Ongeveer zeventig jaar geleden zat een kleine jongen in het koffiehuis van zijn oom uren lang te staren naar de tekening in de marmeren tafels: de vreemde schelpen en grillige gewassen boeiden de kleine Zwitser Paul Klee.
Zijn werk, nu vijftien jaar na zijn dood, ligt voor ons even boeiend, even geheimzinnig als de grilligheid van het lijnenspel waarop de grote schilder als kind had zitten kijken.
Zeer burgerlijk was zijn bestaan. In een akte, weinige maanden voor zijn dood geschreven, heeft hij het samengevat. Op 18 december 1879 werd hij te Münchenbuchsee bij Bern geboren. Zijn vader was muziekleraar. Na zijn maturiteitsexamen wordt hij kunstschilder, hoewel hij een tijdje de mogelijkheid overwogen had musicus te worden. Om zich in de schilderkunst te bekwamen moest hij naar Parijs of Duitsland. Dit laatste land trekt hem ‘gefühlsmässig’ meer aan. Te München komt hij op de academie, keert na zijn leerjaren een tijdje naar Bern terug, om in 1906 in de Beierse metropool te huwen en er zich blijvend te vestigen.
In 1920 wordt hij leraar aan het Bauhaus te Weimar. Met deze instelling verhuist hij naar Dessau. In 1931 aanvaardt hij het leraarsambt in de kunstacademie van Düsseldorf. De nieuwe politieke verhoudingen in Duitsland beletten hem zijn vrijheid van handelen. Steunend op zijn reeds internationaal gevestigde faam besluit Klee voortaan ambteloos te leven. Geen enkele plaats scheen hem daarvoor meer aangewezen dan zijn geboortestad Bern.
Onder deze gegevens van Klee zelf moeten we enkele reizen naar Italië, Frankrijk, Tunis inschuiven. Ze kunnen moeilijk uit het leven en werk van deze kunstenaar worden weggedacht. Paul Klee stierf te Muralto-Locarno op 29 juni 1940.
De objectiviteit van dit verslag typeert de mens, zoals wij hem ook uit zijn brieven leren kennen. Zijn burgerlijk leven is aan deze kunstenaar voorbijgegaan. Hij spreekt alleen over zijn roeping als kunstenaar en over zijn werk. Hoogst uitzonderlijk zelfs houdt hij zich op met werk van zijn collega's. Zijn hele levensopdracht ligt in zijn kunst - zijn gravures, zijn tekeningen, zijn schilderijen met hun dichterlijke titels, zijn geschriften - die in een verrassende tegenstellling staat tot de correctheid van deze schuchtere man. Of is deze tegenstelling wellicht te verklaren door het feit dat Paul Klee geheel in een eigen wereld leefde en zich geen rekenschap meer gaf van de onmiddellijke betekenis van de dingen rondom hem? Zijn werk immers behoort niet tot onze verschijningswereld. Het treedt ons tegemoet uit een verre ijlte, die geen duisternis is, maar licht; geen chaotische neerslag van een verhit gemoed, maar koele, secuur-getrouwe aantekeningen van een geheim schouwen. Geen
enkel van de werken van Klee is een uitbarsting. Alles is verstilde groei, organisch als een van de gewassen die de meester zo gaarne schilderde. We mogen Klee echter niet beoordelen naar een of ander van zijn werken of zelfs naar een reeks ervan. In het omvangrijke oeuvre van 9000 werken kan ieder een keuze doen en zich een eigen Klee scheppen. Typisch echter voor het oeuvre van deze meester vormt dit één geheel van langzame ontwikkeling. Als een vaste eenheid moet het ondergaan worden, waarin het ene slechts in het andere een volledige verklaring vindt. Niet alleen elk schilderij, het hele werk is als gegroeid, even doelbewust en één als de groei van een organisch wezen. Geen enkele cel is overtollig. Daarom is Klee in zijn veelzijdigheid niet gemakkelijk te doorgronden.
Een intieme vriend van Klee, Prof. Dr. Will Grohmann, heeft getracht ons een eerste synthese te geven van de betekenis van deze schilder. Hijzelf bekent echter dat veel nu nog niet kan verklaard worden. Maar hij meende terecht een onontbeerlijk werk te verrichten bij het voorbereiden van zijn boek over Paul Klee(1). Uit zijn persoonlijke omgang met de kunstenaar, uit zijn correspondentie, zijn vertrouwdheid met Klee's vrienden en familie kon hij ons heel wat nieuws leren. Daarbij heeft hij voor zijn boek een uitgever gevonden die er een standaardwerk van heeft gemaakt. Door zijn documentatiemateriaal zal het zijn waarde behouden. In een lijvig boekdeel worden, naast de studie van het leven, het werk en de leer van Paul Klee, een vijfhonderd illustraties opgenomen, vele in groot formaat, verscheidene in kleur. Sommige ervan worden voor de eerste maal gepubliceerd. De tekeningen zijn typografisch over de tekst verdeeld. De overige illustraties op zwaar kunstdrukpapier afgedrukt. Dit alles wordt aangevuld door een geïllustreerde ‘Gruppenkatalog’ met uitvoerige aanduidingen, een aantal registers en een becommentarieerde bibliografie. Bij het lezen en doorkijken van dit boek voelen we ons als de kleine Klee, even wonderbaar geboeid, even onuitputtelijk verrastâ–¡
Vincent van Gogh te Antwerpen.
Streven 10 (1955).
De kunst der Etrusken.
De Linie, 16 september 1955.
Het menselijke in de abstracte kunst.
Streven 2 (1955).