhouden weide was, vermaard door de welige kudde lakenvellers, die men er van jaar tot jaar grazen zag, en sedert 1867 in dat menniste Haarlem tot de bezittingen der aldaar schatrijke doopsgezinde gemeente behoorde, heeft sinds het door deze aan de stad overgedaan en tusschen bloem- en heesterperken met huizen en villa's bezet is, een anderen naam gekregen. Die van de eerzame Haasje Pater, die met haren vader ‘die kroft langen tijd in huur had gehad’,2 heeft voor dien eener heidensche godin plaats gemaakt. Het Hazepatersveld van voorheen heet nu Florapark. Het zal waar-

[p. 325]

schijnlijk dien naam wel behouden, ofschoon Dr. J. van Vloten, die er de laatste jaren zijns levens een huis bewoond heeft (†1883), hem afkeurde en van harte gehoopt had,

 
‘nog den dag te zien geboren,
 
Dat (hij) voor Florapark eens Coornhertpark zou hooren’,1

naar het beginsel volgens hetwelk men de nieuwe stadsgedeelten der laatste jaren Kenau-, Ripperda-, Frans Halspark geheeten had; een welgegronde wensch, tegen welks vervulling de, juist voor dat hooren min wenschelijke verhouding van negen medeklinkers op niet meer dan drie klanken, wellicht in aanmerking genomen worden mag.

Het Paviljoen voert, reeds sedert een twintigtal jaren, niet langer die W in de frontispice, die vóór vijftig jaar, naar de eenparige overtuiging der matineuze wandelaars uit Amsterdam, welke destijds ook die van Hildebrand was, Wullem beduidde; wat zij niet beduidde, evenmin als Welgelegen, 't geen in zijn schooltijd sommige betweters onder zijne makkers meenden te mogen volhouden, en metterdaad de oorspronkelijke naam van dit lusthuis was. Maar de oude Haarlemmers van die dagen bleven het gaarne het Huis van Hope noemen, naar den bankier Henry Hope, voor wiens rekening het (nu bijna een eeuw geleden, 1788) in italiaanschen stijl gebouwd was, en wien koning Lodewijk het in 1808, voor drie ton uit de handen had gebroken; edoch voor lands geld, op grond waarvan hij ook het later daarover door hem gevoerde rechtsgeding verliezen moest, al had dan ook zijn keizerlijke broeder het ten jare 1811 verklaard tot de domeinen te behooren van de fransche kroon.

Nog altijd staat het daar en beheerscht gelijk vroeger de middellaan van den z.g. Nieuwen Hout, waarin echter de Hertebaan sedert lang de plaats bekleedt van het sterrebosch dat Hildebrands jeugd er gekend heeft; het sterrebosch met de twee kroosrijke vijvers, als de glazen van een reusachtige groene bril, in het midden, en met den cirkel van prachtige beuken (de O noemden wij hem), die de sterrestralen halverwege doorsneed. Sedert koning Lodewijk er den 1den Juli 1810 de acte van afstand geteekend,2 en van de nu verdwenen houten viaduct, dien hij, om in zijn overtuin te komen,

[p. 326]

over den Kleinen Houtweg had laten slaan, zijn smartelijk ‘Adieu, Holland!’ had uitgeroepen, heeft de door hem verlaten huizinge velerlei bestemming gehad. Naar Hildebrands vroegste herinnering werd zij bewoond door de ‘Oude Prinses’, weduwe van Willem v (‘Willemijntje’, als de inwoners van de indertijd erge Keezenstad Haarlem haar bij voorkeur plachten te noemen), en thans weet hij dat het haar naam was die door de sierlijke trekletter in de frontispice werd aangeduid.1 Met hare dochter, prinses Louise, had zij het in zijn geboortejaar betrokken en hield er tot 1820 verblijf. Later heeft ook hij zijn voeten menigmaal aan gevaarlijke uitglijdingen gewaagd op de gladgeboende parketten van den bel-étage, als deze zich (1828) voor de meesterstukken van nieuwere schilderkunst geopend had, welke nu onlangs bij de schatten van het rijksmuseum te Amsterdam zijn ingelijfd. Dat intusschen en daarna het vorstelijk gebouw zijne zalen heeft opengesteld om achtereenvolgens der geologie, der kennis onzer overzeesche bezittingen, en der nijverheid tot museum te strekken, is hem niet onbekend gebleven. Een Engelschman mocht hier vragen: ‘What next?’ Maar zooveel is zeker: de kans voor den aanleg eener botanische tuin op de bijbe-hoorende gronden, die tot de droomen van Lodewijk Napoleon behoord heeft, is nu wel voor goed verkeken.

