terug  begin  verderprepost

Van werkelijkheid tot werkelijkheid. Van Mimmo Rotella tot Maurice Wyckaert.
De Linie, 13 april 1962.

Men zal het niemand ten kwade duiden tussen de honderden namen die een cultuurmens voor zijn fatsoen moet onthouden deze van Mimmo Rotella niet terug te vinden. Wij weten overigens niet of zijn naam ooit in België op een affiche stond, al heeft hij het dan bijzonder in affiches gezien. De Romeinse straten zijn Rotella's atelier. Op geregelde tijden kan men daar Rotella te zamen met zijn verzamelaar Giorgio Franchetti de affiches van de muren zien trekken. Veronderstel nu maar geen kwajongensachtige vernielzucht. Want dan oordeelt ge te vlug over die neo-dadaïsten. Zij hebben het op de kostebare brokstukken gemunt. Mimmo Rotella trekt affiches van de muren zoals een andere schilder, Wyckaert bijvoorbeeld, in de winkel verf gaat kopen. Wie,

[p. 155]

buiten degenen die toevallig op de plaats waar Rotella voorbijkomt publiciteit voeren, kan daar iets tegen inbrengen? Met de bonte papierslingers kleeft Rotella zijn composities te zamen tot een overtuigend stuk poëtische werkelijkheid. Deze composities hebben overigens een dubbele kant: het positieve kunstwerk dat Rotella samenkleeft en het negatieve van de Romeinse straatmuren waar hij de affiches afhaalt.

Het voorbeeld van Rotella werkte stimulerend. In Parijs heeft hij al enkele adepten waaronder Hains die onlangs in de Galerie Aujourd'hui een boeiende tentoonstelling had. Een van de vele ontdekkingen van het kubisme wordt hier autonoom en systematisch uitgebaat in een geest die met het kubisme alleen nog de vrijheid tegenover het plastische medium gemeen heeft. De keuze van het plastische medium is van de ene kant wel zeer bijkomstig, want het wezenlijke ligt, ook hier, in de openbaring van de werkelijkheid. Van de andere kant is het echter van allerhoogst belang want uit het materiaal groeit de specifieke vorm tot een eigen gestalte. Rotella, Hains en hun bentgenoten zijn even informeel als de meest informele schilders, maar de keuze van hun materiaal, in casu de affiche-resten, geeft hun werk een eigen dimensie. Dit werk schept immers door zijn materiaal een concrete band met onze dagelijkse wereld, waartoe de meer abstracte, in zichzelf weinig gestructureerde verfprodukten niet in staat zijn.

Vic Gentils, Paul van Hoeydonck en verscheidene anderen bij ons zoeken iets gelijkaardigs. Vic Gentils heeft een serie oude piano's opgekocht (of op een andere manier gevonden!) en ze op eigen wijze weer muzikaal gemaakt. Om economische beweegredenen wellicht heeft hij zich hier en daar wel wat geforceerd, want hij heeft werkelijk alle, ook de meest weerbarstige, stukken aangewend voor deze muzikale sculpturen. Dergelijk werk slaat de creativiteit in ons los. Het bevrijdt de verbeelding. Wij zouden ook aan de slag willen gaan, affiches verzamelen of onze oude piano op zolder demonteren. Het is alsof er schilfers van onze ogen vallen en wij ons levensmilieu opnieuw of eigenlijk voor het eerst ontdekken. In de prozaïsche alledaagsheid ervan lezen wij een poëtisch ritme. Waar zijn de onheilsprofeten die in de hedendaagse kunst alleen maar afvalprodukten zien, chaotisch, diabolisch en wat weet ik meer, omdat zij zich bedreigd voelen in een paar formalistische denkschema's. Rotella en Gentils doorbreken die schema's als dijken voor het leven en zijn dynamische, steeds wisselende schoonheid. Zij boren in het alledaagse, het gewone, het lelijke en het onooglijke een bron van vreugde aan.

Wij moeten wel toegeven dat de manier waarop wij met deze wereld in contact komen niet altijd de gewenste is. Met de marchand van Rotella gaat het nog. Hij houdt van de dingen die hij verzamelt. Maar in vele gevallen heeft de poëzie het hard te verduren in de stalen wetmatigheid van het propagandasysteem van de kunsthandel.

