terug  begin  verderprepost

P. Couturier tekent zijn zelfportret. De vrijheid als hoogste gave.
De Linie, 27 april 1962.

De hedendaagse kerkelijke kunst is niet denkbaar zonder de uitzonderlijke figuur van pater Marie-Alain Couturier (1897-1954), een Franse dominicaan, zelf kunstenaar en briljant essayist. Aan zijn initiatief zijn werken te danken als de kerk van Assy met Léger, Lurçat, Braque, Richier, Bazaine, Rouault, Matisse, Bonnard; de kapel van Vence met Matisse; de parochiekerk van Audincourt met Léger, Bazaine, Le Moal; de kerk van Ronchamp en het klooster van La Tourette door Le Corbusier. Deze werken hebben de mogelijkheden van authenticiteit in de kerkelijke kunst aangetoond. Pater Couturier was de vriend van Matisse, Léger, Braque, Bazaine, Picasso, Chagall, Miró, Le Corbusier en zovele anderen nog. Van hem getuigde Julien Green: ‘Als hij bij mij is, voel ik mij gered’.

Pater Couturier behoorde tot dat soort mensen die meer invloed hebben door wat ze zijn, dan door wat ze doen of zeggen. Hun woorden lijken soms gratuit, toevallig, contradictorisch zelfs. Maar bij nader toekijken verweeft zich dat alles in de sterke eenheid van een compromisloze vrijheid, die zich alleen in schijnbare contradicties ten volle, getrouw aan de inwendige werkelijkheid, verwezenlijken kan. In een brief uit Amerika, waar de oorlog hem verraste in 1940, schrijft pater Couturier het zelf: ‘Ik geef hier twee cursussen

[p. 159]

over religieuze kunst. Gij weet welke slechte professor ik ben, daar ik weinig geloof in wat in de kunst kan onderwezen worden. Matisse zei: wat in kunst met woorden kan gezegd worden, telt niet. Dan zeg ik aan die lui contradictorische dingen in de hoop dat deze hen het mysterie van de kunst zullen openbaren en doen inzien dat alleen hetgeen contradictorische dingen gemeen hebben, echt waardevol is. Zij zijn dan als van de hand Gods geslagen. Zij wensen alleen betrouwbare procédés en gij weet dat ik deze verafschuw als de pest’. Contradictie is geen zwakheid meer, maar een eis van het leven en van zijn diepste wet: de vrijheid.

De titel die de uitgevers aan het dagboek van pater Couturier gegeven hebben: Se garder libre (Ed. du Cerf) kon niet zinvoller gekozen worden. Op elke bladzijde van de intieme nota's van deze kloosterling en kunstenaar klinkt de roep naar de vrijheid. Een wezenlijke vrijheid die zich niet op de eerste plaats uit in woorden of daden. In dit dagboek vernemen wij bitter weinig over de uitwendige gebeurtenissen die het leven van pater Couturier hebben gestoffeerd (zoals dat wel bijvoorbeeld het geval is in de dagboeken van een Dubos of een Green). Alles blijft hier in de kern.

Men heeft dit ontroerende boek, en ook de persoonlijkheid van pater Couturier, een zeker onrecht aangedaan door al te zeer de nadruk te leggen op de rijkdom die het bevat aan gezegden van de kunstenaars waarmee pater Couturier bevriend was. Op de eerste plaats is het de verrijkende en weldoende ontmoeting met een groot mens. In het gedachtenisnummer van L'Art Sacré, het tijdschrift van pater Couturier, werden reeds enkele van deze losse notities gepubliceerd. Hier heeft men ze alle te zamen in vrij los chronologisch verband. Met een volstrekte openhartigheid tonen zij de kloosterling, de priester, de kunstenaar, de mens in zijn trouw en in zijn kwetsbaarheid. Schitterend geschreven vertonen deze nota's nergens een spoor van toegeving aan de schone zegging om haarzelfswil. Alles bij Couturier was uit één stuk en dit verklaart waarom deze intieme aantekeningen, zonder hun privé-karakter te verliezen, zo'n grote verwantschap vertonen met de artikelen die voor publikaties waren bedoeld. Ook deze laatste waren uit het hart geschreven, en meestal een bredere uitwerking van een of andere kerngedachte die in het dagboek summier was genoteerd.