De buitensociëteit van Trouw moet blijken, nu, van een hoog terrein, de gansche Dreef bestrijkende en de stad als in de keel ziende,2 stond ten dage van Nurks in de rooiing van en tusschen de twee logementen. Bij de groote verandering van den Nieuwen Hout en den aanleg van de hertebaan had

[p. 327]

Zocher1 gezorgd voor een percé in zuid-oostelijke richting, waardoor hare leden, buiten gezeten, in de gelegenheid gesteld waren, over deze heen, tot de schepen toe te zien die door het Sparen gingen. Weinige zullen er nu nog zijn, die zich herinneren, hoe het gezicht nu en dan van een bruin of wit zeiltje in het verschiet, hun den loop der naar het Haarlemmermeer spoedende rivier verraden kwam.

De Geleerde Man, vermaarde herberg aan den straatweg tusschen Haarlem en Leiden, tegenover de Bennebroekerlaan, waar Dolle Gerrit pleisterde en de student Zus den duren en deunen kastelein van die dagen verbleeken deed door het buitensporig verlangen de lantarens opgestoken te zien ‘bij klaarlichten dag’, bestaat sedert jaren niet meer. Duintje is dood; en de straatweg tusschen Haarlem en Leiden, door den spoorweg tot doodschheid verwezen, bleef dit, tot hij in deze laatste jaren, door het op- en neergaan van een stoomtram, tot nieuw leven is ontwaakt.2

Ook de uitspanning Zomerzorg in het Bloemendaalsche Bosch, die het doel was van des Dollen tocht met de vier in, en de vier vóór de calèche, is nu reeds sedert een dertigtal jaren als zoodanig verdwenen. Zij werd tot een privaat buitenverblijf gemaakt door den bezitter van het belendend heerlijk landgoed, dat het lommer van zijn geboomte altijd breeder en hooger tegen de schilderachtige duinhelling opvoert, welke reeds voor vele eeuwen om hare schoonheid beroemd was.3 Het naburig Velzerend, in de onmiddellijke nabijheid van de ruïne van Brederode, door den ijver van haarlemsche oudheidsvrienden in goeden staat gebracht, vaart er wel bij. Maar wat ook rechts en links moge veranderen: op den weg tusschen het tot bijzonder eigendom geworden Zomerzorg en het nu zooveel te drukker bezochte Velzerend, bloeit van jaar tot jaar de Aristolochia Clematitis als in de dagen van mijn vriend Boerhave, en op de hoogte der Blauwe Trappen kruipt het nakroost der wijngaardslakken van 1839 over de laarzen der tegenwoordige liefhebbers, met de getrouwheid van de kinderen der natuur aan de oorden en plaatsen, waar zij eenmaal hebben post gevat, en de mensch ze niet verjaagt.4 Ook zal het stille werk der plantenwereld in de Breezaap zich niet laten storen omdat er nu een IJmuiden in de buurt is.

[p. 328]

Rotterdam. Kwam Klaartje Donze er thans, zij zou zich nog wel te wachten hebben voor óverrijwagens, waarvan de naam mij gebleken is buiten Rotterdam weinig bekend te zijn, zoodat men den klemtoon op de derde, in plaats van op de eerste lettergreep zou willen hebben om er iets van te kunnen maken;1 maar zij zou in de (Kleine) Draaisteeg den grond niet meer voor hare voeten zich plotseling zien openen,2 en met vreugde opmerken, hoe een uitgebreid en sierlijk nieuw wandelpark, met het standbeeld van Tollens, het Nieuwe Werk van haar logeerdagen heeft doen vergeten. De Plantage, volgens haar eerder onder de omstreken van Gorkum dan onder die van Rotterdam te tellen, zou zij nu, daar er midden in de nieuwe uitbreiding van ook deze stad, eene ‘nieuwe’ gekomen is, tot hare verbazing met den naam van ‘oude Plantage’ hooren achter de bank stellen; maar, het riviergezicht rechts en links, zoo ruim niet meer als vroeger, van het Hoofd,3 en niet dan met mathematische spoorwegbruggen doorgeschrapt, kunnen genieten; en ook geen oude rotterdammers meer hooren klagen, van de niet minder dan drie concertzalen, die de stad, trouwens zonder indertijd ‘veel tot haar (Klaartjes) genoegen bij te dragen’, rijk was, ‘het lieve zaaltje in de Bierstraat’4 te moeten missen. Wat Dr. Witse betreft: hij zou, ter plaatse waar hij zich in het Leesmuseum met boeken bezighield, en met uitkijken verpoosde, nu de Handelsociëteit vinden, de Beursbrug dier vroegere dagen

[p. 329]

in een Beursplein herschapen zien, en in de gelegenheid wezen zijne indertijd in Hildebrands boezem nedergelegde mededeelingen betreffende den weg, dien hij genomen had om het lieve Klaartje op de Blaak tegemoet te gaan, te verbeteren, gelijk deze, zonder hem, in staat gesteld is dat eindelijk eens in de eerstvolgende uitgave van zijn werk te kunnen doen.1

Amsterdam. De zeldzame energie en het helder vooruitzien van den Med. Dr. Sarphati, mede een van Hildebrands belangwekkendste tijdgenooten aan de hoogeschool, heeft den stoot gegeven en den grond gelegd tot eene uitbreiding van de hoofdstad, waarbij de elkander opgevolgde vergrootingen der vorige eeuwen, niet in degelijkheid van gebouwen, maar zeker in uitgestrektheid achterstaan; en een Amsterdam zonder tramlijnen is sedert jaren zoo ondenkbaar als een Nederland zonder spoorwegen. De tijd nadert dan ook dat, door de om dier wil plaats hebbende verlaging van de eene brug na de andere en het dempen van zoo menige gracht, van de bekwaamheden van een Amsterdamsch koetsier, niet meer zooveel meer zal gevorderd worden dan van die van een ordinaris koetsier in de provincie.

