De nieuwe religieuze kunst is geen probleem. Zij is een opdracht. Een opdracht voor de mens van deze tijd, gelovige of ongelovige. Want de kunst is een bevestiging van het eeuwige in de mens. Wel hebben wij het besef van het sacrale in de kunst verloren. Maar dit neemt niet weg dat alle creativiteit, diep onder een slingerend bewustzijn, verankerd ligt in een oorspronkelijke zekerheid en dat zij haar kracht put in het radeloze heimwee naar het absolute. Elk beeld, als moment van die creativiteit, is herinnering en verlangen. Het leeft in het drieledige ritme van ontstaan, groei en voltooiing en is er de geheime openbaring van. Het doet er weinig toe of deze openbaring een mythe is of een historisch verhaal, een leesbare prent of een onbepaalbare compositie. Het kan een onbruikbaar ding zijn of een gebruiksvoorwerp, een ruimte waar men binnentreedt of een teken dat men ontmoet. Het doet er weinig toe of deze openbaring een jubel is of een geschrei, een bevestiging of een afwijzing, instemming of verzet. Het beeld is geen onderricht, geen propaganda, zelfs geen psychologische expressie. Dit alles kan het in zich opnemen, maar allereerst is het een daad, die, zich telkens herscheppend, als diepste waarheid in zich draagt, dat de mens een herkomst en een roeping heeft.
In dit perspectief heeft ieder kunstwerk een religieuze grond en is het begrip religieuze kunst in zekere zin pleonastisch. Kunst kan niets anders dan kunst zijn. Zij heeft haar eigen waarheid. De religiositeit van het kunstwerk is zijn inwendige kwaliteit. Deze is een gave. Zij overstijgt de mens. Op het einde van zijn leven stelde de grote Cézanne de vraag: ‘l'art, serait-il, en effet, un sacerdoce, qui demande des purs qui lui appartiennent tout entiers?’
Een tentoonstelling van ‘religieuze’ kunst zou men dus overbodig moeten noemen of op zijn minst misleidend. Recente ervaringen bevestigen dit. Dergelijke tentoonstelling heeft slechts zin wanneer onder religieuze kunst wordt verstaan de kunst die opgenomen is in de religieuze ruimte van de eredienst. Hier komt de kunst tot de uitdrukkelijke beleving van haar diepste dimensie - de religieuze dimensie -, waardoor zij zichzelf overstijgt. Religie en kunst zijn dus helemaal niet te vereenzelvigen. Religie is de bewuste erkenning van Gods transcendentie. Kunst wortelt in de oergrond en is de instinctieve taal waarin de natuur van de mens zich uitdrukt. Maar ook deze verre en onbepaalde oorsprong ligt in Gods hand.
Kunst kan wel niet onmiddellijk een kerkelijke aangelegenheid zijn. Zij gaat haar eigen wegen, al gebeurt dit in een voortdurende samenspraak met religie en beschaving. De kunst schept de steeds nieuwe symbolen waarin deze beide verhoudingen van het menselijk bestaan zich kunnen herkennen en uitspreken. Nu is het wel denkbaar en komt het voor dat de samenspraak tussen religie en kunst afgebroken wordt door een vervreemding van hun eigen oorsprong. Kunst en religie institutionaliseren zich dan. Zij binden hun beleven aan bepaalde vormen. Deze verstarren en sterven af. Maar geen mensheid bestaat zonder symbolen. De nieuwe symbolen, door een levende kunst geschapen, kan de verstarde religie niet meer herkennen. Met verdorde symbolen bouwt zij zich een eigen vormenwereld, die met kunst alleen nog de naam gemeen heeft. Het spreekt vanzelf dat dergelijke religie niet alleen de kunst verbeurd heeft, maar ook zichzelf: door de levende sacrale waarden uit zich te bannen. Uit een dergelijk conflict ontstond in de XIXe eeuw het onderscheid tussen een zogenaamde religieuze kunst, die noch met kunst noch met religie iets te maken heeft, en de levende kunst, die de werkelijke religieuze waarden incarneert.
Het bewustzijn van de spontane Verhouding tussen religie en kunst en van de essentiële functie van de creativiteit in een levende religie is in kerkelijke kringen wel erg verzwakt, maar toch nooit helemaal verdwenen. Onder vele aspecten heeft het zich doorgezet, bepaald in de enkele, sporadische, opdrachten aan echte kunstenaars. Juist die opdrachten hebben telkens weer even de eenklank laten beluisteren tussen een levende religie en een levende kunst. Op het einde van de XVIIIe eeuw zag men er nog geen moeilijkheden in aan een geniale en vereenzaamde Goya de versiering van verschillende kerken toe te vertrouwen. Maar wanneer, in het midden van de XIXe eeuw, aan kunstenaars kerkelijke opdrachten worden gegeven die de aanleiding zijn tot waardevolle religieuze werken, komt een misvormd christelijk geweten in opstand. Voortaan is de beeldennood van het christendom aangewezen op de steriele schilderscholen van religieuze kunst.