In dat zelfportret toont pater Couturier zich als een uiterst, ja ziekelijk gevoelig mens. Ergens klaagt hij: ‘Ik ben mezelf niet genoeg meester: een tegenslag die me overkomt beheerst onmiddellijk geheel mijn bewustzijnsveld. Zolang die verveeldheid niet opgeruimd is, de moeilijkheid opgelost, ben ik tot niets meer in staat en wordt er op geen enkel gebied nog een beslissing genomen. Ik doe niets, ik wacht. Komt er echter goed nieuws, ken ik een groot genoegen, dan verandert alles op slag’. Herhaaldelijk komt hij terug op een enigszins onverwachte uitspraak van Bossuet: ‘cet inexorable ennui qui fait le fond de la vie’. En elders: ‘De moeilijkheden, het lijden van de anderen. Wij zijn er

[p. 160]

ongeveer even gevoelig voor als de weiden vol bloemen of de bomen, barstend van jeugd en nieuwe kracht. Het meedogenloze leven’. Of ‘Ge kunt niet geloven welke pijn het me doet te leven in een klooster waar er niets schoons is’. ‘Men moet het lichaam eerbiedigen omdat het in staat is tot lijden, omdat het een instrument van lijden is - en van verlossing voor de ziel’. In elk woord, in elke zin van pater Couturier, hoe streng en scherp hij ook klinke, ligt er iets van tederheid, van begrip.

Deze kwetsbaarheid van gemoed doet ook hevige, onoplosbare spanningen ontstaan - de contradicties waarover wij het bij het begin hadden - tussen zijn kunst en zijn priesterschap ‘Ware ik niet beter een priester geweest zoals alle andere?’; tussen de eisen van de caritas en deze van waarachtigheid ‘Deze avond, mijn koelheid, mijn beleefde hardheid tegen die goede en zachte X... Hoe had een vriendelijk woordje, een compliment, een echte vriendelijkheid hem genoegen gedaan. Hij is niet jong meer. Het is de tijd van de ontgoocheling, de desillusies. Maar als men zich op die weg begeeft, deze van de onbeperkte caritas, dan maakt men elke actie onmogelijk. Want op elk terrein brengt de doeltreffendheid van de actie hardheden met zich, haast meedogenloze partijdigheid, want de weg moet vrij blijven, als men vlug wil vooruitgaan. En de tijd dringt. Als ik te veel zorgen op mij neem, doe ik niets meer. Maar waarom zijn wij op deze wereld en is de actie het kleinste offer van caritas tegenover armen en vernederden waard?’; spanning ook tussen godsdienst en kunst, kunst en moraal ‘Het klimaat van het genie is niet het klimaat van de caritas, en de omstandigheden waarin zich het genie ontplooit zijn niet die waarin de caritas kan geboren worden en groeien... De wezenlijke problemen van het christendom stellen zich niet voor de kleinen en de nederigen, maar voor de machtigen en groten...’ ‘Tussen de wereld waar de mensen zich inspannen tot de hoogste deugd en deze waarin zij het maximum aan leven betrachten (ook in het denken en in de kunst) is er een kloof die waarschijnlijk onoverbrugbaar is’.

Een oplossing voor de contradicties ziet Couturier alleen in de liefde ‘Men mag niets verachten tenzij uit naam van een grotere liefde...’

Vanuit deze gevoeligheid - of was het vanuit zijn luciditeit? - ontdekt pater Couturier de waarde van de eenzaamheid ‘de vier witte muren van mijn cel, de eenvoudige meubelen, de wonderbare stilte, de lange uren van eenzaamheid’. ‘Een bepaalde kwaliteit van het werk is altijd de vrucht en de prijs van een geproportioneerde eenzaamheid’.

Luciditeit en gevoeligheid te zamen scherpen zijn zin voor de vrijheid ‘De mensheid bestaat uit twee categorieën: dezen die zich voor en tegen alles voor de vrijheid inzetten, en de anderen. Ikzelf, ik hou alleen van de vrijheid; naarmate ik ouder word, verveelt me al de rest’. Reeds als kind was hem de vrijheid boven alles lief, al nam ze dan vaak de vorm aan van de contrabande. Op eenentwintig jaar verantwoordt hij zijn kunstenaarsroeping ‘De toe-

[p. 161]

komst belooft me niets. Ik marcheer, gesteund door het leven, als een soldaat in de rij. Ik ga naar een vage hoop, die ik oneindig vermoed. Ik ga naar een leven dat ik mezelf heb gekozen en dat het schoonste is naast dat van een priester. Ik ga er vrij heen, met de hoogmoed van mijn kracht, maar zonder vreugde’.