Tot de vele verbeteringen, die door de zorg van het gemeentebestuur met de Veranderingen hand aan hand gaan, behoort ook het vriendelijk voorkómen van het werpen van asch en vuilnis ‘in den burgwal’, als de Amsterdammers zeggen, die niet het gegraven kanaal, maar de straat ter wederzijde met den naam van gracht gelieven te bestempelen. Vaste asch- en vuilnisbakken bij de ‘sluizen’ (amsterdamsche naam voor wat onze overige landgenooten, ook als die van steen zijn, bruggen noemen), later door schuiten met dezelfde bestemming aan opzettelijk daarvoor gebouwde steigers vastliggende, vervangen, namen sedert tal van jaren een der jammeren weg, op grond van welke de buitenman zich boven den stadbewoner gelukkig prees.

Sedert men het Vondelpark met zijn paviljoen bezit, wordt van de herberg de Berebijt, ter plaatse waar, in de dagen van olim, de stichtsche trekschuiten aan de lijn kwamen, als plaats van uitspanning niet meer gewaagd. Van de sociëteiten, waar Hildebrands beminlijke neef Nurks lid van was,

[p. 330]

bestaat de eene, die in het vroegere muntgebouw vergaderde en daarnaar De Munt genoemd werd, reeds sedert een dertigtal jaren niet meer. Wat zeg ik? Van dat vroegere muntgebouw hebben de laatste jaren, niet zonder vrees dat die op een goeden dag zou komen om te vallen, den toren alleen en op zichzelf zien staan, tot dat hij verleden jaar den steun verkregen heeft van een in overeenkomstigen stijl opgetrokken huizing, waarin een oudheidkundig genootschap zijn zetel en zijn schatten gevestigd heeft. Maar Natura Artis Magistra, de loffelijke stichting van den wakkeren Westerman en zijne twee vrienden, in het jaar na het eerst verschijnen in den Studenten-Almanak voor 1837 van de wel wat woorden- en tegenstellingrijke strafrede tegen de beestenspellen, op den 1sten Mei met zijn eigene verzameling begonnen, twee jaren later met de bevolking der menagerieën van de kermisreizigers en dierentemmers van Aken en Martin1 vermeerderd, mag zich, gelijk in een steeds toegenomen uitbreiding van terrein, vermeerdering van gebouwen en van voorwerpen, in een tot verscheidene duizenden aangewassen heirleger van leden verheugen. En zoo geen dier duizenden haar nog met den naam van Diergaarde aanduidt, na gedurende bijna een halve eeuw de lust en liefde van geheel het beschaafde Amsterdam te hebben uitgemaakt en der wetenschap onschatbare diensten te hebben bewezen, noemt haar ook niemand meer als nog voor twintig jaar Apentuin.

Ik gevoel behoefte in dit hoofdstuk de verklaring af te leggen, zeer wel te beseffen dat de vraag: kent gij het eiland Marken? nu veel meer en uit anderen hoofde verwondering baren zal, dan toen zij vóór nu bijna een halve eeuw door mij gedaan werd. Weet ik niet dat in de laatste jaren zeetochtjes per stoomboot naar het eiland Marken tot de feestlijkheden behooren, die in bruids- en congresdagen aangericht of voorgenomen worden en, van Amsterdam uit, geenszins zeldzaam zijn? Is het mij onbekend dat het, zoowel als de ‘Doode Steden aan de Zuiderzee’, en met deze, ook bij de toeristen, die veelmeer dan vroeger in onze vaderlandsche eigenaardigheden beginnen belang te stellen, als hoogstmerkwaardig in aanmerking komt? Edinburgsche jonkvrouwen, van Hildebrands kennis, bezochten het

[p. 331]

in het voorjaar van 1885 met het hoogste interest. Zij waren opgetogen van den schoolmeester, die haar, met behulp der fransche taal, zeer goed en zeer welwillend voorthielp en onderrichtte. Maar aan haar verlangen met betrekking tot het eigensoortig borduurwerk der markensche vrouwen, waarmede die o.a. de sloopen der (bed)kussens versieren, kon niet voldaan worden. ‘Dat maken zij alleen voor haarzelve; het is niet te koop,’ was het antwoord dat gegeven werd, en de schotsche harten met eerbied voor de fierheid dezer dochteren der Celten vervulde. De bewering, in de C.O. gewaagd, dat zij zelden in schoonheid uitmunten, vereischt misschien herziening. Dat er overschoone typen onder haar vóórkomen, is gebleken aan dat voortreffelijk borstbeeld van Wolmet, van de hand van onzen F. Stracké, in de kunstzaal van het Panorama in de hoofdstad te aanschouwen gegeven, die in schoonheid zijn reeds zoo schoon Duifje nog overtreft. Duifje is door en door lief en rein; Wolmet daarenboven waardig en edel.

