terug  begin  prepost
[p. 347]

Alphabetisch register van namen en woorden

{Het hieronder volgende register op namen en woorden in de Camera Obscura is conform het oorspronkelijke, met aanpassing van de paginaverwijzingen. De getallen voorafgegaan door c. verwijzen naar de tekst van de Camera, die achter Zie hebben betrekking op Na vijftig jaar zelf.

Het register is gebaseerd op de zestiende druk van de Camera. Op enkele plaatsen geeft het woorden die door Beets nadien zijn vervangen door andere. Zij komen dus ter plaatse niet in deze uitgave voor. In dat geval is het nieuwe woord door ons vermeld tussen accolades.}

Abtswouder boer (de), c. 382. H.K. Poot. Akkerleven.
Academiegebouw, c. 251 {aldaar: Hoogeschool}. Zie 303, 322.
Accessit (het), c. 259.
De tweede prijs, of een loffelijke vermelding.
Ach, du lieber Augustin! c. 82.
Het lied, dat hier met zijn alom bekende wijs en woorden het pompeus reciet van mevr. Dorbeen storen komt, dagteekent, volgens de overlevering, van het j. 1697, waarin de stad Weenen aan de pest ten prooi was, en zou door den volkszanger en doedelzakspeler Max Augustin (†1705) gedicht zijn.
Achtentwintig, c. 64. Zie 334, 335.
Acide Witse... Et excipe pryzia, c. 265.
Voor Accede Witse, et accipe praemium, treê nader Witse, en ontvang een prijs. In wat vader en moeder Vernooy er van maken, wordt hun knappe Gerrit als een zure Witse toegesproken.
Ad valvas academicas, c. 253.
Op het bord, waar de academische afkondigingen plaats op vinden.
Afgestorvenen (dank zij levenden en), c. 151.
Toespeling op de Briefe eines Verstorbenen, van welke de prins Von Pückler Muskau later bleek de schrijver te zijn. Zij behelsden, in iv deelen, 1830 en 1831, zijn dagboek, gehouden op reizen door Engeland, Wallis, Ierland, Frankrijk, Duitschland, en ook door ons vaderland. Een nederlandsche vertaling van dit werk had veel lezers gevonden.
[p. 348]
Akertje, c. 107. Aker = eikel.
Alma Mater. Zie 322.
Voedstermoeder.
Almanakken, c. 237. Zie 315, 316.
Almaviva, c. 162. Zie 287.
Als 't kindje binnenkomt, enz., c. 84 en verv.
Victor Hugo, Les Feuilles d'Automne. xix: Lorsque l'enfant paraît, etc. met de dagt. ‘Mai 1830’.
Ook Tollens (Dichtbloemen, 1839) en Ten Kate (Victor Hugo, Lyrische Poezy, 1881) leverden vertolkingen van dit lieve gedicht.
Alter ego, c. 329. Ander ik.
Amplet, c. 65, saamgetrokken en afgekort voor ampoulette, heette een kegelvormig soort van medicijnfleschje in den tijd van Keesje, dat, even als de kinderglazen en de halfpintsflesch (ald.), sedert door andere en geschikter vormen, naar den inhoud gemerkt, vervangen en in onbruik geraakt is.1
Het kinderglas, dat destijds het meest voorkwam, was bolrond met eenigszins langen hals, en had, wat de amplet niet had, een z.g. ziel. Inhoud, een med. ons of zes.
De halfpintsflesch was cylindervormig, en insgelijks gehalsd en gezield. De inhoud, als de naam aangeeft.
Amsterdamsch koetsier, c. 290. Zie 329.
Amsterdamsche Poort (te Haarlem), c. 38. Zie 323.
Anjer da's (een), c. 181.
Bekorting van de spreekwijze ‘Dat is een anjer, zei de boer, en 't was een tiloos (tijdeloos)’; ook hier met de bedoeling van ‘dat is wat anders’. (n.b. ‘Zei de boer’ en niet ‘als de boer zei’, zooals van Lennep, met Sam Weller uit de Pickwick-Papers voor den geest, het zijn personages, op zijn engelsch, in den mond legt.)
Annuente summo numine. Zie 307.
Met Gods hulp.
Anonymus in libro non edito, c. 5.
Een ongenoemde in een niet uitgegeven boek.
Ansniejen, c. 247.
N. Holl. taaleigen, voor aangesneden, z.v.a. liefdesverklaring gedaan; ten huwelijk gevraagd.
[p. 349]
Antwoord op een brief uit Parijs, c. 333. Zie 310.
De Brief uit Parijs, maar zoo als die later voor de pers is uitgebreid, kan men lezen in:
Souvenir d'un Voyage à Paris par J. Kneppelhout, Leyde, 1839, p. 27 et suiv., waar de Schrijver ook dit Antwoord heeft laten afdrukken; en wederom in:
Opuscules de Jeunesse par J. Kneppelhout, Leyde, 1848. i, p. 106 et suiv.; doch aldaar zonder bijvoeging van het Antwoord; en nogmaals in: Geschriften van J. Kneppelhout, d. ix. (Fransche Mengelschriften) bl. 91 en verv., insgelijks zonder bijvoeging van het Antwoord.
Apentuin, c. 12. Zie 330.
Aristolochia Clematitis, c. 37, 48. Zie 327, 328.
Armen (voor de), c. 318 {aldaar: van de armen}.
Dit opschrift op het lijklaken is in bedoelde stad sedert 1881 verdwenen. Sparende liefde heeft er een ander, minder stuitend, weinig in 't oog vallend onderscheidingsteeken voor uitgedacht.
Artikelen (de Vierentwintig), c. 23.
Zie op Provinciën.
Asch en Vuilnis (het zwarte ijs met hoopen - daarop geworpen), c. 239. Zie 329.
Asempies (de onschuldige - van de kinderen), c. 351.
Dat het op den duur inademen van de uitademing van kinderen een middel zijn zou om oud te worden, was ook reeds door den griekschen blijspeldichter Hermippus, in de 5de Eeuw vóór Christus, beweerd.
Atjarbamboe, c. 167.
Jonge, nog niet lang uitgebotte bamboe in het zuur.
Aurora. Zie 315.
Avondbode, c. 333. Zie 314.
Avondschemering (Morgenrood en), c. 238. Zie 315.
Baai (er waren er die - rookten), c. 207.
Friesche krultabak.
Baculus (Mijn vriend), c. 300, 320. Zie 310, 311.
Baklamp, c. 213. Zie 339.
Baleintje, c. 77. Zie 341.
Bathpapier, c. 178.
Fijn postpapier, gestempeld: Bath.
Bayadère, c. 201, 375.
Lang, los om den hals geknoopt, in kwasten eindigend en tot op de middel afhangend halssnoer van bloedkoralen of gitten; dus genaamd naar den naam der indische, min of meer aan den tempeldienst gewijde dansen zangeressen, bayadères, die zich met iets dergelijks versieren.
[p. 350]
Becker (Balthazar), c. 301. Zie 291.
Bedekken (op de Alkmaarsche kaasmarkt een goede plaats te), c. 240.
Hiertoe wordt vereischt des donderdags, als des voormiddags te tien uren de deur van het Pand van de Waag opengaat, een der eersten te zijn, die hun zeil op de markt spreiden (hun ‘dekje leggen’) ter plaatse daar zij den volgenden dag hun te koop gebrachte kaas wenschen te stapelen.
Het gedrang en de drukte bij deze gelegenheid behoorde indertijd tot de dingen waar men naar kijken kwam. Tegenwoordig gaat het ook in dezen bedaarder toe, en er zijn kaasboeren, die er geen werk meer van maken.
Begraafplaats (te Alkmaar), c. 380. Zie 332.
Bel (de), c. 48. Herberg te Haarlem bij de toenmalige Houtbarrière, Houthek.
Berebijt, c. 38. Zie 329.
Beriot, c. 47. Zie 311.
Charles Auguste de Beriot, geb. te Leuven, 1802, overl. 1870. Vermaard violist.
Beronicius (Petrus Johannes), c. 280. Zie 292.
Een zonderling, geheimzinnig, buitengewoon begaafd persoon, die in de tweede helft der 17e eeuw door Frankrijk, Engeland en in de Nederlanden rondzwierf en zich bepaaldelijk in Zeeland geruimen tijd ophield. Onder de spreuk Natura parvo contenta (de natuur is met een kleintje tevreden) geneerde hij zich met schoorsteenvegen, messen- en scharenslijpen, en bij het gemeene volk, zijn liefsten omgang, in kroegen en kitten den goochelaar of den hansworst te spelen. Dikwijls dagen achter elkander beschonken, vond hij dientengevolge het ellendig uiteinde, aan den vermakelijken Wagestert niet onbekend. Ondertusschen was deze man een geleerde die, gelijk zijn Fransch en Engelsch, ook zijn Grieksch en Latijn volkomen meester was; het Latijn zoo goed, dat een Gronovius er tegen opzag het met hem te spreken; zijn Grieksch, alsof het hem met de pap was ingegeven. In beide talen dichtte hij voor de vuist op gegeven onderwerp, of vertaalde de wekelijksche dagbladen, in onberispelijke verzen. Schrijven deed hij niet, en zijne improvisatiën gingen zoo vlot, dat de vlugste snelschrijver maar zelden in staat was hem te volgen. Wat echter op deze wijze ten papiere is gebracht, is door P. Rabus in druk gegeven en heeft meer dan ééne uitgave beleefd. Het voornaamste daarin is een koddig latijnsch hexametrisch heldendicht in twee boeken, ten onderwerp hebbende den inval der Walchersche Boeren in Middelburg, 1672. P.J. Beronicii - quae exstant P. Rabus recensuit et Georgarchontomachiae notas addidit. Boeren en overheidstrijd, voor de vuist gedicht door P.J. Beronicius, in 't Nederd. over-
[p. 351]
gezet door Petrus Rabus. Nevens andere gedichten, en een Bijvoegsel van 's mans leven in de Voorreden. 4e Druk, Amst., N. ten Hoove, 1716.
Bertolotto, c. 303. Zie 291, 293, 294.
Bestoven (min of meer - vriendenkring), c. 147.
Een der ontelbare verbloemingen, die een grooter of geringer maat van bedwelming door wijn of geestrijk vocht aanduiden.1 De nieuwe wet, die het misbruik van sterken drank moet tegengaan, heeft haar getal nog weer vermeerderd. ‘Te veel vergunning gebruikt’ is op dit gebied het nieuwste, maar zeker het laatste niet. ‘Den Japoenschen rok dragen,’ zei men in de 17e eeuw.
Beursbrug, c. 269. Zie 328.
Bink (den - steken), c. 137.
Moedwillig de school verzuimen; gaan wandelen in plaats van schoolkomen.
Blauwe trappen, c. 37. Zie 327, 328.
Blauwgekield, c. 18. Zie 289, 290.
Bleekdragen (ik verzeker u dat zij (de west-friesche vrouwen) die (de bloedkoralen) niet), c. 377.
Door ze om den hals te dragen allengs bleek doen worden. Men wil dat de staat van gezondheid invloed heeft op de kleur der bloedkoralen. Hoe frisscher de vrouw die ze draagt, des te frisscher het rood van het halssnoer, dat om den hals der ziekelijke bleekrood blijft of wordt.
‘Een Rechtvleugelig Insect uit Swalmen’ (Nieuw Schoolbl. 24 April 1885) heeft een andere verklaring. Op de vraag in het nommer van 1 April: ‘wat beteekent bleek dragen?’ antwoordt hij: ‘niet onaardig afsteken bij de kap,’ en voegt er bij: ‘kortom, de bloedkoralen staan haar (de West-Friesche vrouwen) zeer goed.’ Dit is zeker kort om.
Bloedzuigers, c. 287. De bloedzuigers hadden des geleerden grijsaards sympathie in geenen deele.
Het was de bloeitijd der geneeswijze naar het stelsel van Broussais, geb. 1772, overl. 1838, en in 1841 met een standbeeld geëerd in Val de Grâce. Gastro-enteritis was hem de basis der pathologie; plaatselijke bloedonttrekking, bepaaldelijk door talrijke bloedzuigers, het groote middel. Hij maakte vooral opgang bij de militaire geneeskundigen.
In de hospitalen van Parijs gebruikte men van 1829-1836 jaarlijks 5 à 6 millioen bloedzuigers, tot eene waarde van driekwart tonne gouds.
Bloemers A., c. 321.
Bloemschilder. †1844.
[p. 352]
Blutsje (een - van de bijl), c. 2.40.
Het door de bijl ontschorste plekje, waar het nommer op te staan komt.
Boeien (kleuren als), c. 98.
T.w. als de noodwendig schelgekleurde op stroom drijvende ankerboeien, ter afbakening van het vaarwater.
Boeken (een paar gouden - aan de slapen), c. 377.
Langwerpig vierkante hoofdsieraden, te zamen op een opengeslagen boek gelijkende; aan de uiteinden van den onder de kap om het hoofd gaanden z.g. beugel bevestigd, en ter weerszijde van het voorhoofd buiten de kap uitstekende; aan den voorkant met rijzend beeldwerk.
Boekzaal der Geleerde Wereld, c. 269. Zie 313.
Haar grondlegger was ten jare 1692 Petrus Rabus geweest.
Bollebuizen (goedige), c. 191.
Bollebuis is (niet te verwarren met bolleboos, een naam voor uitstekend begaafden)1 is in eigenlijken zin de noordhollandsche naam voor het bekende bolronde gebak, poffers, en wordt figuurlijk op dikke, welgedane knapen toegepast.
Hoe komt het ‘Rechtvleugelig Insect uit Swalmen’ er aan om te zeggen: ‘Bollebuizen zijn losse knapen. Hun geliefkoosde bezigheid is volgens Hildebrand bollen en buizen, d.i. stoeien, beminnen, zoenen, partijtjes houden, drinken, etc. etc.’? (Nieuw Schoolbl. 24 April '85). Met zulke willekeur bederft men den goeden naam van eerzame ‘schrijvers op 't stadhuis, kastemakersgezellen, ondermeesters, Hupstra's, Opper's en De Rieten’!
Bolussen (bul en), c. 374. Zie 321.
Bonte Kalfje (het), c. 49.
Herberg van dien naam.
Bord (op het - geschreven), c. 24. Zie 300.
Borger, c. 160. Zie 284, 291.
Bos op zen borst, c. 354.
Van oudsher het teeken van de waardigheid van bode bij een of ander college van bewind; nu meestal bestaande in een metalen plaat met opschrift.
Bouffante, c. 103. Zie 287.
Brave Hendrik (de -), c. 299.
Schoolboekje, door N. Anslijn Nz. Zie N. Beets, Een woord aan allen die den Braven Hendrik gelezen hebben, Haarlem 1838; later opgenomen in zijn Sparsa, Amst. 1882, bl. 13 en volgg., met een woord vooraf.
[p. 353]
Breezaap, c. 37, 38. Zie 327.
Duinvallei, tusschen Velzen en Beverwijk.
Brisemontagne, c. 301.
Ik ben waarlijk vergeten, aan welken sprook- of legendenschat deze reus of wildeman ontleend is. Verzoeke opsporing en bericht.
Bröder, c. 17. Zie 302.
Broers, c. 255. Zie 291.
Buizero, c. 281. Zie 292.
Diederik Buizero, Heer van Heeraertsheinge, Raad en Secretaris te Vlissingen enz. enz., geb. 1640, overl. 1720, beoefenaar der fraaie letteren,
 