De kerk, als geïncarneerde gemeenschap, is haar roeping verplicht de levende kunst te aanvaarden. Wegens het sterke eeuwigheidsbesef dat haar bezielt is dit voor haar niet zo eenvoudig. Want zij moet weerstaan aan twee tegenstrijdige neigingen: enerzijds de neiging om toevallige en voorbijgaande vormen van de menselijke sensibiliteit te verabsoluteren; en anderzijds de neiging om de relativiteit zelf van de vormen zo te beklemtonen dat zij alle eeuwigheidswaarde verliezen, - waar nochtans, zoals H. van de Velde het zei: ‘man schafft, man findet “neues” nur auf dem Plan der Ewigkeit’.
Kerk en kunst staan niet rechtstreeks in betrekking, in die zin dat de kerk geen kunst kan scheppen of zich ook tegen geen kunst kan verzetten. Dit verhindert niet dat de onderlinge band zeer intiem is. Zonder ervan strikt afhankelijk te zijn, staat toch de gehele eredienst in het teken van de menselij-
ke creativiteit. Ongetwijfeld is de priester de enige liturg en niemand zal hem ooit in deze sacrale functie kunnen vervangen. Maar zelfs de hoogste sacrale daad binnen een liturgische gemeenschap moet zich tegenwoordig stellen in een menselijke vorm. Deze vorm schept zich de liturgie tenslotte niet vanuit het geloof, maar vanuit haar menselijke belevenis. Herhaalde malen werd deze waarheid van kerkelijke zijde bevestigd, maar toch blijft er nog in zekere kringen een schuwheid ten opzichte van de creatieve mens.
In de religieuze geschiedenis van de mensheid kennen wij dus de kunstenaar een grote rol toe. Dit brengt ook ernstige verantwoordelijkheid mede. Want de kunstenaar kan, gemakkelijker wellicht dan enig ander mens, zijn roeping ontrouw worden. Al is een kerkelijke opdracht op zichzelf niets bijzonders, toch eist deze uitverkiezing een bijzondere ernst, omdat de kunstenaar hier direct betrokken wordt in een gemeenschappelijke cultussfeer en zijn werk in een verhevener functie wordt opgenomen. Het kunstwerk wordt door deze uitverkiezing in genen dele beïnvloed. Het is echter de grote traditie van de kerk - wij hebben de inwendige noodzakelijkheid ervan gezien - slechts het hoogste voor deze uitverkiezing waardig te oordelen. Nog altijd leeft deze opvatting. Maar het onderscheidingsvermogen is verloren gegaan door èn de religie èn de kunst in hun diepste roeping te miskennen.
Men kan al deze beschouwingen onder vraag stellen. Maar dan wijst men de opdracht af, waarover wij het bij het begin hadden. De hier verzamelde teksten willen slechts de bewustwording van deze opdracht bewerkstelligen. Dit is ook de zin van de tentoonstelling. Wij voelden ons niet gebonden door de fictieve grenzen van een zogenaamde religieuze kunst. Zelfs hebben wij niet altijd de duidelijker grens van de kerkelijke kunst geëerbiedigd. De elementen die ons nuttig leken tot een bewustwording van de nieuwe kunst in de religieuze ruimte hebben wij, voor zover de bescheiden middelen het toelieten, verzameld. Omdat wij alleen dit ene, essentiële, aspect van de verhouding kerk en kunst wilden belichten, hebben wij afgezien van alle verdere studies: liturgische vernieuwing, gestalte van het kerkgebouw, concrete ontwikkeling van de vormgeving, de kerk in het stadsbeeld, de historische situatie, de specifieke geest van de moderne kunst, de maatschappelijke en psychologische verhoudingen, de pastorale bekommernissen en dergelijke problemen meer. Alle hebben zij veel belang maar tenslotte kunnen zij slechts een oplossing krijgen vanuit een eerlijk en ernstig aanvaarden van de opdracht tot de kunst, die een totaal-menselijke opdracht isâ–ˇ
Abstracte kunst en geschiedenis.
Streven 5 (1959).
Kerkenbouw.
Streven 8 (1959).
Moderne glasschilderkunst.
Streven 9 (1959).