Van deze schoone markensche kom ik op de mooie Noord-Brabantsche, en door deze op Oosterhout, thans een stad met tienduizend inwoners, die men uit Breda met een stoomtram nadert, en waar niemand het dorp, of stadje, als het zoo wezen moet, meer in zou herkennen, daar de voetreizigers van 1839 elkander zoo graag op maakten. Van dorp of stad bij koninklijke gunst kan geen sprake meer zijn, sedert minister Thorbecke alle steden en dorpen gezamenlijk tot ‘gemeenten’ heeft weten te doen verheffen. Het marktplein is er steeds hetzelfde, maar de ruime kerk nog aanmerkelijk ruimer geworden; voor den Berg Calvarië durf ik niet meer instaan; maar de mooie ruïne in de nabijheid beantwoordt nog geheel aan een teekening, in 1839 door Kareltje er van gemaakt; en de vele knappe nieuwe huizen, waarvan diens tochtgenoot destijds hoog opgaf, zijn in de vijftig jaar, die sedert verloopen zijn, zeker vijftig maal talrijker geworden. Ook de herberg, waarin Kareltje en zijn vriend het mooiste van allen gingen opzoeken, is in het laatste jaar niet slechts opgeknapt en herbouwd, maar heeft ook den naam van Logement Van Gend en Loos voor dien van Hotel Hildebrand verwisseld. Het mooie Keetje, dat haar weduwlijke moeder in de affaire eerst heeft bijgestaan, daarna is opgevolgd, heeft ze op haar tachtigste jaar aan den tegenwoordigen eigenaar, die er den tegenwoordigen naam aan gaf, overgedaan en het huis verkocht. Maar nog leeft en woont zij te Oosterhout, tot in goeden ouderdom mooi gebleven, en nog altijd ‘geen ruïne’; want hoewel van hare schoonheid nu niets rest dan de oogen, die niet oud worden, en de regelmatigheid van haar trekken, bleef zij nog in het bezit van al hare vermogens, en geniet in de stad harer woning aller onverminderde achting en toegenegenheid. Tot een huwelijk is zij nimmer overgegaan, maar dezelfde gebleven in deugd en eerbaarheid; en die zekere vermaardheid, die haar het opstel in de Camera Obscura gegeven heeft, is haar

[p. 332]

eerst wel tegen de borst geweest, maar heeft zij mettertijd zich laten welgevallen. Een kaartje, op Hildebrands zeventigsten verjaardag is hem daarvan een aangenaam, en de hartelijkheid waarmede zij in den zomer van 1886, zijn bezoek heeft ontvangen, het doorslaand bewijs geweest. Iemand had haar, tegen zijn bedoeling, van zijn op weg zijn onderricht, maar hij zelf volgde te spoedig om haar met de groote geplooide slippen van de brabantsche muts te vinden, die zij, zeide zij, te zijner eere nog eens had willen opzetten, en in het uur dat hij bij haar doorbracht, had hij ruimschoots gelegenheid om zich van de getrouwheid van haar geheugen, de levendigheid nog altijd van haar geest, en de degelijkheid van haar karakter te overtuigen.

Misschien doet Hildebrand er niet kwalijk aan, ten besluite van een hoofdstuk, dat ‘van groote veranderingen in land en steden’ handelt, ten behoeve van toekomstige lezers der Camera Obscura nog aan te teekenen, dat zij hoogstwaarschijnlijk aan den Voerweg te Nijmegen de geringe luidjes niet meer woonachtig zullen vinden, van welker weemoedige deelneming in de begrafenis van zijn oudsten academievriend, hij in zijn Laatste Bijvoegsel gewaagd heeft. Ook is het te wachten dat die naam van Voerweg wel eerlang voor een anderen plaats maken zal. Want de Voerweg is geen voerweg meer, sedert de straatweg naar Ubbergen verlegd is, en de Hoenerpoort, door welke hij op dezen uitkwam, afgebroken en door een park vervangen is. De woningen der geringe luidjes, die er gevonden werden, zullen waarschijnlijk plaats gaan maken voor aanzienlijker gebouwen, sedert de monumentale brug, over de kloof tusschen Valkhof en Kelfkensbosch heengeslagen, deze, ter eere van hen, die zich in het laatste zestal jaren door de uitvoering van de plannen tot uitbreiding der stad verdienstelijk gemaakt hebben, in het jaar 1886 aan elkander verbonden heeft.1