Deze vreugde wordt hem pas ten deel, wanneer hij beslist bij de dominicanen binnen te treden. ‘Wij verlaten alles, precies om vrij te zijn’ en het jaar van zijn intrede, 1925, karakteriseert hij als het jaar ‘waarop de vrijheid in mijn leven is gekomen, de vrijheid die het gelaat droeg van de liefde’.

Dit instinct, dat zich verzet tegen alle conventies, tegen alle vormelijkheid, deed hem het christendom ontdekken als de godsdienst van de vrijheid. ‘Geheel de christelijke moraal is erop gericht het wezenlijke veilig te stellen: de vrijheid van de geest’. Dat vrijheidsinstinct scherpte echter ook zijn zin voor alle vormen van onvrijheid die zich onder de naam van het christendom verschuilen. Dit bezorgt hem diepe droefheid, maar hinderde nooit de helderheid waarmee hij het onwaarachtige van het waarachtige in het christendom scheidde. ‘Zovele katholieken zijn ingesloten in hun Kerk en hun geloof, zoals anderen in hun partij. Zij wensen een totalitaire staat. Dat alles heeft niets met het evangelie gemeen’. Zijn armoede, gehoorzaamheid, zuiverheid waren voor hem alleen begrijpelijk als de voorwaarden tot een totale vrijheid, die alleen verzadigd wordt in een reductie tot het meest wezenlijke. Waar ze worden beleefd als frustratie zijn ze hem gewoon hatelijk. Aan een jong meisje dat in het klooster wilde gaan schrijft hij in een prachtige brief: ‘Gij moet uw hart open houden, gevoelig voor alle dingen, steeds voor ogen houdend, dat God gesloten en dorre harten niet kan beminnen... Vraag aan de heilige Maagd dat zij u de vrijheid van de kinderen Gods schenke, een ware vrijheid van beheersing... ik zie duidelijk in dat deze vrijheid onze wezenlijke plicht is als christenen en de voorwaarde zelf van onze vreugde’.

Dezelfde drang naar vrijheid die hem tot een extreme vorm van de christelijke volmaaktheidsbeleving brengt deed hem ook de echte betekenis van de kunst ontdekken. Kunst is niets anders dan een functie en een voorwaarde van de menselijke vrijheid. ‘Elk authentiek kunstwerk is een principe van vrijheid: door zijn eigen schoonheid ontsnappen we aan de engheid, de beperkingen, de zwaarte, de slaafsheid die de druk van de gemeenschap en het leven het menselijk individu doen ondergaan’.

Naast het contact met een edel mens dat het dagboek van pater Couturier ons bezorgt, verschaft het ons ook vanuit een persoonlijke beleving een zeer directe toegang tot de moderne kunst. Van het eigen werk van Couturier hebben wij nooit heel veel gehouden. Het troost ons dat ook Couturier zijn eigen werk niet hoog aansloeg. Alsof hij er zich tegen wilde verantwoorden noteert hij herhaaldelijk met nadruk: ‘In de kunst is het niet wat wij maken, maar waar wij van houden, dat ons oordeelt: men maakt wat men kan, maar

[p. 162]

men kiest waar men van houdt’.

En pater Couturier wist wat hij koos. Ook hierin heeft hij een weg van groeiende vrijheid gevolgd, hoewel zijn opleiding, zijn milieu, zijn vrienden hem dat meer dan eens niet gemakkelijk maakten. Geleidelijk aan echter heeft hij alle apriori's afgelegd, alle begrenzingen overwonnen om radicaal te kiezen voor de echte waarden, ook al zag hij daarbij niet dadelijk in hoe ze te integreren. Zo heeft pater Couturier zich jaren lang blijven verzetten tegen de abstracte kunst in de kerk tot hij ook op dat punt toegaf dat hij eens te meer grenzen had getrokken, waar er geen waren. Wij kunnen hier niet ingaan op de rijke gegevens die in het dagboek zijn bewaard over een persoonlijkheid als Matisse, Picasso, Braque, Léger, Le Corbusier, Chagall, Bazaine... Maar alles wat pater Couturier nopens de kunst aantekent draait rond dezelfde wezenlijke kern: de inwendige, geestelijke noodzakelijkheid van het kunstwerk als de voortdurende herschepping van de kosmos, waarin de mens tegelijkertijd meester en dienaar is.

Het dagboek van pater Couturier zal het werk, dat hij had ingezet, voortzetten. Het zal, zoals hij zichzelf tot doel stelde, de grenzen van binnen uit verwijden, en vrij makenâ–ˇ

 

Wat betekent de nieuwe wet voor ruimtelijke ordening.

De Linie, 27 april 1962.

prepostterug  begin  verder