‘Als hij, belust te dichten
 
De schouders van het pak der staetszorgh (wou) verlichten’,
als Vondel hem toezong, met vermelding van zijn voornaamste werk, de navolging van Quinaults Astarte,
 
‘De Fransche Astarte in 't Hollantsch kleet’.
Hij schreef echter ook een oorspronkelijk z.g. Vredespel en een Kluchtspel.
In zijn lofgedicht op Antonides' IJstroom doet de volgende regel zoowel zijn kunst als zijn karakter eer aan:
 
Hij zegt het al, die zegt hetgeen hij meent.
Hoe meende hij het, als hij bij dezelfde gelegenheid den Helicon ‘dat groot tooneel der gekken’ noemde?
Bul en bolussen, c. 374. Zie 321.
Bureaux (een der), c. 176.
Men meent tegenwoordig, in navolging van de vlaamsche ‘taalbroederen’, niet meer bureaux maar bureelen te moeten schrijven, en sommige dagbladen zijn daar mooi meê. Het is waar dat men in kanselarij-stijl altijd geschreven heeft: ten bureele, en dat men zoo goed bureel voor bureau zou kunnen zeggen als kasteel voor chateau. Maar men heeft het niet gedaan, zoo min als cadeel voor cadeau, hetwelk maar de een of andere Van Naslaan behoeft te beginnen om zich nagevolgd te zien.
‘Bijwagen’, c. 49. Zie 314.
Camera Obscura.
De Camera Obscura is tegenwoordig zeer op de spraak. c. 149. Sedert een jaar was Daguerre met zijne kunst voor den dag gekomen, en de camera obscura,1 sinds drie eeuwen een physische proef en aardig speelgoed, had eene nieuwe beteekenis gekregen, die nog van jaar tot jaar stijgen zou.
[p. 354]
Candidaat in de beide medicijnen, c. 281. Zie 305.
Doctor in de Beide Rechten, t.w. in het Romeinsche en in het Hedendaagsche Recht, kon men destijds wezen; ook in het Romeinsche alleen. (Oorspronkelijk, meen ik, dat onder de Beide Rechten verstaan werden het Canonieke en het Romeinsche.) Sedert 1876 wordt men nu Doctor òf in de Rechtswetenschap, òf in de Staatswetenschap; òf wel, het een na het ander, in beiden.
Capretten handschoenen, c. 272 {aldaar: cabretten}.
Ook ten opzichte van de kapretten, d.i. capret- (of cabret) leêren handschoenen van mevr. Van Hoel is van geachte zijde opheldering noodig geacht. Het zijn wat de Franschen nu gants de chevreau noemen, maar even goed gants de cabrit noemen konden, daar ook dit een fransche benaming van het geiteboksken is; in het Italiaansch capretto. Bilderdijk neemt haar over (Buitenl. 2de z.):
 