De destijds nog wakkere grieve van Alkmaars burgerij wegens de bijzondere kosten aan de begraafplaats besteed, waarop in den aanvang van het opstel de Noordhollandsche Boer gezinspeeld werd, is bij het derde geslacht natuurlijk geheel vergeten; en indien het thans jonge Nederland volstrekt niet weet waar, in de dagen van Mr. Hendrik Johannes Bruis en der theetuinen, de commiezen en commiezenhuisjes toe dienden, zoo is dit de schuld der in 1865 vastgestelde gemeentewet, die de stedelijke accijnzen afschafte, de met hunne inning belaste ambtenaren op wachtgeld stelde, en dezer licht getimmerde wachthuisjes bij de toegangen der steden overbodig maakte. Ook zal het niet dan aan de veranderlijkheid der militiewet te wijten zijn, indien hetzelfde geslacht meenen zou dat Hildebrand zich vergist

[p. 333]

had, toen hij, in den aanvang van zijn opstel De Markensche Visscher, de dienstplichtigheid der nederlandsche jongelingschap een jaar vroeger deed aanvangen, dan waar zij zich heden ten dage in verheugen mag. Eindelijk; al is de recruteering van het ‘vast intreckend legher’ der Humoristen, waarover zich zijn vriend Melchior reeds ten jare 1839 zoo zeer verontrustte, sedert van jaar tot jaar vooruitgegaan: men zal in hunne bonte gelederen er nu geen meer aantreffen ‘die het met de bedelaars houden in de boeken, en ze naar Frederiksoord helpen sturen in de Maatschappij van Weldadigheid’; vooreerst, omdat de toenemende studie en meer en meer algemeen dóórdringende lessen eener ‘gezonde staathuishoudkunde’ de sympathie voor bedelaars overal in minachting hebben gebracht, maar ook, omdat Frederiksoord sedert den jare 1859 opgehouden heeft een bedelaarskolonie te zijn, en de Maatschappij van Weldadigheid niet anders meer beheert dan vrije koloniën, als liefdadigheidsinstellingen tot voorkoming van armoede.

1Wat toch een dagbroer wezen mag, is mij van zoo vele kanten gevraagd, dat ik vreezen moet dat het type uitgestorven is. Misschien is het, naar de wet der evolutie, in een jabroer overgegaan. De dagbroer van koek vertoonde de figuur van een hansworst, pekelharing, of lustigen broeder, vroolijk optredende, met de muts in de hand, als om de toeschouwers te groeten (goedendag te wenschen).
1Twee firma's, vooral de eerste, zeer bekend in de wereld des vervoers. Van Gend en Loos dagteekende van het laatst der vorige eeuw, opgericht door den vader van dien Jean Baptiste van Gend, die sedert 1831 aan haar hoofd stond en in 1880 te Antwerpen overleed. De diligence-onderneming strekte zich over Zuid- zoowel als Noord-Nederland uit. Als Algemeene Expeditie-Onderneming arbeidt de firma nog heden. Veldhorst en Van Koppen bepaalden zich, zoover ik weet, tot ons vaderland.
Op den 70sten verjaardag van z.m., den Koning, 19 Febr. '87, heeft de firma Van Gend en Loos in den optocht, ter opluistering van dien feestdag door de Utrechtsche Burgerij georganiseerd, zich nog doen vertegenwoordigen door een oude diligence met vierspan, en daarbij een strooibiljet verspreid van den volgenden inhoud:
‘Aan z.m. den Koning der Nederlanden, Groothertog van Luxemburg enz. enz. enz. benevens aan alle z.m. Onderdanen, begunstigers der Onderneming, te Utrecht en Elders.
 
Voor zeventig jaar liep ik gezwind
 
Van Brussel naar Amsterdam,
 
Met de tijding dat er een Koningskind,
 
Een Prins, ter wereld kwam.
 
Sinds negentien jaren loop ik niet meer;
 
Maar nu, gelijk gij ziet,
 
Op dezen Feestdag nog ééne keer,
 
Den Vorst ter eer,
 
Die, sinds tweemaal negentien jaar en meer,
 
Als Koning in Neerland gebiedt;
 
En wat ook veranderde of verkeer,
 
Nog komt uit mijn horen gelijk weleer
 
Het oud Wilhelmus-lied.
 
Leef Laatste Wilhelmus! leef nog lang;
 
Word tachtig, wordt negentig jaar!
 
Met U zijn wij voor niemand bang,
 
En blijft de boêl bij mekaar.
 
