Het ongenoegen omtrent de biënnale van Venetië, dat sedert de oorlog almaar groeiende was, is dit jaar losgebroken in allerlei vormen van neven- en anti-manifestaties. In een van de paleizen aan het Canal Grande is er zelfs een anti-biënnale ingericht door een Parijse galerie, en op de officiële opening liet een misnoegd Venezuelaan goud- en paarsgeverfde ratten los. Wie echter de biënnale niet meer verdraagt, kan in Venetië nog altijd terecht in de geselecteerde verzameling van de principessa Peggy Guggenheim in het Palazzo Venier dei Leoni aan het Canal Grande vlakbij de S. Maria della Salute.
Bijna allen varen eraan voorbij. Verblind door de gouden letters op het rode
fluweel die naar de biënnale wijzen, voeren de vaporetti - de watertrams van van Venetië - ze met groot lawaai langs het onvoltooide palazzo Venier dei Leoni naar de ‘giardini’, het oude koningspark waar om de twee jaar de grote internationale tentoonstelling voor hedendaagse kunst wordt gehouden. Gewone toeristen zijn het niet. Die blijven liefst in de schaduw van de San Marco een ijsgekoeld drankje slurpen.
Als men de kade aan het San Marcoplein voorbij is, waar de meeste vaporetti koers zetten naar het lido om het overschot aan toeristen te gaan deponeren, ziet men op de boot alleen nog baardige gezichten en hun toegewijde broeksmeisjes, afgezien dan van enkele curieuze Engelse dames: het publiek van de biënnale, dat het rendez-vous met een would-be avantgarde niet wil missen en telkens een paar lustra te laat komt.
Van Guggenheim hebben ze misschien wel gehoord, maar dan ging het om Solomon, de grote verzamelaar die onlangs voor zijn collectie te New York een eigen museum liet bouwen door niemand minder dan F.L. Wright. Zijn nicht Peggy, die in het miskende palazzo Venier, waar wij het net over hadden, woont, is zijn grote slachtoffer. Zij deed heel haar leven haar uiterste best om haar grillige persoonlijkheid tegen die van haar oom te affirmeren en hem door haar eigen collectie schilderijen en beelden, en meer nog door haar extravagant gedrag, te overtreffen. Maar wat kon ze eraan verhelpen dat ze dezelfde naam draagt en dat deze vaak met die van haar machtige oom wordt verwisseld, zozeer zelfs dat haar eigen prestaties aan hem worden toegeschreven. Een dergelijke familiale situatie is ruim voldoende om de afkeer van Peggy voor haar vaderland Amerika te verklaren en te begrijpen waarom ze, toen de oorlog gedaan was, voor de Amerikaanse gastvrijheid bedankte en heel haar New Yorkse galerie liet verschepen naar Venetië. Ze kwam nog net op tijd om op de eerste naoorlogse biënnale in 1948 in het paviljoen van Griekenland te worden getoond. Stel u voor! Peggy Guggenheim op gelijke voet gesteld met een natie als Frankrijk, Italië... en doorgaand als officieuze vertegenwoordigster van Amerika. Want Amerika kwam op deze biënnale te laat. Om haar oom te doen schuimbekken!
Iemand die met zijn eigen collectie op de biënnale een nationaal paviljoen heeft bezet, kan zich veroorloven op deze show neer te kijken. En dat doet Peggy Guggenheim dan ook. Zij die altijd de avantgarde heeft aangemoedigd en gedeeltelijk ook vertegenwoordigd, vindt de avantgarde van vandaag een beetje mager. Voor haar is Pollock voorlopig de laatste grote moderne!