En de Oostersche kabriet verliet de morgenlanden
 
Voor Frankrijks wijngebergte en Spanjes avondstranden.
Caquets, c. 245.
Gebabbel; praatjes.
Carlos (Don), c. 148. Zie 291, 292.
Céphalide, c. 187, 190. Zie 283.
Cetera desunt, c. 291.
De rest ontbreekt. Woorden, die de student Petrus Stastokius Jr. ook niet een enkele maal, de student Hildebrand menigmaal op zijn dictaat te schrijven had.
Cheval de Bronze, c. 301. Zie 311.
Fransche opera, muziek van Auber (†1871), woorden van Scribe (†1861). Het stuk speelt in China en is gegrond op een verhaal, dat men uit Chaucer's Squire's-Tale en Spencer's Fairy Queen zou kunnen kennen, en dat hierop neerkomt. Cambùscan, koning van Sarra, in het land van Tartarije, was een toonbeeld van alle koninklijke deugden. Op den geboortedag zijner dochter Cánace, zond hem de koning van Arabië en Indië het geschenk van een bronzen paard, in staat om tusschen zons op- en ondergang zijn berijder, werwaarts die wilde, door de lucht te voeren. Hij had daartoe slechts den naam der plaats in het bronzen oor te fluisteren en een zekere pin om te draaien. Ter bestemder plaats aangekomen, aan een andere pin gedraaid! - het paard daalde op den grond en stond onbewegelijk. Nog een draai! en het verdween.
Chinchilla, c. 171.
Een zacht en fraai bont, van de vacht eener vrij groote zuid-amerikaansche wezelsoort (Viverra Chinche); wit met zwartbruine kop, ruggestreepen en pooten. In het Nederlandsch schijnt het den voor bontwer-
[p. 355]
kers waarschijnlijk min gewenschten naam van Peruviaansch Stinkdier te dragen.
‘Cieraad van Flora’, c. 44.
Bloemisterij even buiten Haarlem, aan het begin van den Leidschen Heerweg. Sedert verdwenen.
Clavis. Zie 345. Sleutel.
Cloak, c. 52. Zie 287.
Coffres-forts, c. 164. Zie 344.
College-gelden, c. 255. Zie 303.
Commies, Commiezenhuisje, c. 126. Zie 332.
Commilitones. Zie 308.
Krijgsmakkers; hier: mede-studenten.
Concertzalen (niet minder dan drie), c. 262. Zie 328.
Conticuere, c. 361. Conticuere omnes, c. 277.
 
Conticuere omnes, intentique ora tenebant.
 
Virgilius, Aen. ii, 1
 
Elck zweegh, en zagh hem aen, met aendacht en verlangen.
 
Vondel, Virg. in Nederd. dicht.
Cooper, c. 308.
James Fenimore Cooper (1789-1851), Amerikaan, vruchtbaar schrijver van zee-, heide-, en oirwoudsromans, waarvan de beste: The Pilot, The Prairie, The last of the Mohicans, The Red Rover; alle vóór 1830.
Corpus (van welk Delict het), c. 24.
Corpus delicti: stoffelijk bewijs van de begane misdaad.
Crinoline, c. 388. Zie 284.
Curriculum Academicum. Zie 308.
Academische loopbaan.
Daalder, c. 186. Zie 334.
Dadelijk, c. 366.
Geen drukfout voor duidelijk, gelijk men gemeend heeft (Hildebrands C.O. door Joh. Dyserinck, bl. 30), maar het woord genomen in zijn eerste beteekenis van met de daad, en niet in de latere van terstond.
‘Daden in de vuisten’, c. 307.
 
Met Zeelands moed in 't hart en daden in de vuisten.
 
Le Francq van Berkhey. Leidens Ontzet
Dagbroer, c. 188, 189. Zie 317.
Dans, nonneken, dans! enz. c. 102.
Dit en het hieraan voorafgaande volksdeuntje (Klompertjen en zijn Wijfje) reeds vóór 1839 door mij uit den mond eener familiebetrekking opgeteekend, trof ik na jaren in vlaamsche en fransch-vlaamsche liederverzamelingen aan. ‘Dans, nonneken, dans!’ in de ten jare 1848 in 't
[p. 356]
licht verschenen Oude Vlaemsche Liederen, ten deele met de melodiën, verzameld door J.F. Willems, na diens dood uitgegeven door F.A. Snellaert, en aldaar als No. 123 met opschrift Het Kwezelken. Snellaert teekende er bij aan: ‘Een van Willems geliefkoosde deuntjes, die hij dan ook zoo eigenaardig wist voor te dragen. Dit lied wordt nog in verscheidene streken van Braband en Vlaenderen gezongen.’ ‘Dans, nonneken, dans!’ en ‘Klompertjen en zijn wijfjen’ beide, in de Chants populaires des Flamands de France, receuillis et publiés, avec les mélodies originales, une traduction française et des notes par E. de Coussemaker. Het laatstgenoemde, in twee lezingen met verschillende zangwijzen, onder No. 89, Jan Plompaert, en 90, Plompaert; de eerste, zooals dit spotliedje op de plompe naïveteit van den vlaamschen boer, te Belle (Bailleul), de andere, zooals het te Broekburg (Bourbourg) en St. Winoxbergen (Bergues) nog altijd veelvuldig gezongen wordt. Evenals in de verzameling van Willems en Snellaert, zoo is mijn nonneken, van ‘Dans, nonneken, dans!’ ook in 't Recueil een kwezelken geworden, en luidt bij beiden het refrein: ‘Begijntjes en kwezelkens dansen niet’. Coussemaker teekent aan dat het liedje bij de fransche Vlamingen niet minder populair is dan bij de belgische, gelijk het ook in Nederland en in Duitsche landen nog steeds gezongen wordt.
Zie ook Van Vloten: Baker- en Kinderrijmen 1874, en J.H. Scheltema: Nederlandsche Liederen uit vroegeren en lateren tijd, 1885.
Deleatur, c. 149. Het verdwijne. Het ‘gewone’ teeken daarvoor op de drukproeven is een D, in dezen vorm: illustratie.
Delict, c. 24. Zie op Corpus.
Dertiendhalf, c. 108. Zie 334.
De spoorweg kwam, de spoorweg kwam, c. 115.
Toespeling op
 
De Koning kwam, De Koning kwam,
aanhef van een gedicht van R.H. van Someren, in de dagen van geestdrift voor koning Willem i, bij diens bezoek aan de stad van 's dichters inwoning, Rotterdam.
Dichterlijkste jager van geheel Holland (de), c. 346. Zie 338.
Dienst, c. 41.
Verouderde uitdrukking voor hetgeen nu door keuken-, werk- en kindermeiden hare betrekking genoemd wordt.
Dignum laude virum Musa vetat mori. Zie 297.
 
Een' man die lof verdient verbiedt de Muze 't sterven.
 
Horatius
Doctorandus (een gedegend), c. 252. Zie 305.
[p. 357]
Doctrina, c. 38, 45.
Doctrina et Amicitia (Weten- en Vriendschap), sociëteit van dien naam in de Kalverstraat te Amsterdam, opgericht in 1788. Van Lennep bezong in een Nieuw Lied haar 50jarig, en hield op haar 75jarig bestaan een Feestrede. Beide gedrukt, maar niet in den handel.
Doctrinae praestantia, c. 252.
Uitnemende geleerdheid.
Domig (een - voorhoofd), c. 279).
Een vochtig, min of meer met een zachten wasem beslagen voorhoofd. Domen wordt gezegd van een begin van zweeten. Taalkundigen zullen u zeggen dat doom hetzelfde is als damp.
Bilderdijk, Buitenl. 2de z.
 