(Get.) De Diligence van
 
Van Gend en Loos’
Lager stond: De dichter: Niet Bekend.
1Het mij vriendelijk over den Oceaan toegezonden No. 20 (16 Mei 1884) van den 2den Jaargang van het in onze taal te Chicago Illinois uitkomend Nieuws- en Advertentieblad De Nederlander, geeft mij het volgende te lezen:
‘De Canal Commissioners hebben aan Mr. J.W. Beach vergunning gegeven om langs het Illinois- en Michigan-kanaal van Chicago tot La Salle (een afstand van 100 mijlen) een pneumatic tube te leggen.
Dit is niets anders dan de “Onderaardsche Schietblaasbalg”, waarvan Hildebrand in zijn brief aan den Eerzamen Dirk Rietheuvel, bijgenaamd de Mottige, spreekt.’ - Zoo heeft dan ook de Nieuwe Wereld, zoowel als de Oude, hulde gedaan aan dat onsterfelijk genie.
2Het dorp van dien naam verdween (1421) in den St. Elisabetsvloed.
3Pieter Straat en Pieter van der Deure. Zie Nederl. Gesch. en Volksleven, door van Lennep, Moll en ter Gouw, 2de dl.
1Er moest, toen Teun de Jager geschreven werd, nog een dertigtal jaren verloopen, eer het houten paalwerk met een zanddijk er achter, dat hier het geweld der baren keeren moest, onder het bestuur en naar het ontwerp van den dijkgraaf Jhr. Mr. C. van Foreest, in strijd, naar men zegt, met de adviezen van den Waterstaat, maar met den besten uitslag op den duur, plaats zou maken voor een steenglooiing van obercasselsch zuilenbazalt, welke nu reeds sedert een twaalftal jaren in dit opzicht niets te wenschen overlaat, en waardoor (als de door het dijkbestuur na den dood van den dijkgraaf (1875) aan de familie verstrekte oorkonde luidt) ‘eene krachtige verdediging tegen de Noordzee (werd) verkregen en de veiligheid aan een groot gedeelte van Noord-Holland wordt verzekerd’.
2De IJzeren Spoorweg van Amsterdam op Haarlem, Lierzang, den Aanleggeren en Begunstigers daarvan toegezongen. Amst. 1837. In dit dichterlijk pleidooi wordt, wegens het voortdurend invreten van het Meer, ‘Hollands Maagd’ (gelijk tweehonderd jaar vroeger door Vondel, Hollands Leeuw) bij een teringzieke vergeleken, en het aanleggen van een spoorweg bij het haar onder deze omstandigheden ‘omhangen met ongekende pronkkleedij’ gelijkgesteld.
3P. Boekel, Geschiedenis van het Haarlemmermeer. Amst. 1868, bl. 135, 6.
4De eerste, 1834-60, was de heer J.L. van der Burch geweest; de tweede is nog steeds Jhr. J.W.M. van de Poll.
1- ‘Nog wordt de visscherij in de vroonwateren door de stad Leyden gepacht, en brengt zij een bruto jaarlijksch inkomen van ƒ2000 op; tot op den huidigen dag staan, der stads regt aanduidende, palen rondom de geheele uitgestrektheid van het Meer, tot aan den ingang van het Nieuwe Meer toe, tot digt aan de poorten van Amsterdam; nog op den huidigen dag is een lid van den Raad met het Vroonheerschap te Leyden belast, en bestaat aldaar een speciaal stedelijke opzigter over al de vroonwateren’ enz. enz. Aldus onze vermaarde volksvertegenwoordiger (later minister) L.C. Luzac, inwoner der stad Leiden, op den 2den April 1838, in de vergadering van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Zie Staats-Ct. van 9 Apr. No. 85, of ook Mr. W.J.C. van Hasselt's uitgave met aanteekeningen van het Haarlemmermeerboek van Leeghwater, Amst. 1838, bl. 68-87. Men zal zich ook de belangrijke taal- en geschiedkundige strijdschriften herinneren, destijds over vroon en vroonwateren gewisseld tusschen de geleerde heeren prof. M. de Vries en dr. R.C. Bakhuyzen van den Brink.
2In Oct. 1875 staakten de stemmen in den Raad, op het voorstel om deze poort, in de tweede helft der 17de eeuw volgens de plannen van den beroemden leidschen bouwmeester Willem van der Helm gebouwd, voor afbraak te verkoopen. Maar de noodzakelijkheid van kostbare herstellingen brengt op den duur haar behoud in gevaar.
1Zie Leydens Ramp, door Mr. Willem Bilderdijk en Matthijs Siegenbeek, Amst. 1808. Siegenbeek schreef (bl. 72.): ‘Ook het plein, door de verwoestinge gevormd, vervult alreeds de ziel des aanschouwers niet meer met een even somberheid wekkend gevoel van akelige ledigheid als te voren. Hetzelve toch werd ingevolge het plan van herbouwinge, door Zijne Majesteit vastgesteld, voor een gedeelte met boomen beplant, terwijl een ander deel, waarop de grondsteen voor een gedenkteeken der ramp, reeds den 12 Januarij dezes jaars, op eene aandoenlijk plegtige wijze gelegd werd, in gereedheid wordt gebragt, om de grondslagen voor een nieuw op te rigten Akademie-gebouw, waardig den luister van Hollands Koninklijke Universiteit, te ontvangen.’ Bilderdijk zong den Leidenaren toe:
 
‘Uw kinders zullen, - lang vergeten
 
Wat hier de muren omgesmeten,
 
De straat met puin bedolven had,-
 
In overvloed en rust gezeten,
 
Het ongeluk weldadig heeten
 
En bogen op hun schoone stad!
 