Is dat misschien de reden waarom onze baardige jongeren en hun meisjes aan het Guggenheim-palazzo aan het Canal Grande voorbijvaren? Heeft de moderne kunst voor hen die zich reeds in een post-moderne tijd voelen niets meer te zeggen? Men zou het kunnen menen, had de ervaring niet geleerd dat het hier meestal gewoon om onwetendheid gaat. Vele van de jonge bezoekers aan de biënnale, die erop uit zijn het vitale in de hedendaagse kunst te ontdek-
ken, beseffen niet dat heel wat experimenten van vandaag, die men ook op de biënnale te zien krijgt, de grote ontdekkingen van de modernen nog eens proberen over te doen, maar met heel wat minder overtuiging. Een van de beste manieren nu om die moderne kunst te leren kennen is een bezoek aan de collectie Peggy Guggenheim in het Palazzo Venier dei Leoni. Peggy is niet jaloers op haar schatten. Haar huis, de slaapkamer niet uitgezonderd, staat drie dagen per week open voor al wie het kleine poortje, dat er toegang toe geeft, heeft ontdekt.
Heeft de biënnale weten te kiezen toen ze haar paviljoenen oprichtte in een prachtig natuurkader, ook Peggy Guggenheim gaat er groot op haar bezoekers te mogen ontvangen in een van de zeldzame tuinen van de stenen stad, waar dicht bij het water oude bomen een frisse oase scheppen, zelfs als de ondraaglijke sirocco waait. Geheel het palazzo trouwens, dat Peggy bij toeval in 1949 kon verwerven, ademt een zekere natuurlijkheid die fel contrasteert met de luxe van de omstaande paleizen. Het was opgevat als een der grootste paleizen van Venetië, maar zoals het wel meer gaat met de grote ambities, de bouwheer bracht het niet verder dan het gelijkvloers, wat aan Peggy onvoorzien een heerlijk solarium verschafte, zeer tot ergernis van haar overbuur, de prefect van de dogenstad. De hoofdingang is natuurlijk aan het kanaal. Tussen weelderig groen, dat geheel de gevel omrankt, voert een trap naar een kleine binnenhof, waar enkele sculpturen zijn opgesteld. Een open hall verbindt de binnenhof met de tuin. Aan weerszijden ervan liggen de woonvertrekken. Een zijde van de tuin wordt afgezoomd door de ‘barchessa’, een kleine orangerie, die werd omgebouwd om de surrealisten te herbergen.
Het was niet zo eenvoudig voor Peggy Guggenheim, die Amerika met have en goed was ontvlucht, haar collectie in Italië binnen te brengen. De Italiaanse staat eiste hoge tolrechten die Peggy niet wilde of kon betalen. De biënnale van 1948 gaf haar de gelegenheid de verzameling althans voorlopig in Italië binnen te brengen en tot voor kort was ze er nog altijd voorlopig gehuisvest. Er bestond maar één middel om de tolrechten te ontwijken en dat was de verzameling met tolbelasting en al ten geschenke te geven. Peggy bood ze Venetië aan, onder voorwaarde dat zij ter plaatse zou blijven en haar palazzo ten eeuwigen dage als Guggenheimmuseum bewaard bleef. De stad deed er een tijdje over om een beslissing te nemen Maar nu is het zo ver. De collectie Guggenheim is eigendom geworden van de stad en definitief in Italië gevestigd. De biënnales gaan voorbij, maar Peggy zal blijven!
Een van de eerste bezoekers van de Guggenheimcollectie was Bernard Berenson. Peggy had zich voor die gelegenheid in groot ornaat gezet met o.a. oorringen getekend Calder. Zij dankte de meester, die wel enigszins verrast zal geweest zijn, om al hetgeen zij uit zijn boeken had geleerd, en verklapte hem dat het alleen gebrek aan financiële middelen was dat haar had belet oude kunst te verzamelen. Er zat voor haar niets anders op dan zich tot de moder-
nen te wenden. Helemaal gelogen was dat niet. Peggy had inderdaad Berenson bestudeerd. En dat zij zin heeft voor oude kunst bewijzen enkele prachtige stukken uit haar verzameling. Maar de niet alledaagse en in zekere zin toevallige manier waarop haar uitzonderlijke collectie moderne kunst tot stand kwam toont dat het geld er zeker niet de hoofdrol in speelde. Niet helemaal ten onrechte heeft men gezegd dat haar verzameling de etappes van de liefdesavonturen van Peggy Guggenheim beschrijft. En als men haar memoires leest geeft ze inderdaad die indruk. Een van de titels ervan is ‘mijn huwelijken’. Zonder enige schroom verhaalt ze hoe ze alleen haar successievelijke passies tot richtlijnen van haar leven nam. Maar het is toch fel overdreven haar verzameling als een resultaat van deze passies te beschouwen. Collectioneren was voor haar een passie op zichzelf, naast de andere, die in zekere zin dieper ingreep op haar leven dan al haar voorbijgaande avonturen en aan deze eigenzinnige, gefrustreerde vrouw een menselijkheid verleent, die ze boven haar wilde leven laat uitstijgen.