Wee 't onzalig oord, dat van gebergte omringd,
 
In 't gruwbre dampbad leeft, waar 't eindloos doomt en stinkt.
Don Carlos, c. 148. Zie 291, 292.
Dopjes (voor pijpen), c. 61. Zie 342.
Douillette, c. 244. Zie 284.
Draaisteeg, c. 262. Zie 328.
Dreef (Haarlem), c. 41. Zie 324, 326.
Druipen, c. 253. Zie 303.
Drukken, c. 239. Zich nederleggen. (Jagersterm)
Dubbele zuil (de - van dien broederlijken zin), c. 160. Zie 322.
Duiten (voor vier), c. 119. Zie 336.
Dwerg (de maat van een befaamden reus en van een niet minder beruchten), c. 316n.
De dwerg was Simon Jane Paap, een visscherszoon uit Zandvoort, en deswegen in de wandeling Jaapje van Zandvoort genoemd, die om zich te vertoonen de wereld heeft rondgereisd, en alsdan gemeenlijk deftig in 't zwart, met korte broek en zijden kousen optrad, of ook in generaalstenue; bij welke gelegenheden het zijn eerste zorg was, zich met een pieperig stemmetje te informeeren of iemand der aanwezigen te eeniger tijd een zoo kleinen persoon ontmoet had als hij het voorrecht had te zijn; waarop het eenparig antwoord steeds ontkennend uitviel. Van tijd tot tijd echter vertoefde Zijne Kleinheid ook bij zijn familie te Zandvoort, en liet zich dan, wanneer hij het naburig Haarlem wenschte te bezoeken, door zijne zuster, een stevige vischvrouw, op haren rug in de kriel vervoeren, welke hem niet te nauw, en haar niet te zwaar viel. Ook woog hij, om de waarheid te zeggen, volstrekt niet boven de 14 ned. ponden, en mat niet meer dan 76 ½ ned. duimen, welke ned. duimen inderdaad niet meer dan kinderduimpjes zijn. Zijn voorhoofd en gelaat waren die van een kind beneden 't jaar.
[p. 358]
De reus was Daniël Cajanus, gewezen vaandrig in dienst van Augustus ii, koning van Polen. Zijne levensgroote afbeelding (door B. Brand, ao. 1749) zagen Hildebrands oogen in het z.g., ook niet meer als zoodanig bestaande Proveniershuis, staande en gelegen ‘waar Houten Gierstraat samenvloeit’ en, niet ‘van ver’, maar van zeer nabij, de schoone, zware iepenboom ‘rees’, over welks ontijdige rooiïng, tusschen wijlen Dr. J. van Vloten en den Raad der gemeente Haarlem zooveel te doen is geweest. De reus had in dat huis zijn laatste levensdagen als provenier gesleten. Bij eene deftige familie werd te dier stede nog steeds 's mans hemd bewaard, waarmede de bezitter, om het in zijn gansche lengte door Hildebrand en anderen te doen waardeeren, op een stoel ging staan, als wanneer het, door zijne hand omhoog gehouden, tot op den grond afhing. Van dezen reus, die gezond zijnde 8 voet, 4 duim mat, 9 voet, 2 duim vademde, en op den grooten voet van 14 ½ duim leefde, werd verhaald dat hij op zijn dooie gemak zijn pijp aan een straatlantaarn opstak, en staat het geschreven, dat hij ‘een knop boven op een kaarskroon, ruim elf voet hoog, met de hand omvatten kon’.
De reus is niet oud geworden (†1749), maar heeft toch zeven jaar langer dan de dwerg geleefd, die niet boven de negenendertig gehaald heeft, buiten zijn vaderland overleed, maar in zijn geboorteplaats begraven is. De reus ligt in het koor der Groote Kerk, waar in de Brouwerskapel zijn maat, met die van den dwerg, door een toetssteentje in den muur aangewezen wordt. Ligt?... Ik zeg te veel! Want na jaar en dag, is zijn graf geruimd en zijn sommige zijner grove beenderen naar het leidsch Museum, andere te Haarlem in het Kabinet voor Natuurlijke Historie van de Maatschappij der Wetenschappen overgebracht.
Zie J. Wolff, Beschrijving van de Groote of St. Bavo's Kerk te Haarlem, bl. 133 en vervolg.
Edelmogenden, c. 358, 374. Zie 320, 321.
Een mooie meid zou, in een herberg, eerlijk zijn! c. 363.
Zo'n mooije meid zou, enz.
Langendijk. De Wiskunstenaars. 2e t.
Een telg der zon in sneeuwkleedij, c. 306.
The snow-clad offspring of the sun.
Byron, Prisoner of Chillon
Ego te - maximis laudibus Medicinae Doctorem dico, creo, renuntio. Zie 309.
Met den hoogsten lof verklaar ik u, verhef ik u, roep ik u uit tot Doctor in de Geneeskunde.
Eichhorns(de), c. 47. Zie 311.
De jeugdige gebroeders Eichhorn, te zamen optredende violisten. Jo-
[p. 359]
hann Gottfried Ernst E. geb. te Coburg, 1822; Johann Karl Eduard E. geb. 1823.
ἔιδωλα, c. 33 {aldaar: εἴδωλα}. Eidóla; schimbeelden.
Eklektisch, c. 205. Met keuze.
Emblemata, c. 357.
Zinnebeelden. - Of echter Joris Krastem, in zijne hooge geleerdheid, voor wat hij bedoelde het rechte woord gekozen heeft, is de vraag.
Epulae lautae, c. 280. Tafelweelden.
Erg best ('en - maidje), c. 247-248, 342.
Erg tot versterking zoowel van het goede als van het kwade, was in Hildebrands jongen tijd nog kenmerkend boersch, maar is langzamerhand tot in andere, en nu zelfs tot de beschaafdste kringen der samenleving doorgedrongen, en niets is algemeener dan ‘erg lief’, ‘erg prachtig’ van de lippen onzer best opgevoede dames te vernemen. Trouwens het is niet erger dan ‘vreeselijk lief’, ‘allerijselijkst prachtig’!
Erger dan de Cholera, c. 57.
Jenever erger dan de Cholera was de titel van een geschrift, waarmede de voortreffelijke Heldring, in hetzelfde jaar dat de Camera Obscura geschreven werd, grooten indruk gemaakt had, en waarmeê hier door Hildebrand eenigszins lichtzinnig een loopje wordt genomen. Een veertig jaar later liet Beets er recht aan wedervaren, als aan het, ‘geharnast betoog, dat de oogen wel openen moest voor de schrikbarende verhoudingen, hier in cijfers voorgelegd, die het gebruik van sterken drank in Nederland had aangenomen, en dat den stoot gaf tot alle stappen en pogingen, die sedert tot bestrijding van dit kwaad in het vaderland met vereende krachten gedaan zijn’.
Levensbericht van Ottho Gerhard Heldring, in de Levensberichten van de leden der M.v. Letterk. 1876-77; sedert opgenomen in Sparsa. Zie ald. bl. 455.
Ernst, c. 47. Zie 311.
Heinrich Wilhelm Ernst, geb. 1814, te Brünn in Moravië, overl. 1865. Vermaard violist.
Eva (haar), c. 54. Zie 286.
Ex auctoritate Rectoris Magnifici, c. 252.
Na machtiging van den Rector Magnificus (Grootbestierder der Hoogeschool).
Ex merâ conjecturâ, c. 267. Bij loutere gissing. Zie 345.
Exspecto crisin, c. 289.
Ik wacht de crisis (de kentering ten goede of ten kwade) af.
Extra-kaartjes, c. 21. Zie 300.
[p. 360]
Facettes (à - geslepen), c. 107.
Met ruitvormige vlakken.
Fenelon, in het treurspel van dien naam, c. 217.
M.J. Chénier, Fénelon of de Kamerijksche Kloosterlingen, vrij gevolgd door P.J. Uylenbroek. Amst. 1797.
Ferronière, c. 162, 178. Zie 284.
‘Festina lente!’ Recte, sed festina! c. 106.
‘Spoed u langzaam!’ Heel goed; maar spoed u.
Fiches, c. 284.
Rekenpenningen ('t spaansche fichas).
Filtre, c. 205 {aldaar: philtrum}. Zie op Philtrum.
Flectere si nequeo Superos, Acheronta movebo (c. 323), zegt Juno bij Virgilius, Aen. 7. 312.
Indien ik de hemelgoden niet vermurwen kan, ik zal die van den afgrond bewegen.
Vondel heeft hier:
- slaept Jupijn om hoogh, ('k) schen Plutoos geesten aen.
Fleuve du Tage, c. 46.
 
Fleuve du Tage,
 
Je fuis tes bords heureux,
 
A ton rivage
 
J'adresse mes adieux!
 
Rochers, bois de la rive,
 
Echo, nymphe plaintive,
 
Adieu, je vais
 
Vous quitter pour jamais.
 
etc.
Fleuve du Tage, ou les adieux d'un Troubadour. Woorden van Joseph B. de Meux (1817); muziek van B. Pollet. Zie de zangwijs in La Clé d'un Caveau onder No. 1709.
Flos ipse, c. 135.
Juist het bloempje! - Mr. H.J. Bruis is zijn Terentius nog niet geheel vergeten. Eun. ii. 3.
Foedraal, c. 359.
Los overkleedsel van gewast linnen ter bescherming, bij slecht weer, van den kostbaren vilten hoed.
France (Jeune), c. 359, 383. Frankrijk (een jonge), c. 357.
Barbe à la Jeune France. Zoo heette men een ringbaardje om de kin, in dagen toen, behalve door heeren studenten, die 't eerst onlangs begonnen hadden, knevels alleen door militairen gedragen werden, volle baarden niet dan door sappeurs.
[p. 361]
Fransche gebed (het), c. 49. Zie 302.
Frederiksoord, c. 50. Zie 333.
Frustra cum morte pugnabis, c. 289.
Vergeefs den dood te bekampen!
Gapersteeg, c. 270. Zie 329.
Geest (ze zijn nou nog te druk bezig op de), c. 340.
De geest, geestgronden, heeten de vlakten aan den voet der duinen, landzijde, die den naam gaven aan menig dorp, gehucht, landgoed; Oegstgeest, Poelgeest, Uitgeest, Watergeest, enz. Tot graanakkers bebouwd, liggen ze niet open voor de jacht, eer de oogst geheel is afgeloopen.
Geleerde Man, c. 360. Zie 327.
‘De Geleerde Man placht tot voor weinige jaren een beroemde herberg te zijn, aan den straatweg tusschen Haarlem en Hillegom tegenover de Bennebroekerlaan. Daar hing boven de deur, vroeger op 't uithangbord, later op 't glas geschilderd, de man uit, die deftig in 't zwart gekleed [met doctorale kap, tabberd en bef] en met een boek in de hand, een geleerde voorstelde, doch daar hij het hoofd door de sporten van een leer (ladder) stak, dubbel geleerd was. De herberg was des zomers altijd druk bezocht en het keerpunt der equipages, als zij 's Zondags den Heerenweg opreden. Koning Willem ii hield er, toen hij nog Prins van Oranje was, altijd stil om zijn paard drinken te geven en maakte dan een praatje met Jan Duin, den alom bekenden kastelein. De herberg was tevens een rendez-vous waar advokaten uit den Haag en Amsterdam te zamen kwamen konfereeren - en natuurlijk ook eten en drinken - want Jan Duin moest er toch ook eenig voordeel van hebben. Eens waren daar eenigen vergaderd, toen Mr. Aart Veder uit Rotterdam aan zijn confrères de vraag voorstelde, hoe zij den naam der herberg in 't Latijn zouden vertalen, zoo, dat de woordspeling bewaard bleef. Men keek op en keek rond
 