Wanneer uw Huizen, Tempels, Hoven,
 
De Seine van haar roem berooven,
 
De Theems beschamen van zijn' trots.
 
En de onder 't Gothsche puin verstoven
 
Romeinsche statigheid verdoven,
 
Met d'adel van Minervaas rots.’
Zes jaar daarna decreteerde Willem i dat met dien bouw zou worden aangevangen ‘als de omstandigheden het toelieten’; tweeënzestig jaar later scheen daartoe het gelukkig oogenblik aangebroken te zijn. En de redenaar van den 14den Juni 1875 meende niets te wagen als hij zich dus liet hooren: ‘Eerlang - wij durven het verwachten - eerlang wordt hier de eerste steen, welhaast de grondslag gelegd van een nieuw academie-gebouw, dat voorspoedig en in vrede moge oprijzen, aan hare tegenwoordige behoefte voldoen, en harer waardig zijn. Het zal een schoon oogenblik wezen.’ Toespraak, gehouden 14 Juni 1875 voor oud-studenten en studenten der L.H. School, Leiden 1875.
1‘Deze uitdrukking,’ schreef men mij, ‘is velen vreemd en onverklaarbaar voorgekomen omdat het mogelijk eene verouderde of gewestelijke uitdrukking is.’ Och neen! De in de lucht zwevende pijpemanden dienden aan den top van hooge palen als bakens, die van afstand tot afstand de richting van een voorgenomen spoorweg aanwezen.
2Meest te bejammeren is de slooping van de zoo teekenachtige Eendjespoort, aan het Zuider Buitensparen, en van de Kleine Houtpoort, gebouwd naar teekening en plan van den beroemden Marten van Heemskerk (M.v. Veen) †1574, die zich, van de Groote Houtbrug gezien, zoo geestig met hare hoektorentjes voordeed. De Nieuwe- of Kennemerpoort was jaren vóór haar beslissenden val reeds door Zocher in zijn plan van verandering der oude stadsbolwerken in aangename wandeldreven opgenomen, en wel zoo, dat het wandelpad zich over haar gewelf voortzette, hetwelk echter welhaast noodig had door een overdekte rustplaats, in den vorm van een rustieke hut, voor het doordringen van regen- en sneeuwwater beveiligd te worden. Het fraaie beeldwerk op de frontispice en de grauwe steenblokken, waaruit deze poort was opgebouwd, hebben mijne jeugdige oogen nooit aanschouwd, daar het onder dikke kalklagen begraven lag. Na het afbreken van de poort moet het echter weer te voorschijn geroepen zijn. De frontispice staat thans, opgemetseld, in den gevel van de Opleidingschool voor Middelbaar Onderwijs (Jongens) in de splinternieuwe Wilhelminastraat.
1Zie over den Haarlemmerhout en zijne lotgevallen het boeiend opstel van F.W. van Eeden: De Bosschen van Kennemerland, in het Album der Natuur, Jg. 1867; sedert mede opgenomen in zijn belangrijk bundeltje, onder den titel: Onkruid. Botanische Wandelingen. Haarlem 1886.
2Zij leefden 1620-70. Het land was afkomstig uit de bezittingen der Commandery van St. Jan.
1In zijn Nieuwjaarszang als Factor van de Rederijkerskamer Trouw moet blijken, 1882.
2Ten behoeve van zijn toen oudsten zoon Louis Napoleon, die in 1831 te Forli, op den aftocht na den vergeefschen kamp voor de romeinsche republiek, bezweek. Toen kwam de erfenis van diens rechten en vermeende rechten, waaronder ook dat van den naam Napoleon te mogen aannemen, op zijn jongeren broeder Charles Louis, dien wij President van de fransche Republiek, Keizer der Franschen en Overwinnaar in Italië hebben zien worden, en wien reeds bij zijn geboorte in 1808 onze Bilderdijk had toegezongen:
 
Wat luister wordt, o dierbaar hoofd,
 
In d'afloop der Eonen,
 
Door 't lachend Noodlot u beloofd?
 
Wat glans van kransen? kronen?
 
Lief handtjen, dat zoo teder nijpt
 
En blindlings tastend om u grijpt,
 
Wat scepters zult gij dragen?
 