In zijn inleiding op de cataloog van de verzameling spreekt A.H. Barr Jr. in dit verband van Peggy Guggenheim als van een ‘art patron’, iemand die meer doet dan voor haar eigen genoegen of zelfs uit filantropische overwegingen schilderijen kopen, maar die tegenover kunst en kunstenaars een verantwoordelijkheid opneemt. En zijzelf spreekt ergens in haar memoires van een obscure drang die er haar toe drijft kunstwerken te kopen. Dat er in die drang ook een stuk ijdelheid om de hoek komt kijken, zal men al begrepen hebben. Maar ijdelheid kan geen verklaring zijn voor de ernst waarvan de keuze van de kunstwerken getuigt. Hoe men ook over het persoonlijke gedrag van deze vrouw oordeelt, en er valt heel wat op te zeggen, haar verzameling kan men maar verklaren vanuit een diepe, morele gezindheid.
Als jong meisje reeds, toen zij om onafhankelijk te zijn uit ging werken hoewel zij tot een der rijkste families van Amerika behoorde, ontdekte ze de weg naar de artistieke milieus van Greenwich Village in New York. Daar ontmoette ze Laurence Vail, die haar voor enkele jaren helemaal zou inpalmen en haar in de moderne kunstkringen introduceren. Haar eigenlijke activiteit als ‘art patron’ begint echter pas in 1937. Een paar jaar tevoren was ze, na avontuurlijke intermezzo's o.a. als actief lid van de communistische partij, naar Londen gekomen. Daar richtte ze haar galerie ‘Guggenheim Jeune’ op. Voor haar eerste tentoonstelling nodigde ze Brancusi uit. Maar in de plaats kwam Jean Cocteau. Een niet gering verschil! Haar galerie in Londen was het begin van haar verzameling. Veel succes naar buiten had ze niet. Maar ze nam de gewoonte aan zelf de werken van de kunstenaars aan te kopen, of voor haar te laten aankopen door vrienden. Dit werd echter een duur zaakje, waar, zelfs Peggy zich ongerust over maakte. Ze ging dan ook gaarne in op een voorstel van de naïeve en handige Herbert Read een permanent museum voor moderne kunst in Londen op te richten. Ze maakten een lijst op van de
kunstwerken, en deze zou de basis blijven van Peggy's collectie. Ze kocht een moi Regency-huis en H. Read, die tot artistiek adviseur van het museum was benoemd en voor vijf jaar een mooi pensioen gewaarborgd kreeg, betrok het te zamen met zijn familie.
Toen de oorlog uitbrak bevond Peggy zich te Parijs, waar ze aankopen aan het doen was voor haar museum. Ze werd hierbij actief bijgestaan door Nelly van Doesburg, de weduwe van de Nederlandse schilder en medestichter van ‘De Stijl’. Als regel had Peggy aangenomen: ‘één schilderij of beeld per dag’. In Londen had ze reeds Arp, Brancusi, Laurens, Sophie Täuber, Duchamp-Villon, Pevsner, Gabo, Moore tentoongesteld. Nu breidde ze deze collectie verder uit met nieuwe werken van deze en andere kunstenaars, zoals Giacometti, Calder, Lipchitz, Kandinsky, Klee, Miró, Dali, Picasso, Gleizes, Marcoussis, Tanguy, Mondriaan, van Doesburg, Léger, Braque, Man Ray, Duchamp, Gris, Picabia, Delaunay... en noem maar verder op. Toen de Duitsers naar Parijs oprukten vroeg Peggy aan R. Rey, conservator van het Luxembourg, of hij haar schatten soms in bescherming kon nemen. Rey liet zich bewegen om te komen naar haar appartement aan de place Vendôme, waar alles was opgestapeld. Hij zei alleen maar: ‘het redden niet waard’. Peggy vertrok dan maar met haar schatten naar het Zuiden en kon ze een tijdje lang kwijt in de kelders van het museum te Grenoble. De Vichy-regering liet echter niet toe dat dergelijke ontaarding het moreel van het volk zou aantasten. Hier kon Peggy zich niet bij neerleggen en ze speelde het klaar om in 1941 met heel haar verzameling naar Amerika te trekken.
