Onlangs was de U.I.A. (union internationale des architectes) weer bijeen en wel te Charleroi, bij gelegenheid van de vijftigste verjaardag van de plaatselijke Koninklijke Architectenvereniging. Van het verblijf in België werd gebruik gemaakt om onze steden Antwerpen, Brugge, Brussel van naderbij te leren kennen, vooral wat betreft de nieuwe wijken. Het congres zelf te Charleroi bestond uit de gebruikelijke toespraken die tot geen bijzondere vermelding
hadden geïnspireerd zo zij niet alle naar één vraag verwezen: welk is de verantwoordelijkheid van de architect in de architectuur van vandaag? Deze vraag kan er misschien tautologisch uitzien. Wie is er immers buiten de architect verantwoordelijk voor de architectuur? Als men de vraag zo stelt, dan is het onmiddellijk duidelijk dat de verantwoordelijkheid van de architect langs vele kanten beperkt wordt. Een gebouw is op onze dagen minder dan ooit het werk van de architect alleen.
Een architect heeft eerst en vooral af te rekenen met zijn bouwheer en opdrachtgever, die veelal in plaats van met een programma, met bepaalde stijlvoorschriften en losse details komt aandragen. Wij beleven het nu dat een architect aan de ene kant een veel grotere rol dan vroeger is toebedeeld, en langs de andere kant veel minder vertrouwen wordt geschonken. Het zijn hoogst zeldzame gevallen waarin de architect over het minimum aan vrijheid beschikt dat nodig is bij elke creatie. En zijn vrijheid wordt niet alleen aan banden gelegd door een paar fantaisistische grillen van de bouwheer, die niet beseft dat zijn woning, zijn bureel, zijn school, zijn fabriek, sociale dimensies bezit, maar ook door economisch al te nauw getrokken grenzen.
De relatie van architect tot bouwheer is niet de enige die scheefgetrokken is. Daar komt in heel vele gevallen nog bij dat ook de aannemer niet op de hoogte is van zijn taak. Het is niet zo uitzonderlijk dat een aannemer om te beginnen al met de plannen niet overweg kan, ze eenvoudig niet kan lezen, laat staan dat hij ze correct zou uitvoeren. Vaak beschikt hij niet over de nodige technische kennis en uitrusting om bepaalde moderne materialen op een verantwoorde wijze uit te voeren. Men moet even de vergelijking maken met de situatie van een dokter ten overstaan van zijn cliënt en de technische outillage waarover hij beschikt om te begrijpen hoe onopgeklaard de situatie van een architect bij ons is.
Bij deze ernstige, maar nog vrij extrinsieke moeilijkheden komt dan de complexiteit van het beroep zelf. De moderne architect bouwt in de meeste gevallen niet meer met bekende en overzichtelijke grootheden. Ingewikkelde berekeningen, die hij zelf niet meer uitvoeren kan, bepalen de weerstand van de materialen, de inrichting van de verwarming, enz. De snelle evolutie van de moderne techniek plaatst hem elke dag voor nieuwe mogelijkheden en materialen, die hij in zijn werk moet integreren. Denken wij hier maar een ogenblik aan de prefabrikatie, die meer en meer veld wint in het bouwbedrijf.
Daarmee zijn verre van al de moeilijkheden aangeduid waarmee een architect nu af te rekenen heeft. Het probleem waar hij voor staat is de omgeving, de inplanting van het gebouw dat hij moet ontwerpen. Een gebouw houdt immers niet op bij zijn muren. Men woont niet binnen de muren van een huis. Men woont in een landschap, waarvan het eigen huis als het ware de persoonlijke kern vormt, die in wijde kringen om zich heen uitdeint.
De architect is zich van al deze bindingen pas bewust geworden omdat hij de
diepmenselijke en vérdragende betekenis van zijn taak is gaan inzien; omdat hij zich rekenschap is gaan geven dat de mens een menselijk milieu nodig heeft om mens te kunnen zijn en dat daarom onze steden de dood van de mens betekenen; omdat hij is gaan beseffen dat hij de mens tegen zichzelf moet verdedigen; omdat hij de promotor wil zijn van een nieuw humanisme.