Er is echter nog een andere werkelijkheid in dialoog met de eerste: de werke-

[p. 156]

lijkheid van de mens die tegenover de dingen staat. Tegenover is te sterk uitgedrukt. Want sedert de romantiek is er eigenlijk geen tegenover meer tussen mens en wereld. De wereld is een deel van de mens geworden en de mens een deel van de wereld. Misschien mogen wij zeggen dat de mens zich als de inwendigheid van de wereld beleeft. Wanneer wij bij de affiches van Rotella het eerst op de metamorfose van de uitwendige werkelijkheid hebben gewezen, hebben wij toch ook al de uitdrukking van de inwendige werkelijkheid aangeduid in het onderscheid dat we maakten tussen het kubisme en het informele gebruik van dezelfde plastische middelen. Het kubisme integreerde de dagelijkse werkelijkheid van de dingen in het heldere, constructieve ritme van een fuga en niet voor niets schrijft Braque in een van zijn collages de naam van Bach. De actuele kunstenaars zouden wij, om in termen van muziek te blijven, een concerterende, polyfone levensvolheid kunnen toeschrijven. Dat wij hier in termen van muziek spreken is overigens helemaal niet toevallig. De band tussen schilderkunst en muziek is altijd nauw geweest, maar werd in de moderne kunst nog toegehaald. De analogie in de methode van beide kunstuitingen de dag van vandaag is frappant. Zonder overdrijven kan men Rotella en consoorten ‘electronische’ schilders noemen.

Kunnen wij de twee polen van de werkelijkheidsbeleving niet tegenover elkaar stellen, toch blijven zij in het ene spanningsveld van elkaar onderscheiden, en kunnen zich min of meer direct uitspreken. Zo is het werk van Maurice Wyckaert, tot 18 april te zien in de Galerie Le Zodiaque te Brussel, een directere lyrische belijdenis dan dat van Rotella of Gentils.

Het werk van Wyckaert staat vrij dicht bij het werk, dat de Galerie Aujourd'hui te Brussel laat zien in haar interessante show ‘Cobra et après (et même avant)’, een grafisch panorama van deze vitale kunstenaarsbent uit de jaren vijftig. De naam Cobra is niets anders dan een geslaagde syncope van Co(penhagen), Br(ussel), A(msterdam), waar verschillende kernen van deze beweging bestonden. Deze verwantschap heeft niets verwonderlijks als men weet dat figuren als Asger Jorn en Constant, die tot de leidende figuren van Cobra behoorden, zich, na dat experiment, met Wyckaert aaneensloten in een nieuwe experimentele groep ‘internationale situationniste’. Alleen al om zijn onmogelijke naam kon deze groep niet lang bestaan ! Beide groepen werden geleid door dezelfde grondideeën, die niet zo origineel zijn - ze vormen het gemeengoed van geheel de moderne kunst -, maar die hier opnieuw tot een expliciete betekenis worden. De kunstenaar wil mens zijn, ten volle mens, in al zijn politieke, sociale en geestelijke dimensies. Hij wil leven en leven meedelen. Hij wil werkelijkheid vinden en maken. Hij wil al het kunst-matige van de kunst van zich afschudden en met zijn kunst te midden van de gemeenschap, de massa staan. Een mooi, utopisch misverstand: de kunstenaar die zich in onze gemeenschap laat verleiden alles ineens te zijn, de tovenaar van zijn stam. In feite is hij dat, maar niet op een zo

[p. 157]

onmiddellijk evidente wijze als in een primitieve gemeenschap. Onbewust is zijn verzet eigenlijk gericht op die onduidelijkheid, op een willen overwinnen van gegevenheden, die vastzitten aan een pluralistische maatschappij. Hij leeft in de droom van Platoon die zijn ideale staat door filosofen wou laten regeren. Dat idealisme van de kunstenaars is noodzakelijk en aandoenlijk. Het heeft slechts één gevaarlijke kant: dat de kunstenaars die zich bij dergelijke groepen aansluiten precies in die groepen de band met de werkelijkheid, die ze betrachten, verliezen.

