Er loopt ergens iets mis, iets dat ons belet ruim en vrij te denken en navenant te leven. Wij missen blijkbaar zoiets als verbeelding om nieuwe levensvormen te ontdekken en te realiseren. Over haast alles wat wij aanpakken ligt een matheid en een irriterende middelmatigheid. En als wij, juist door dit gemis aan verbeelding, zelfs deze evidentie niet meer zien, dan is er nog altijd onze nationale architectuur om ze ons met mokerslagen in te hameren. Dit werd ons weer eens duidelijk gemaakt toen wij, ergens in een verloren hoek van het Westvlaamse kustlandschap, een kleine school ontdekten. Het gaat om een sectie van de lagere afdeling van het O.L.Vrouw-college van Oostende te Gistel. Zij werd gebouwd door prof. Paul Felix.
Het is niet zonder enige verwondering dat men plots, vanaf de baan die van de kust het land indringt, een vlak silhouet ontdekt, dat door zijn verhoudingen en ritme het gevoel voor conventionaliteit prikkelt. Onbewust denkt men aan een of ander industriegebouw. Want onze reflexen laten nog niet toe een dergelijk eenvoudig, open en onconventioneel gebouw van bij een eerste aanblik als een school te identificeren. Op het stuk van industriegebouwen zijn wij al een stap verder. Wij zijn het er allen over eens dat de ruimten voor onze arbeid fris moeten zijn, met veel licht en contact met de natuur, en dat een industriegebouw niet veel representatie naar buiten behoeft. Wij hebben al leren aanvaarden dat een fabriek een fabriek mag zijn, zonder meer. Maar wij moeten nog ontdekken wat een school is, een school voor onze tijd.
Het is dus niet zo verwonderlijk dat men eerst enkele gedachtenkronkels moet doorlopen wanneer men bij ons met een reële school wordt geconfronteerd. Wij hadden wel in Zwitserland, Duitsland, Frankrijk en Nederland dergelijke scholen met een beetje afgunst kunnen bezoeken en kenden nieuwe scholen van Engeland, de Scandinavische Landen en de Verenigde Staten van afbeeldingen. Maar bij ons!
De laatste tijd werden scholen gebouwd bij tientallen. Enkele zelfs met de pretentie modern te zijn. Maar men zag erbij over het hoofd dat moderniteit niets te maken heeft met een gemakkelijke aanpassing en vernieuwing van vormen. Nieuwe architectuur is nieuw vormgevoel, en nieuw vormgevoel is nieuwe geesteshouding en nieuwe levensinstelling. Door klakkeloos een mo-
dern vormarsenaal over te nemen, holt men die vormen zelf uit, maakt ze onschadelijk en leeg. Het is een grandioos verweermiddel tegen de bestaansreden, de geest van deze vormen. Het is natuurlijk een stap vooruit als men de gangen wat ruimer, de ramen wat breder, de kleuren wat frisser maakt. Maar het is een stap naast de weg, zolang men van de vooropgestelde, overgeleverde schema's vertrekt en niet in staat is om vanuit een fantasievolle liefde tot het kind het een eigen tehuis te scheppen.
Het is waar dat in onze tijd voor het eerst de school een echt sociaal en publiek karakter heeft verworven als een onmisbaar element in het hedendaagse menselijk bestaan, dat in onze tijd voor het eerst het probleem van een specifieke schoolbouw zich stelt. Er is geen schoolbouwtraditie. Oudere scholen kan men alleen van een kazerne onderscheiden door het naamplaatje boven de toegang. Nog niet zo lang geleden kon een man, en afortiori een vrouw, zich best door het leven slaan zonder ooit een voet in een school te hebben gezet. Nu is dit zo goed als onmogelijk geworden. De school heeft in de moderne samenleving een primaire functie gekregen. Uit dit feit hebben wij nog niet de nodige conclusies gehaald.
Alle verhoudingen van de opvoeding zijn grondig gewijzigd - de familie, stand, confessie spelen er een veel geringere rol; men heeft het belang van de kinderjaren ontdekt. En toch wordt een schoolgebouw nog altijd opgetrokken op de oude schema's. Het zou de moeite lonen even een paar plattegronden te bekijken van scholen die op een halve eeuw en meer afstand van elkaar werden gebouwd. Men kan ze in vele gevallen de een voor de andere nemen. Dit lijkt, op zijn zachtst, bedenkelijk.