En krabde zich den kop,
 
En gaf het eindelijk op.
Toen hij, met dien fijnen grimlach, die hem kenmerkte, het antwoord gaf: Scaliger -van scala “ladder” en gero “ik draag”.’
Van Lennep en Ter Gouw, De uithangteekens in verband enz. Amst. 1868. Dl. ii, blz. 164.
Ik verneem dat er sedert eenigen tijd een Nieuwe Geleerde Man in de Bennebroekerlaan is geopend.
Genden Loos (Van), Veldhorst en Van Koppen, c. 111. Zie 318.
Gepalmd, c. 48.
Palmen noemde men zekere figuren, min of meer in navolging van die
[p. 362]
in turksche sjaals, op de gedrukte omslagdoeken, destijds door dienstmaagden op haar zondags en door burgervrouwen gedragen.
Gids (De), c. 269. Zie 312, 313.
Glunder, c. 93, 119).
Helder, glanzig, met een glans van gezondheid of van genoegen.
Gogel (het ministerie), c. 76. Zie 297.
Goochelboeken, c. 302.
Versta: leerboeken voor de goochelkunst.
Gort (waar de - geoogst wordt), c. 337.
Een deskundig lezer heeft mij de opmerking gemaakt dat gort niet geoogst wordt, maar wel gepeld. Voor degenen, die in dit bezwaar mochten deelen, beloof ik het te zullen wegnemen, op hetzelfde oogenblik waarin ik bemerk dat de uitdrukking wijnoogst niet meer naar hare bedoeling wordt verstaan.
Graf in de kerk (een - onzen grootouders eene dierbare bezitting... En toch dat moest niet zijn!), c. 315.
Men dacht er echter voor vijftig jaar nog niet aan, de bezorgdheid voor het schadelijk zijn der dooden voor de levenden over te brengen op het wonen in de nabijheid van begraafplaatsen in de open lucht. Ook hebben chemische onderzoekingen dit later voor ongegrond verklaard, nadat langlevende doodgravers, op het kerkhof huizende, het reeds lang onwaarschijnlijk hadden gemaakt. Met dat al zijn ook onder ons ernstige pogingen om de lijkverbranding in te voeren, of althans te veroorloven, niet uitgebleven, waartegen, op zijn beurt, prof. Harting is opgekomen, omdat wij de voortbrenging van ammonia niet missen kunnen.
Dat men die crematie in het laatst der vorige eeuw in Frankrijk ernstig gewild heeft, en van deze ‘uitspoorigheid’, bestemd om ‘met honderd dergelijke te worden vergeten en na eenigen tijd te doen twijfelen of zij inderdaad plaats gehad hebben’, ook destijds in Nederland ‘eenigen (alschoon zeer kleinen) bijval en aanhang gevonden heeft’, wordt herinnerd door de eerste der Aanteekeningen ter opheldering van Le Francq van Berkhey's Lijkgedachtenis van Prins Willem v (Amst. 1806), op de volgende versregelen aan het adres der ‘ontadelde Bataven’:
 
Knielt voor uwe Astaroth, sticht Proserpyn altaren,
 
En richt een houtmijt op naar Heidnen wijs en aart:
 
Schaamt u, bij 't Christendom, der vaad'ren lijkgebaren,
 
En acht de Menschlijkheid geen menschlijke eerbied waard!
Gratias, c. 265. Zie 302.
Zie hier een z.g. gratias (gratiarum actio) van 't jaar 1827.
 
Magnifici proceres, quibus est tutela Lycaei
 
Credita, praesignes nobilitate viri!
[p. 363]
 
Arma canant aliï, funestaque praelia Martis,
 
Arridet nobis Pallas amica magis;
 
Scilicet, ut veteres bello petiere coronam,
 
Sic nobis studio palma parata datur.
 
Hinc quoque tranquillae sectabimur otia Musae,
 
Unde omnes semper gloria certa manet!
 
Hinc indefessis studiis certare juvabit,
 
Ut vincam socios usque labore meos, -
 
Interea vobis grates dum vita manebit,
 
Pro tanto, Proceres, munere laetus agam.
 
Vivite felices, et laude et honoribus auctis,
 
Dum claudat serus lumina vestra dies.
D.i. naar de vertaling van een bijzonderen vriend, ongeveer:
 
Grootachtbre Vaadren, die de School verzorgt en hoedt,
 
Voortreflijk door verdienste en adel van gemoed!
 
Wien 't lust, bezinge 't zwaard, de heillooze oorelogen
 
Van Mars: ons trekt veeleer Minerva's vriendlijk schoon.
 
Bevochten de Ouden in den krijg een lauwerkroon:
 
Ons steekt op 't studieveld de groene palm in de oogen.
 
Ons streelt het kalm genot, dat ons de Muze biedt,
 
En de onontroofbare eer, waartoe ze ons op kan heffen;
 
Om deze strijden wij een strijd die niet verdriet,
 
Tot we elken strijdgenoot bij d'uitslag overtreffen.
 
Inmiddels zij mijn dank u blijde toegebracht
 
Voor 't heerlijk eergeschenk uit uwe hand verkregen!
 
Leeft, rijker steeds in roem, in aanzien en in zegen,
 
En zij dat leven lang, en 't late sterfbed zacht.
De ‘heerlijke eergeschenken’ (tanta munera) bestonden destijds voornamelijk in oude en verouderde uitgaven van classici, bij voorraad op veilingen gekocht, in een nieuwen, met het stadswapen gestempelden band.
Dat bij zulke gelegenheid, Curatoren en Rector in gala waren, met den z.g. gekleeden rok met staanden kraag, korte broek, en den daarbij vereischten driekanten hoed, werd door tante Vernooy niet vermeld. Zij was te vol van de gele handschoenen van haar gunsteling.
Grevedon, c. 120.
P.L. Grévedon, gezegd Henri, vermaard lithograaf en schilder, geb. te Parijs, 1782. Van zijne hand destijds voortreffelijke lithographieën, voornamelijk vrouwenportretten, in menigte.
Groenen, c. 108, 251. Zie 303.
Haarlemmermeer, c. 374. Zie 320, 321.
Habitus, c. 50. Gestalte.
[p. 364]
Hagelzak, c. 239. Zie 338.
Halfpintsflesch, c. 65. Zie op Amplet.
Halley, c. 306. Zie op Komeet van Halley.
Handelsblad, c. 259, 322. Zie 315.
Hatem, c. 303. Zie 297.
Hazepatersveld, c. 48. Zie 324.
Heel (een heele vrouw), c. 271.
Strak, terughoudend, het tegenovergestelde van meêgaande en tegemoetkomende.
Heintje van der Noot. Zie 290.
H. Nic. van der Noot, advocaat te Brussel, speelde een groote rol bij het verdrijven der Oostenrijkers uit de Zuidelijke Nederlanden in 1789. Hij werd dan ook Voorzitter van het Nationaal Congres en belast met het uitvoerend bewind. Als het jaar daaraanvolgende de Oostenrijkers het land hernamen, toog hij naar Holland, en spoorde hij zijne landgenooten aan zich bij Frankrijk te voegen. †Brussel, 1826.
Hengelaar (‘Een - kan geen goed mensch zijn,’ heeft Lord Byron gezegd), c. 375.
In een vrij uitgebreide aanteekening op de 106de stanza van Canto xiii van zijn Don Juan, waar hij het visschen met den hengel, in den tekst ‘a solitary vice’ (een eenzaamheids-ondeugd) genoemd, voor het wreedste, het koelbloedigste en het domste der zoogenaamde sports (landvermaken) uitmaakt, en met deze woorden besluit: ‘No angler can be a good man.’ Hij is echter onpartijdig genoeg hierbij de opmerking van een vriend te laten afdrukken, die verklaard had een hengelaar gekend te hebben, die zoo fijngevoelig, zoo edelmoedig, zoo voortreffelijk van inborst was als iemand ter wereld wezen kon; ‘wel is waar’, had die vriend er bijgevoegd: ‘hij hengelde met geschilderde vliegen’.
Hesuchasten, c. 202.
Mystieke monnikspartij in de Grieksche Kerk der 14de Eeuw.
l'Heureux temps que celui de ces fables, c. 302.
 
O l'heureux temps que celui de ces fables,
 
Des bons démons, des esprits familiers,
 
Des farfadets, aux mortels secourables!
 
On écoutait tous ces faits admirables
 
Dans son château près d'un large foyer:
 
Le père et l'oncle, et la mère et la fille,
 
Et les voisins, et toute la famille
 
Ouvraient l'oreille à monsieur l'aumônier,
 
Qui leur faisait des contes de sorcier.
 