Vreugdezang, April 1808
1Het bewijs hiervan is te vinden in de processtukken omtrent den eigendom.
2Van het eigenaardige der oude rederijkerskamer der Pelikanisten, onder de zinspreuk Trou moet blijcken en met den Pelikaan tot zinnebeeld, die tot een sociëteit vergroeid is, waarvan sedert jaren alle notabele Haarlemmers lid zijn, is niets overgebleven dan het bezit der oude wapenborden, de titels der leden van het bestuur (Keizer, Prins, Fiscaal, Vinders, Vendrig) en die van den Factor, die nog altijd, van jaar tot jaar in den nieuwjaarsnacht voor de verzamelde leden een gedicht heeft voor te dragen, gelijk ook de knecht een nieuwjaarswensch op rijm. Zie voor de geschiedenis der oude rederijkerskamer, de jaarverzen van den Factor A. Beets voor 1860, '61 en '63, en voor die van de Sociëteit Trouw moet blijken in de 18e en 19e eeuw, het geschrift onder dien titel van Dr. E.H. von Baumhauer, Keizer der Sociëteit; 1880.
1Joh. Dav. Zocher, geb. 1790 overl. 1870.
2Zie Register.
3Zie ook over deze duinhelling, Zomerzorg, Veizerend, en de Blauwe Trappen het voortreffelijk opstel van F.W. van Eeden: De Bosschen van Kennemerland, in het Album der Natuur, Jg. 1867.
4‘Eene plant;’ schrijft Van Eeden in 1867; ‘eene plant die aan dien (Grafelijken) tijd herinnert en in groote menigte in deze streek gevonden wordt, is de Aristolochia Clematitis L. (pijpbloem, of sarrazijnkruid). Volgens de overlevering is deze plant door de kruisvaarders uit het Oosten hier gebragt, en het eerst in de Kloostertuinen en bij de Kasteelen gekweekt.’ (Van Eeden, De Bosschen van Kennemerland, Alb. der Nat. 1867.) Wat de Wijngaardslak (Helix pomatica, eetbare caracole) betreft: ‘de natuuronderzoekers twijfelen of zij wel tot de inlandsche slakken behoort, omdat men, waar zij gevonden wordt, nog kan nagaan dat zij ingevoerd is geworden, en later, om zoo te zeggen, verwilderd.’ (Herklots, De Weekdieren van Nederland, bl. 35.) Van de wijngaardslakken op de hoogte der z.g. Blauwe Trappen kan ik dit niet nagaan, maar van het landgoed Wildlust onder Lisse weet ik het met zekerheid. Onze beroemde ornitholoog Temminck, die het bezat en bewoonde (†1858), had ze er geplant, en zij zijn er nog.
1Overrijwagens is de naam, in Neerlands tweede koopstad gegeven aan lange stevige wagens op vier lage wielen, waarmede de koopmansgoederen van de eene plaats naar de andere (van boord naar de pakhuizen) over worden gereden.
2Dwars over die druk begane steeg, lag weleer gelijkvloers een brugluik, dat van tijd tot tijd, en nogal dikwijls, openging om schepen door te laten. Thans verneem ik dat de plaats, waar de Draaisteeg verdwenen is, den naam van Kolkkade draagt.
3De lange, zich ver in de Maas uitstrekkende houten steiger van dien naam is met de poort, waardoor men hem bereikte, en die dan ook den naam van Hoofdpoort droeg, verdwenen, om plaats te maken voor hetgeen men thans tusschen de achterhuizen van het Haringvliet en de rivier, op het haar ontroofd en door aanplemping verhoogd gedeelte van hare bedding aanschouwen mag: tuinen achter de huizen van het Haringvliet en het, bij voortduring, voorloopig stationsgebouw van den Rijnspoorweg. Oosterkade.
4Sedert voor kantoren ingericht.
1De bewoners van Rotterdam zullen het gemakkelijk kunnen vergeven, indien hij, met de meeste hunner tot hiertoe, de Gapersteeg, die het verlengde van de Vischsteeg is, ook nog Vischsteeg genoemd heeft. Maar wat te zeggen van het verwarren van de Posthoornsteeg met de Koningsteeg? Op deze wijze zou de arme Gerrit geheel van den weg geraakt zijn en zijn doel niet hebben bereikt. Wat de Houtbrug betreft: wij weten nu dat de officiëele naam Keizersbrug is, en zulks naar den Keizerstoren, die eenmaal daar ter plaatse tot de verdedigingspunten aan de rivierzijde der stad behoorde; maar zij werd indertijd zelden anders dan bij haar volksnaam Houtbrug genoemd, dien zij te danken had aan de vaste ligplaats der houtschippers, die op het landhoofd nevens haar hun talhout stapelden.
1Het is het beestenspel van Martin geweest, bij welks beschouwing den student Hildebrand de gedachten zijn door 't hoofd gegaan, die aanleiding gegeven hebben tot het opstel, in welks eerste redactie (St. Alm. 1837) de naam van dien dierentemmer ook nog genoemd wordt (goed of kwaad zeggen van den Heer Martin. Vg. C.O. 16e uitg. bl. 13). Hij moet er zelfs eenige aanteekeningen hebben willen maken, waartoe hij wel papier, maar geen potlood bij zich had, welk laatste hem te dien einde door zijn medestudent C. Leemans, vriendelijk verstrekt werd, gelijk die sedert als oudheidkenner en egyptoloog zoo beroemd geworden geleerde de goedheid had zichzelven en hem, die het ondankbaar vergeten had, na bijna een halve eeuw, te herinneren, op het keurig albumblad, met zoovele andere, hem op den 13 Sept. 1884 vereerd.
1Zie de afbeelding en beschrijving in Eigen Haard 1886, No. 42.
prepostterug  begin  verder