Bij Wyckaert is dat alvast niet het geval. Wanneer men de tentoonstelling van Wyckaert binnenstapt met in zijn hoofd de verwarde herinneringen aan de brochures van de ‘internationale situationniste’, dan voelt men al die theorie met een slag weggespoeld. In het zaaltje was er een vriend van Wyckaert, die wij voor de kunstenaar zelf aanzagen, weliswaar met een zekere argwaan omwille van de mankerende snor. Daarom informeerden wij even of hij het wél was. ‘Ik zou het willen zijn’ was het antwoord en meteen een volmaakt resumé van de indruk die dat werk maakt, een indruk van leven, dat als een muzikale frase op u toekomt en u niet meer loslaat, u dagen na mekaar in haar ritme vangt, zo sterk dat ge er u op betrapt naar dat ritme te leven, te bewegen, onbewust als een balletdanser erop reagerend. Situationnist of geen situationnist, aristocraat of proletariër, revolutionair of liberaal, flits op de toekomst of echo uit het verleden, durend of efemeer, wat kan het maken! Hier wordt ‘het wonder van het totale leven’ geopenbaard, om een woord van J.B. Bakema aan te halen, waar hij precies tegen de al te opzettelijke en utopische integratiedromen van de situationnisten reageerde.

De schilderkunst van Wyckaert is spontaan en overtuigend als het leven zelf. Wij hadden het verleden week over het geluk van de moderne kunstenaars. Het werk van Wyckaert straalt van geluk. ‘Ik zou het willen zijn’. Het is heftig van kleur en beweging, en toch niet wild, maar uiterst verfijnd: beheerste spontaneïteit, instinctieve luciditeit. In de tentoonstelling van Wyckaert ziet men alles hel, rood, groen, blauw, geel, wit (bijna geen zwart!) in hun volle en ongeschonden intensiteit naast en op elkaar gezet. Kleuren groeien tot vormen. Geen vormen die zich in zelfheerlijkheid tegen elkaar of tegen de fond stellen. Zij spelen samen het spel van het grote geheel, als stofdelen in een wervelwind. En dat geheel neemt onweerstaanbaar de vormen aan van een landschap, een kosmisch landschap dat men mag zien als een macroscopische samenvatting of als een microscopische vergroting. Bij de schilders van Cobra stond en staat de mens in het centrum van de mythe. Bij Wyckaert is het de natuur. Geen natuur in prentjes, maar natuur als leven, als groei en beweging, als inwendige, stuwende kracht; een natuur van de mythe, die verder niet te lokaliseren is, maar overal vormen oproept en bepaalt in een exuberante verscheidenheid; een natuur die leven kan in ons abstract, technisch en wetenschappelijk wereldbeeld.

[p. 158]

Deze nieuwe natuurbeleving draagt Wyckaert voor met een lyrische harts-tochtelijkheid. Men mag echter dit belijdeniskarakter van zijn kunst niet verwarren met een soort expressionistisch subjectivisme, zeker niet met een psychologisch exhibitionisme. Het lyrisch karakter van deze kunst slaat alleen op de persoonlijke inzet waarmee de kunstenaar de werkelijkheid die hem overstijgt in een echte vervoering huldigt.

Wij geloven niet, zoals men gaarne van de moderne kunst beweert, dat zij een louter-subjectieve kunst zou zijn. Integendeel. De kunstenaar is vóór hij een heer is, een slaaf. De moderne kunst, en dat hebben wij bij Wyckaert weer ervaren, schept een uitzicht op een universele, objectieve werkelijkheid. Zij stijgt boven alle psychologische gekweldheid uit om in een groot, voor een deel blind, geloof de zin van het leven tegen alle intellectualistische aberraties en vernauwingen in te affirmeren. Vraag aan de schilder niet meer dan hij geven kan, vraag hem geen logische omschrijving van deze levenszin. Hij bezingt hem en zijn zang is niet alleen het bewijs van wat hij bezingt, maar ook de toegangâ–ˇ

prepostterug  begin  verder