Voltaire, Contes de Vadé
[p. 365]
Heusch, c. 172.
Heusch, ik had het liever niet.’
Voor: ‘Heusch gesproken, ik had het liever niet.’ Heusch (hovesch) beteekent hoffelijk, beleefd, bescheiden, vriendelijk; vervolgens ook welgemeend, oprecht. Bij sterke verzekering of weerlegging gevoegd, wil het een verzet zijn tegen de verdenking van overmoed of driestheid in 't beweren, of van onbeleefdheid bij de noodzakelijkheid van tegenspraak - en zoo is ‘'t is heusch waar’, z.v. als ‘'t is, heusch gesproken’, of ‘in alle heuschheid gezegd, waar’. Vandaar dat heusch van lieverlede met werkelijk of inderdaad is gelijkgesteld, ja ook op zichzelf de beteekenis van waar, werkelijk, wezenlijk, echt heeft gekregen, zoodat gesproken wordt van een heusch geweer, een heusche sabel, een heusch paard - maar dit behoort tot de kinderkamer en moest er, dunkt mij, blijven.
Heusde (van), c. 60. Zie 291.
Hikken, c. 371.
‘Ik denk dat Arie der al menig ientje 'hikt het,’ d.i. geraakt, gesnapt heeft. - Zie Beets, Noordhollandsch Taaleigen in het Taalk. Mag. van A. de Jager, Dl. ii, St. 4, 1840; en J. Verdam, Tijdschr. voor Ned. Taal- en Letterkunde, 3e Jaarg. 1883. (over Twee Spreukenverzamelingen enz.)
Hildebrand (naam), c. 148-149. Zie 295, 296.
Hildebrand (de baardelooze), c. 26.
‘De voorbarige’ was misschien juister geweest. Maar ‘baardeloos’ was indertijd het altijd wederkeerend bijvoegsel voor jonge letterkundigen, minder naar den smaak van de Vaderlandsche Letteroefeningen en dergelijken; en hoe weinig Hildebrand dit worden kon, heeft bij gelegenheid der 13de uitgave zijner C.O. (1882) de heer Dyserinck herinnerd: ‘(zijn) boek (zou) bevallen, het zou de aandacht wekken, maar waarschijnlijk voor korten tijd, en de opgang, die het bij zijn intrede in de wereld maakt(e), (zou) hoogstwaarschijnlijk voor vergetelheid plaats maken’; enz. (Zie Hildebrands Camera Obscura, door Johs. Dyserinck, Midd. 1882.)
Hildebrand muzikaal? c. 46. Zie 311.
Hildebrands kamer, c. 234. Zie 321.
Historie (de), niets anders dan eene fabel, waaromtrent men overeenkomt. c. 304.
‘Une fable convenue’. Fontenelle
Hoed (nationale), c. 35. Zie 282.
Hoek (één Van der - en een half dozijn Hazenbergen), c. 269.
Destijds boekhandelaars te Leiden, alwaar nog steeds de firma Gebr. v.d. Hoek.
[p. 366]
Hollandsche Jongen (De), c. 18. Zie 289.
Streelend was mij de toejuiching der Hollandsche moeders ten aanzien van de schets harer kinderen. c. 151.
Zie echter, omtrent het misbruik van die schets, het gevoelen van Hildebrand, medegedeeld door zijn vertrouwdsten vriend: Verscheidenheden, iste Dl., bl. 242, 3, van de 2e Uitgave.
Hölty (een lief versje van), c. 17. Zie 344.
Die Knabenzeit
 
1.
 
Wie glücklich, wenn das Knabenkleid
 
Noch ura die Schultern fliegt!
 
Nie lästert er die böse Zeit,
 
Stets munter und vergnügt.
 
 
 
2.
 
Das holzerne Husarenschwert
 
Belustiget ihn jetzt,
 
Der Kreizel, und das Steckenpferd,
 
Auf dem er herrisch sitzt.
 
 
 
3.
 
Und schwinget er durch blaue Luft
 
Den buntgestreiften Ball;
 
So achtet er nicht Blüthenduft,
 
Nicht Lerch' und Nachtigall.
 
 
 
4.
 
Nichts trübt ihn, nichts in weiter Welt,
 
Sein heitres Angesicht,
 
Als wenn sein Ball ins Wasser fällt,
 
Als wenn sein Schwert zerbricht.
 
 
 
5.
 
o Knabe spiel' und laufe nur
 
Den lieben langen Tag,
 
Durch Garten und durch grüne Flur
 
Den Schmetterlingen nach.
 
 
 
6.
 
Bald schwitzest du, nicht immer froh,
 
Im engen Kämmerlein,
 
Und lernst vom dicken Cicero
 
Verschimmeltes Latein!+
[p. 367]
De kenner onzer vaderlandsche letteren herinnert zich hierbij de eerste strophen van Willem van Haren's Menschelijk Leven; met name de vierde:
 
Haast zal men u door strenge meesters leeren
 
Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas stad,
 
En Cicero voor 's werelds Heeren,
 
Toen Rome nog de kroon op had.+
Hondsbosch. Hondsbossche zeewering, c. 337. Zie 319, 320.
Hoofd (Rotterdam), c. 262. Zie 328.
Hoogeschoolgebouw (Leiden), c. 251. Zie 322, 323.
Hoogewoerdspoort (Leiden), c. 374. Zie 321.
Hora Auditur, d.i.: Het uur is verstreken; juister: de klok slaat. Zie 304, 308.
Horoscoop, c. 142.
De horoscooptrekker; want zoo heette de vrij onschuldige wichelaar, bij wien men gezegd werd ‘zijn horoscoop te trekken’, was, tot dat hem later met ‘rijfelaars’ en dergelijken bij advertentie verboden werd daar te verschijnen, in Hildebrands jeugd een vaste figuur op de kermis. Hij plantte er zijn tafeltje, schikte daarop zijn geheimzinnigen toestel in orde, beschreef, des aangezocht, met een radde tong en in éénen adem, uw uitwendigen en inwendigen mensch, naar uitwijzen van een der, toen nog maar zeven, planeten, onder welker heerschappij gij bleekt geboren te zijn; vertoonde den jongeling het beeld der toekomstige geliefde, blozend als een appeltje, vrij wat gedecolleteerd, in een hoogrood, hooggeel, of helblauw gewaad, met een parelsnoer om den hals en goud horloge op zij, en der jongedochter den aanstaanden vrijer - hoe uitgedost, is mij natuurlijk verborgen gebleven - in een dikken koperen kijker, staande op een voet van hetzelfde metaal; verkondigde met klepelslag het getal kinderen, waarin het echtverbond zich zou hebben te verheugen; en stelde u ten slotte eene omstandige opgave uwer toekomstige persoonlijke lotgevallen in een behoorlijk gedrukt blaadje ter hand. Dit alles voor de onevenredige som van zeker niet meer dan een enkelen stuiver.
Hout (Haarlemmer), c. 35. Zie 324.
Houtbrug (Rotterdam), c. 270. Zie 329.
Houten mantel, c. 160. Zie 284.
Houten pluim, c. 187. Zie 283.
Hufeland, c. 285. Zie 291.
Huilebalk, c. 65.
Vilten rouwhoed met ronden bol en zeer breeden slappen rand, die van voren met een zwart koordje, waarvan de drager het einde in de hand
[p. 368]
hield, omlaaggehaald, zijn aangezicht, droevig of niet, verborg, en reeds op zichzelf, in zijn langzaam golvende bewegingen, een indruk van treurigheid gaf. In de dagen van Keesje's jeugd werd hij door al de lijkvolgers, later slechts, maar nog steeds door den voerman van den lijkwagen gedragen. Ook placht, bij het rondzeggen van overlijden eens aanzienlijken, een der dienaren des huizes, met rouwmantel, rouwbef en op het neergebogen hoofd dien hoed, langzaam voortschrijdende, het midden der straat te houden. Dit was de eigenlijke huilebalk, naar wien de hoed zijn naam had.
Humaniora. Zie 310.
Taal-, Letter-, Geschiedkundige en Wijsgeerige Wetenschappen.
Hybridisch, c. 310.
Tweeslachtig. Van tweeërlei afkomst, z.a.b.v. een muilezel. De Romeinen noemden niet alleen het kind van een romeinschen vader bij een barbaarsche vrouw, maar zelfs van een griekschen vader en romeinsche moeder (zie Horat. Sat. i, 7, 1-3) een hybrida.
Hydrogenium, c. 110 {aldaar vervangen door: stankgas}. Waterstofgas.
Hydrostatisch, c. 122
Waterwichtkundig.
Ik wil niet dat mijn stervensmaar’ enz. c. 313.
 
I would not mar one hour of mirth,
 
Nor startle friendship with a fear.
 
Byron, Euthanasia
Immobilis in mobili, c. 207. Onbewegelijk temidden van het bewegelijke, (‘Gerust in 't woeden van de baren’)
was de spreuk van den Grooten Zwijger, bij het zinnebeeld van den IJsvogel broedende op de golven, den ‘Oranje-Halcyon’, als Da Costa zingt (1648 en 1848).
Incredibile dictu, c. 252. Ongelooflijk om te zeggen.
Incroyables, c. 144.
Naam in de dagen van het Directoire aan een zeker slag van pronkers gegeven, die zich in hunne kleeding toelegden op het buitensporige en belachlijke, en sedert op huns gelijken toegepast.
Ingenuas didicisse fideliter artes’ (c. 36.)
Emollit mores nec sinit esse feros.
Ovidius, Ep. ex. ponto, ii, 9:47, 48.
d.i.:
 