Bij haar aankomst te New York was haar eerste werk het oprichten van een nieuwe galerie ‘Art of this Century’. Meer dan door de tentoongestelde kunstwerken werd deze galerie op slag beroemd door de presentatie. Bij de opening ervan werd er in zalen voetbal gespeeld door kinderen! Peggy ging intussen door met haar eigen collectie verder op te bouwen. Door haar huwelijk met Max Ernst en de vele contacten met surrealisten was haar activiteit bij het begin wel erg op het surrealisme afgestemd. Maar zij gaf er zich vrij gauw rekenschap van dat dit maar een klein aspect vertegenwoordigt van de moderne kunst, waarvoor zij zich nu helemaal had ingezet. De kunst van de jonge Amerikaanse schilders bood haar een uitweg.
Het is met deze verzameling moderne kunst dat zij in 1948 naar Venetië kwam, waar ze nu een plaats heeft verworven als een blijvend défi aan de biënnale. Bij ons weten is dat de enige collectie in Europa die een zo volledig beeld geeft van een halve eeuw moderne kunst, van 1910 tot 1960. Ze bevat een tweehonderd werken, van een vijfennegentig schilders. Alle strekkingen zijn vertegenwoordigd. Peggy Guggenheim heeft steeds geweigerd zich te laten binden, al ligt er natuurlijk wel door de levensomstandigheden een bijzondere klemtoon op het surrealisme.
Deze verzameling beschrijven zou neerkomen op het opstellen van een ge-
schiedenis van de moderne kunst. De bezoekers van Venetië, en zeker die van de biënnale, mogen aan het Palazzo Venier di Leoni, waar nu alleen nog honden en geen leeuwen meer worden gekweekt, niet voorbijvaren, maar moeten op zoek gaan naar het smalle poortje in de San Gregorio, dat de maandag, woensdag en vrijdagmiddag van drie tot vijf voor hen openstaatâ–ˇ
In Le roman des grands collectionneurs (Plon, Parijs) situeert Pierre Cabane Peggy Guggenheim in een serie grote verzamelaars uit de geschiedenis, o.a. Katerina II van Rusland, Sir R. Wallace, de Cognacq's, E.G. Bührle, waar we het onlangs over hadden, G. Wildenstein. Van Peggy Guggenheim leren we niet veel meer dan wat zijzelf vertelt in haar laatste boek Confessions of an art addict. Maar deze vrijmoedige bekentenissen krijgen hier ongewild een andere betekenis daar ze losgeweekt worden van het persoonlijk geval en gezien als een van de verschijnselen van de verzamelwoede.
Van Antwerpen tot Brussel. De kunst als compensatie van de school.
De Linie, 29 juni 1962.
De Russische architectuur op nieuwe wegen.
De Linie, 29 juni 1962.
Rubens diplomaat.
De Linie, 29 juni 1962.
Het christelijk altaar.
Tijdschrift voor Liturgie 3 (1962).
Vernissages aan de lopende band.
De Linie, 6 juli 1962.
In Kortrijk viert Vlaanderen zijn nationaal feest.
De Linie, 6 juli 1962.
Kortrijk viert feest... en visie 62.
De Linie, 13 juli 1962.
Torens op papier en in werkelijkheid.
De Linie, 27 juli 1962.
Baden in de tijd, het water en de zon.
De Linie, 27 juli 1962.
Scheppend ambacht in Vlaanderen.
De Linie, 3 augustus 1962.
Ontmoeting van kerk en cultuur in het kerkgebouw van vandaag.
De Linie, 3 augustus 1962.