Deze problematiek heeft het U.I.A.-congres samengevat in drie titels: de architect en de kunst, de architect en de techniek, de architect en de gemeenschap. Over de architectuur en de kunst spraken arch. R. Bastin en de beeldhouwer Darville. De architectuur kan niet alleen in zichzelf tot een volmaakt kunstwerk uitgroeien. Ze moet de verschillende plastische kunsten in zich integreren. De lezing van Darville bracht hierin maar weinig helderheid. Het gaat niet op nogmaals de rechten van een bepaalde groep op te eisen en de verschillende creatieve activiteiten van de mens te scheiden om ze dan op een fictieve wijze tot een eenheid samen te binden. Terecht wees Bastin erop dat architect en kunstenaar vanaf het begin moeten en kunnen samenvouwen. Daarmee raakte hij een ander punt aan dat in verschillende toespraken zou terugkeren. De taak van de architect wordt meer en meer die van een scheppende coördinator. Op het brede domein van het urbanisme bijvoorbeeld moet de architect de verschillende sociale en economische gegevens een verantwoorde gestalte geven. Een verantwoord aanlegplan is wezenlijke voorwaarde voor goede architectuur. Claude Parent, de bekende Franse architect, sprak in dat verband van een ‘architecture préalable’.
Dezelfde coördinatietaak komt de architect ook toe in het uitbouwen tot een samenhangend werk van de technische gegevens. Dat wil niet zeggen dat hij de verschillende gegevens in een mooi kleedje mag aanbieden, maar dat hij ze van binnen uit moet doorleven en tot een zinvolle vorm brengen. De verschillende technieken, of ze nu van economische, sociale, bouwtechnische aard zijn, kan hij niet meer bezitten. Hij moet ze echter voldoende beheersen om ze tot een harmonie te kunnen brengen.
En hier dringen zich dan onmiddellijk twee belangrijke besluiten op, die ook het congres in verschillende toespraken naar voorheeft gebracht: het teamwerk en de groepsbouw. Het werk in équipe moet de architect toelaten de verschillende technieken die bij het hedendaagse bouwen horen in een visie te integreren. De groepsbouw moet de architect in staat stellen te bouwen in een landschap, een landschap menselijk bewoonbaar te maken. De individualistische opvatting van het wanordelijk opeenstapelen van eengezinswoningen heeft haar onhoudbaarheid voldoende bewezen. In onze streken met hun ruimtenood en demografische samentrekkingen, is alleen groepsbouw nog verantwoord. Alleen de groepsbouw, hoe arm hij ook op architectonisch gebied gebleven is, heeft woonkernen kunnen scheppen die menselijk leefbaar zijn.
Equipe-werk en groepsbouw, al kunnen zij op zichzelf al heel wat saneren,
zijn toch niet meer dan de structuren waarin het genie van de architect zich kan ontplooien. En hier staan wij dan in een land met proportioneel een te groot aantal architecten voor de kern van de zaak: zijn onze architecten voor hun taak opgewassen? Als men de architectonische verwezenlijkingen van de laatste halve eeuw globaal bekijkt, dan moet het antwoord wel negatief zijn. Dit betekent niet dat de geschikte krachten niet zouden voorhanden zijn, alleen dat het architectonische klimaat weinig vruchtbaar is en vooral dat de opleiding van de architect niet meer beantwoordt aan de taak die hem nu toekomt. Het herzien van de opleiding, die noodzakelijk een strengere selectie zou meebrengen, is een dringende noodzaak. Men lost niets op door een orde van architecten op te richten, zoals door de minister werd aangekondigd, evenmin als met het verlenen van een universitaire titel. Het probleem ligt dieper: de architect zelf moet bekwaam zijn om zijn eminente sociale taak te vervullen. En daartoe is een aangepaste opleiding absolute noodzaak. Wanneer men daartoe gekomen is, wanneer ons land over voldoende ernstige architecten zal beschikken, met inzicht in hun opdracht, zal de publieke opinie, die nog altijd weigerig staat tegen alle urbanistisch en architectonisch ingrijpen, misschien vanzelf evolueren tot meer begripâ–ˇ
België voor het eerst op het salon d'art sacré te Parijs.
De Linie, 1 juni 1962.
Encyclopedie van de gewijde kunst.
De Linie, 1 juni 1962.
Het grootste avontuur.
De Linie, 1 juni 1962.
Kunstleven zonder galeries - Mechelen.
De Linie, 8 juni 1962.
Het mysterie van het quattrocento.
De Linie, 8 juni 1962.
Hangt de neus te veel naar rechts? Rembrandt en de pers.
De Linie, 8 juni 1962.
Frans Hals en de Vlamingen.
De Linie, 15 juni 1962.
Leo van Puyvelde rekent af met de mythe van Dyck.
De Linie, 15 juni 1962.
Een tapijt ambassadeur van Vlaamse cultuur. Zullen wij altijd moraliserende didactici blijven?
De Linie, 22 juni 1962.
De mens en zijn kunst. In een monumentaal werk heeft René Huyghe een poging gedaan om de kunstgeschiedenis uit haar esthetisch isolationisme te bevrijden en ze als menselijk getuigenis te beleven.
De Linie, 22 juni 1962.
Cézanne, schilder zonder publiek.
De Linie, 22 juni 1962.