Zich trouw aan wetenschap en schoone lettren wijden
 
Verzacht de zeden en doet al wat ruw is mijden.
In memoriam, c. 295. Ter gedachtenis.
[p. 369]
‘In otio cum dignitate’, c. 187.
In ruste met waardigheid.
Instituut (4de Klasse van het Koninklijk Nederlandsch), c. 60. Zie 310.
Jaagt uw lood door het voorhoofd der tijgers, c. 34.
Slechte raad. Een beter schot, immers waarbij de kostelijke huid het minst geschonden wordt, is achter het schouderblad, door het hart. Onze (en iedermans) zuid-africaansche stamgenooten hebben dat schot vast, als zij jacht maken op den luipaard die, niet zonder door hen als een kat, een laffe ding geminacht te worden,1 in hunne woeste streken voorkomt. Het komt er maar op aan er, zooals zij het uitdrukken, korrel op te krijgen (ze onder 't vizier te hebben).
Jabot, c. 75.
Borststrook van een mans-overhemd.
Jacobijnenstraat (school in de), c. 21. Zie 300.
Jager (de dichterlijkste - van geheel Holland), c. 346. Zie 338.
Jean Paul, c. 50. Zie 293.
Jeune France, Jonge Frankrijk. Zie op France.
Josaphats (dal), c. 371. Zie Joël 3:2, 12.
Jure Meo. Jure summo. Zie 306, 308.
Uit kracht van mijn recht. Naar mijn hoogste recht.
Jus gladii et pilei. Zie 305.
Het recht van zwaard en hoed.
Kaars, c. 40. Zie 339 en vgg.
Kaartjes, c. 21. Zie 300.
Kachels (toen er nog zoo geen - waren), c. 306.
Immers niet zoo als men ze later het open haardvuur meer en meer heeft zien verdringen. Die de afbeelding van een kachel wil zien, zoo als onze betövergrootvaders die reeds (edoch van aardewerk, als de naam ook eigenlijk medebrengt) kenden, hale zijn Jan Luyken (†1712) voor den dag en zie ‘Figuur ix’ van zijn Leerzaam Huisraad.
Kalmink (een kalminken rok), c. 225.
Kalamink, Kalmink, ‘zekere wollen stof, aan de eene zijde geglansd als satijn, meer gestreept dan gebloemd’. Van Dale, Woordenb.
Karrepoesmus, c. 353. Zie 286.
Karpoetsmuts; eigenlijk: kapoetsmuts, en dit weder voor enkel kapoets (een muts, it. capuccio, fr. capuce), waarin de spraakmakende gemeente een r gebracht heeft, evenals in karstanje voor kastanje, kortelas voor coutelas, enz.
[p. 370]
Kastie (Hij speelt), c. 17.
Kastie, een levendig balspel, tusschen, naar mij voorstaat, niet minder dan een viertal spelers. Aan de afleiding van den naam waag ik mij niet (zie Bilderdijk, Nieuwe Verscheid. 192, 4); doch wie vraagt er ook naar, onder de heerschappij van croquet, cricket, en lawn-tennis?
In De Nederl. Spectator van 16 Dec. '87 heeft Flanor van dit spel een beschrijving gegeven, die ik mij verheug in deze tweede uitgave te kunnen overnemen:
‘Dat spel kost niets, dan wat witte ballen en een stok. De partijen zijn verdeeld in die aan slag zijn, een schenker en de snorders. Die aan slag zijn, moeten beurtelings een bal uit de linkerhand met een stok voortwerpen en naar een boom of paal loopen en terug, zooals bij cricket naar de paaltjes. Vangt een snorder den bal op en raakt er den eersten werper meê, dan moet die bij den boom gaan staan en zoo voort.’ ‘Het zal,’ voegt Flanor hier bij: ‘Het zal Hildebrand goed doen te vernemen, dat dit spel tot voor een jaar of tien in Haarlem nog veel in zwang was.’
Keetje (Het Noord-Brabantsche Meisje), c. 362 en volgg. Zie 331.
Ketsen, c. 344. Zie 338.
Kiel (blauwe), c. 18. Zie 289, 290.
Kinderglas, c. 65. Zie op Amplet.
Klap (het onderscheid tusschen een schoffel en een), c. 18. Zie op Ootje knikkeren.
Klein, klein kleuterken! enz., c. 299 (Vooruitgang).
Dit motto plaatste de schrijver boven de tweede verschijning van dit stukje, ten jare 1840 in Proza en Poëzie, na de eerste van 1837 in De Gids. De booze wereld, in haar argwaan, wilde er een toespeling in zien op den man, die in 1838 dat stukje wat gehavend had, en niet groot van persoon was; maar hijzelf, in zijn eenvoudigheid, had er niets in gevonden dan een kort begrip van den inhoud en de strekking van zijn opstel.
Het kinderdeuntje, daar het aan ontleend was, vindt men in zijn geheel bij Van Vloten, in de door hem uitgegeven Nederlandsche Bakeren Kinderrijmen (1874, 3e dr., bl. 39).
Trouwens wie is kind geweest of heeft kinderen, die het niet kent? Dat het met geringe wijziging ook nog steeds in Westphalen, in Brandenburg, in België en in het vlaamsch gedeelte van Frankrijk gezongen wordt, zal ieder niet weten, maar blijkt uit de verzamelingen van volksliederen van Kretzsmer (Deutsche Volksl. No. 117), Willems (Vlaemsche Volksl. No. ccliv), Coussemaker (Chants Popul. des Flamands de France, No. cxl).
[p. 371]
Klompertjen en zijn wijfje, enz., c. 101.
Zie op Dans, nonneken, dans.
Kock (Paul de), c. 219. Zie 296.
Koegras (woestijn van het), c. 337. Zie 319.
Koekamp, c. 40. Zie 324.
Koek en ei, c. 191. Zie 346.
Koeksmakken, c. 118. Zie op Smakbord.
Komeet van Halley, c. 306.
De sedert naar Edmund Halley (†1742) genoemde komeet van 1682, door hem 1758 weergewacht en ook verschenen, was, overeenkomstig den door hem berekenden omloopstijd, in Nov. 1835 weder aan den hemel. De student Hildebrand zag haar, onder leiding van prof. Uylenbroek, van uit een der ‘duivenhokken en peperbossen’ (c. 251) op het leidsche academiegebouw door den teleskoop - bijna zoo goed als met het bloote oog.
Koningsteeg (Rotterdam), c. 270 {aldaar vervangen door: Posthoornsteeg}. Zie 329.
Konst- en Letterbode, c. 322. Zie 314.
Kornet, c. 41. Zie 285.
Kruislinten (schoenen met), c. 41. Zie 286.
Kruseman (J.A.), c. 320. Zie 310
Portretschilder. †1862.
Kuifbal, c. 261. Zie 344.
Laadstok, c. 372. Zie 337.
‘Laat hem komen als hij kan’, c. 31.
 
‘Pietje, zoo gij niet wilt deugen,
 
Dan verschijnt de zwarte man.’
 
 
 
‘Klaasje, foei! dat is een leugen!
 
Laat hem komen als hij kan!’
Wie herinnert zich deze regels niet nog uit zijnen, in weerwil van de beschouwingen van den terecht geliefden De Génestet, door het tegenwoordig geslacht nog niet geheel terzijdegestelden Van Alphen?
‘Laat staan uw humor’, c. 50.
Toespeling op de zinspreuk van een matigheidsgenootschap: ‘Laat staan uw glas’.
Lading (gezwinde-; in vier tempo's), c. 105. Zie 337.
Lafont, c. 47. Zie 311.
Charles Philippe Lafont, geb. te Parijs 1781, overl. 1839. Vermaard violist.
[p. 372]
‘Lange blonde jongen’ (een zeer), c. 68.
Met deze omschrijving was gemelde Nicolaas kort geleden in het boekbeoordeelend gedeelte van het destijds te Rotterdam uitgegeven Letterlievend Maandschrift aangeduid.
Lange hond (een schoone), c. 167. Windhond.
Lange linten (schoenen met), c. 27. Zie 286.
Lantarenvuller, c. 262. Zie 339.
Last, mud, schepel, kop, maat, c. 23. Zie 299.
Latijn (het), c. 252. Zie 303, 304.
Leeskabinet (het), c. 269. Zie 314.
Leesmuseum (Rotterdam), c. 268. Zie 328.
Leiden in de vergaderzaal der Edelmogenden, c. 374. Zie 320.
Let spelen, c. 243.
Het zelfde als krijgertje spelen. Die, waar men 't zoo noemt, de krijger is, is dan de let; waarschijnlijk zoo geheeten omdat hij zijne speelgenooten letten moet (beletten, vg. wat let me?) honk te bereiken.
Letteroefeningen (de), c. 269. Zie 313.
Linksche pen, c. 24. Zie 299.
De tegenwoordige z.g. penhouders zijn noch linksch, noch rechtsch; zij handen iedereen of - niemand. Maar de gans, van wie een leesboek van die dagen ons leerde, dat zij ‘eens het Kapitool van Rome had gered, Den mensch een smaaklijk voedsel schonk en veêren voor zijn bed’, en niet noodig hadden te leeren dat wij met haar slagpennen schreven, had, gelijk al het gevleugeld geslachte, een rechter en een linker wiek, en de pennen aan eerstgenoemde ontleend - wij noemden ze schachten - handden menig onzer vrij wat beter dan die uit de andere, daar wij den naam van boutjes aan gaven. De lange schrijfpennen op den inktkoker van Dr. Deluw's spreekkamer (c. 124) waren zonder twijfel schachten, en met de veêren er aan.
Lodereindoosje, c. 192. Zie 336, 337.
‘Logementen’ (de), c. 41. Zie 324.
Luifel van haar hoed, c. 262, 270. Zie 283.
Wat de Luifels aan de huizen betreft: Zie 283.
Reeds in Januari 1840 zong Van Oosterwijk Bruyn in zijn Liedje van eenen van eene verre reis teruggekeerden Amsterdammer (Muz. Alm. 1841):
 