Pedagogie en schoolbouw blijken aan de sterk gewijzigde structuur van de moderne samenleving voorbij te gaan. En als dit zo is, komen ze te kort aan hun essentiële opdracht de jeugd op haar taak in die samenleving voor te bereiden. Aan de meeste van onze schoolgebouwen kleeft nog altijd een stuk individualisme en rationalisme, twee dingen die niet ver uit elkaar liggen. Het kind wordt als een entiteit op zich beschouwd, niet als een sociaal wezen dat zich op een sociale taak voorbereidt. Dit kleine individu komt naar school om daar tuchtvol een programma af te werken en een hoop intellectuele bagage op te doen, niet op de eerste plaats om ingeleid te worden op de werkelijkheid.
Dit is allemaal misschien wel een beetje scherp gezegd. Het waren echter geen vooropgezette ideeën. Zij werden ingegeven door de kennismaking met het schooltje te Gistel.
De school te Gistel is gesitueerd in een betrekkelijk nieuwe wijk, zoals men die aantreft aan de rand van elk dorp of stad, niet meer en niet minder banaal. De school distantieert er zich niet van. Zij stelt zich niet op tegenover de overige woningen als een gesloten burcht van geleerdheid en wilskracht. Gemoedelijk staat zij ertussen, als in een gesprek tussen buurvrouwen, een
beetje groter, een beetje voornamer, een beetje meer bezield. Maar zij kan het gesprek aan. Zij is niet hautain. Zij weet dat een school een dienst moet zijn, een dienst aan het kind en daarom niet hoeft te imponeren met indrukwekkende gevels. Gevels kunnen trouwens niet meer indrukwekkend zijn, alleen maar ridicuul. De ouders zien hun kinderen niet meer verdwijnen achter grote, geheimzinnige poorten, waar de kinderen zelf hun thuis en kleine wereld moeten afleggen. Er is een continuïteit tussen school, leven en gemeenschap. De school is een moment tussen de andere. Zij heeft wel iets van haar imponerende belangrijkheid moeten afleggen, maar zij heeft dit erbij gewonnen dat zij tot het dagelijkse leven is gaan behoren.
Een lage muur leidt naar een grote, open toegang. Onmiddellijk bevindt men zich in de hall. Geen lange, eentonige gangen zijn er hier. Maar een boeiend spel van ruimten, die zich vernauwen, verbreden en verhogen, openen en sluiten. Zonder dat men het helemaal beseft is men in de wereld van het kind gekomen. Men weet niet goed waaraan men die sensatie precies moet toeschrijven. Maar een belangrijk element is zonder twijfel de laaggehouden zoldering. Zonder dat men een deur heeft voelen dichtklappen, zonder dat er een breuk wordt bemerkt, ontstaat toch een geheel eigen wereld, die zich nu in zichzelf gaat organiseren.
Want openheid naar buiten, naar leven en gemeenschap, betekent niet gemis aan kern, aan concentratie, aan inkeer. Maar deze inkeer gebeurt hier veel spontaner, of zou tenminste spontaner moeten gebeuren. Op een bepaald ogenblik immers knapt de architectonische draad in de school van Gistel af. Het vlot uitstekend zolang wij bij het algemene programma van inplanting en inwendige circulatie blijven. Er zijn acht klassen, alle gelijkvloers. Vier ervan zijn rechts van de toegang, twee aan twee rond een binnentuin gesitueerd. De vier overige bereikt men links langs een feestelijke verhoging van de hall. Alles is spontaan, open, luchtig, vanzelfsprekend, zelfs met een zekere speelsheid uitgewerkt.
Maar dan komen de klassen. Ook zij delen in het rijke licht en het contact met de natuur. Maar is dit alles? Hier houdt het leven op. Hier loopt de fantasie dood. Men tuimelt plots terug in het schoolbegrip dat wij hoger hebben geschetst, waar orde en stiptheid in geest en leven de alleenzaligmakende waarden schijnen te zijn.
Wij hebben wel eens beteuterd staan kijken bij twee tekeningen van een zeer begaafd jongetje. Vier jaar oud. Hij maakt verbazend sterke kleurcomposities, die een Delaunay bijna voor zijn rekening had kunnen nemen, en waarvan men de authenticiteit niet had aanvaard, had men ze niet met eigen ogen zien maken. Het jaar daarop is het jongetje op school. Dit rijke temperament schijnt plots verkommerd, en het gaat, men kan het haast niet anders uitdrukken, infantiele trekken vertonen.
Spontaan schoot ons dit voorbeeld te binnen als wij die klassen te Gistel
bekeken, waarop een rijke architectonische idee is gestrand. Precies op het punt waar architect en pedagoog het meest intiem hadden moeten samen spreken, werd de dialoog verbroken. Architectuur en programma vielen uiteen. Wij kunnen niets méér doen dan vaststellen dat hier iets niet in de haak is, dat een zeer boeiende evolutie ergens is afgestompt, verzand in een conformisme.
En toch liggen de oplossingen impliciet besloten in de architectuur zelf van deze school zoals prof. Felix ze heeft opgevat. Prof. Felix geeft er zich overigens ook persoonlijk rekenschap van dat in zijn school te Gistel niet de laatste conclusies werden getrokken. Alleen is een architect niet bij machte om ze op eigen houtje door te denken, nog minder door te drijven. Juist omwille van de zeer nauwe band met het leven, kan architectuur niet opgedrongen worden. Zij moet uit het leven zelf geboren worden of tenminste in een volstrekte eerlijkheid aanvaard.
In Gistel was men min of meer rijp voor de algemene architectonische idee en dit is reeds heel wat. Men wilde een school als een tehuis voor kinderen: eenvoudig en toch gedifferentieerd, open en toch boeiend, uitnodigend en toch intiem, kloek en toch verfijnd, karaktervol zonder representatiezucht. Maar men kwam er niet toe ook de harde vierkantigheid van de klasruimten op te heffen en ze tot een specifieke ‘woning’ van de groep kinderen die een klas is uit te bouwen. Hoe dit precies moet, kunnen wij U niet vertellen. Ervaren en fantasierijke pedagogen zullen het samen met architecten (en openbare besturen voor de financies!) moeten uitmaken. Zo eenvoudig is het nu ook niet. Maar een architectuur als deze doet er ineens naar uitzien. Meer nog, zij suggereert de mogelijkheden. Is een speel- en knutselhoek, is een ruimte voor privé en gezamenlijk werk in klasverband volstrekt ondenkbaar? Is er geen mogelijkheid om de banken vrijer te organiseren, tenminste op sommige ogenblikken? Kunnen de banken niet ontworpen worden in de geest van de architectuur? Moet de verhouding van kinderen tot leraar steeds zo strikt zijn? Het is duidelijk dat een nieuwe opvatting van het klaslokaal niet kan doorgevoerd worden binnen de minimumgrenzen waarbinnen een klaslokaal nu gehouden wordt. Het is duidelijk ook dat een verruiming en differentiatie een zwaardere financiële inspanning zal vergen. (De school te Gistel is ook van economisch standpunt uit een zeer gunstige oplossing). Maar is die financiële inspanning niet een van de meest renderende investeringen! Men kijke maar naar de ontwikkelingslanden waar de nood aan scholen scherper of minstens even scherp wordt aangevoeld als technische hulp.
Dit zijn alle maar losse beschouwingen van een leek bij een eenvoudige dorpsschool, niets dan baksteen, beton en glas. Maar baksteen, beton en glas, die hier een edele dialoog met elkaar en met het licht zijn aangegaan. Prof. Felix verklapte dat hij alles nog wel fijner had willen afwerken. Hij kant zich categoriek tegen elke vorm van het brutalisme. Maar door zijn spel van beton
en baksteen bewijst hij dat geen van die materialen, hoe kloek ook, brutaal hoeft te zijn.
De school te Gistel is nog maar aan de eerste bouwschijf. Wij wensen dat dit schoolcomplex moge groeien in eenzelfde geest... en dat ze misschien nog een stap verder moge zetten op weg naar een algehele omvorming van de school van vandaag en morgenâ–ˇ
Berlijn bouwt voor Duitsland.
De Linie, 5 januari 1962.
Kunstambacht, nr. 1.
De Linie, 12 januari 1962.