Waar eens luifels waren
 
In de winkelstraat,
 
Zie ik nu pilaren
 
Groot in tal en maat, enz.
[p. 373]
Lusisse pudet, c. 292. Ik schaam mij gespeeld te hebben.
‘Had hij moeten weigeren? Dan zou het toch waarlijk geweest zijn: lusisse pudet.’
Niettegenstaande deze verklaring, in Oct. 1851 in de derde, vermeerderde uitgave, afgelegd, bleef men in zekere kringen steeds beweren dat Hildebrand groot berouw had de Camera Obscura geschreven te hebben. In 1854 vroeg men hem in Vlaanderen nog, of het waar was dat hij het voor ‘een bekoring, een tentatie van den booze’ was gaan houden, en in 1871 meende de heer en mr. P.A.S. Limburg Brouwer de Italianen, voor zoover zij in de nederl. letterkunde belang stelden, te zijnen opzichte te moeten waarschuwen: ‘le sue tendenze aliquanto mistiche sembrano avere esersito una funesta influenza sopra il suo spirito veramente umoristico di un tempo’; waartegen Dr. J. van Vloten, boven alle verdenking van mystieke sympathieën verheven, de goedheid had op te komen.1
Lustra, meerv. van Lustrum. Zie 323. Bij de Romeinen tijdperken van vijf jaar.
Lux ludo. Licht tot het spel. Zie titelblad {p. 277}.
Lijn (op en tusschen de), c. 306.
Een schrift op en tusschen de lijn onderstelt geschept hollandsch papier, met zichtbare waterlijnen.
Maatschappij van Weldadigheid, c. 50. Zie 333.
Macaire (Robert), c. 219. Zie 296.
Mackintosh, c. 360. Zie 286.
Macquelijn, c. 254, 255. Zie 291.
Magna funera, c. 318.
Plechtige officiëele begrafenissen.
Magots, c. 161.
Koddige sineesche figuren van porcelein. (De naam, daar de groote kunstkennis van den grooten Lodewijk xiv de voortbrengselen der hollandsche schilderschool mede vereerde.)
Maraboe's, c. 173. Zie 284.
Marepoort (Leiden), c. 374. Zie 321.
Marken (het eiland), c. 368. Zie 330, 331.
Mathesis-examen in 't latijn, c. 60.
Te Leiden werd het reeds toen in 't Hollandsch afgenomen, gelijk ook de lessen van prof. J. de Gelder in de moedertaal gegeven werden. Maar
[p. 374]
te Utrecht, waar J.F.L. Schröder van 1816-1844 Matheseos et Philosophiae Naturalis Professor was (†1845), hadden Petrus Stastokius Jr. en zijne tijdgenooten dat onderwijs in 't Latijn genoten, om daarvan op hun tijd ook in 't Latijn rekenschap te geven.
‘Matribus pulcris filiae pulcriores’, c. 205.
Nog schooner dochters van zoo schoone moeders.
 
O matre pulcrâ filia pulcrior
 
Horat. Carm. l. i. 16
Médecin malgré lui, c. 304.
Molière, Le Médecin malgré lui, Act. ii, Sc. 6.
Géronte: - Il me semble - que le coeur est du côté gauche, et le foie du côté droit.
Sganarelle: Oui; cela était autrefois ainsi: mais nous avons changé tout cela, et nous faisons maintenant la médecine d'une méthode toute nouvelle.
Medeklinkers (de veranderde uitspraak van de namen der), c. 25.
Volgens de leerwijze van Prinsen: be, de, fe, in plaats van bé, dé, effe, enz.
Memento mori, c. 349. Gedenk te sterven.
Ménagère, c. 192. Zie 337.
Menniste Haarlem, c. 43. Zie 324.
Metropolis, c. 380.
Naar de beteekenis, moederstad; naar het gebruik, stad die hoofdplaats en een middelpunt is.
Mevrouw (de zeer modieuze gade van den makelaar, de eenige - van de partij), c. 77-78.
Eigenlijk was het in die dagen voor vrouwen van haar stand nog op het randjen af zich mevrouw te laten noemen. De algemeene betiteling was in den burgerkring juffrouw; ook de predikantsvrouw werd zoo genoemd, tenzij haar man ook Doctor in de Godgeleerdheid was. Mevrouw, eerst na prins Willem iii opgekomen, was in 't laatst der 18e eeuw nog een zeer voorname titel; juffrouw, in de 17e, nog aan den adelstand verknocht, en de gewone benaming, waarmeê men destijds elke burgerlijke vrouw van aanzien begroette, grootje; grootje Bicker, grootje Pancras; burgemeestersvrouwen. De gewone titel voor gehuwde vrouwen in lageren stand was toen vrouw of moêr. (Zie Bilderdijk, Verkl. Geslachtl. op het woord Groot.)
Mille et une nuits, c. 301.
Les Mille et une Nuits, contes arabes, traduits en français par Antoine Galland (†1715), professeur d'Arabe au Collège de France. Paris, 1704-1708.
[p. 375]
(Zie het belangrijk opstel van prof. M.J. de Goeje, De Arabische Nachtvertellingen, in De Gids voor Sept. 1886, bl. 386-418.)
De man, van wien c. 301 vermeld wordt dat hij ze ‘sedert onheugelijke jaren dagelijks las’, was Van der Palm; na den eten, vóór zijn dutje.
Mimosa nolus mi tangere, voor: noli me tangere: raak mij toch niet aan! c. 181.
Mingo, Mingaud, c. 64. Zie 294, 295.
't Misvormde lijk van 't uitgebloeide Schoon, c. 310.
Da Costa. Inleiding tot de Hymne: Voorzienigheid.
Minima. De allerkleinste hoeveelheden.
Moeder-de-Ganzen, c. 51, 299.
De Vertellingen van Moeder de Gans waren een vertaling van Perrault's Contes de ma mère l'Oye (1697); kleine verzameling van volkssprookjes, zooals er sedert, door de Grimm's en anderen, grootere en betere geleverd zijn.
Morgenrood en Avondschemering, c. 237-238. Zie 315.
Mouwen (wijë), c. 351. Zie 284.
Mozart. Zie 311.
J.C.W.A. Mozart. †1791.
Muilen, c. 54. Zie 286.
Multis ille bonis flebilis enz., c. 295.
 
Zijn dood gaf velen braven stof tot weenen,
 
Met grooter smart dan mij, niet eenen!
 
Horatius, Carm. i, 24, 25, met verandering van tibi (u) in mihi (mij).
Munt (sociëteit: de), c. 38, 45. Zie 330.
Muzen-Almanak. Zie 315.
Mijn leeren is spelen, c. 25.
Van Alphen, Kindergedichten.
Nagelaar, c. 18. Zie op Ootje knikkeren.
Napoleon Buonaparte (woorden van), c. 264.
Il n'y a rien qui refroidit tant que l'enthousiasme des autres.
Nationale hoed, c. 35. Zie 282.
Natura artis magistra, c. 12 {aldaar alleen Artis}. De natuur, leermeesteresse der kunst. Zie 330.
Naturae se superantis opera, c. 315.
Pronkstukken, daar natuur zichzelve in overtreft. Van Huig de Groot gezegd in het dicht van Petrus Burmannus ii op zijn grafteeken in de Groote kerk te Delft.
Neepjesmuts, c. 75. Zie 285.
[p. 376]
Neskheit (het Hooftiaansche), c. 50.
 
Nut is neskheit bij de maet.
 
Hooft. Uitg. Leendertz, 2:2381
Neskheit. 't Geen de Engelschen humor noemen. Het beteekent nat, vocht, en staat over tegen droogte! Zie zes regels lager:
 
[Des met grillen van de gekken
 
Wijsheidts drooghte wel te spekken,
 
Recht is dat men zich verpijn,
 
Als z' in reên gepepert zijn.]’
 
Bilderdijk. P.C. Hoofts Gedichten, met oph. aantt. 3: 254
Neurosae. Zie 307. Zenuwaandoeningen.
Nieuwe werk (Rotterdam), c. 262. Zie 328.
Non missurae cutem, c. 287.
‘Hier’ - roept de welwillende verklaarder van een kleine vijftig latijnsche, in de C.O. voorkomende woorden en uitdrukkingen, in de Kleine Courant: De Schoolwereld van 17 Maart 1887 uit - ‘Hier kan ik niets van maken; cutem is geen Latijn, en de geheele uitdrukking is dat ook niet. Hij meent waarschijnlijk: “niet aderlaten”.’
Maar deze latinist leere verbuigen en zie dan bij Horatius, Ad Pisones, den laatsten regel:
 
Non missura cutem nisi plena cruoris hirudo.
d.i.:
 
Bloedzuiger laat de huid niet los, tenzij dan vol van bloed.
Noot (Heintje van der). Zie op Heintje.
Nop hebben (de zaligheid van het), c. 374.
Het beet hebben, dat door het onderduiken van den dobber verraden wordt. Ook deze uitdrukking bleek mij niet algemeen bekend te zijn. Van Dale vermeldt ze in zijn Woordenboek niet. Men is toch, hoop ik, het ‘Treck als 't nopt’ van vader Cats nog niet vergeten?
Nu kan ik al lezen, zei kleine Piet.’ c. 25.
Zoo luidde in Hildebrands schooltijd de eerste volzin van het eerste leesboekje, dat men na de Spa-a te genieten kreeg. De titel was: Nieuw Spel- of Leesboekje, ten gebruike der scholen, door N. Anslijn Nz. Derde Stukje. Het schijnt nog altijd in bloeiend gebruik te wezen. Vóór mij lig