Wannneer de tweeënveertigjarige schilder Georges Mathieu - Dali II heeft men hem genoemd! - zijn eigen publiciteit verzorgt door tegelijkertijd een boek te laten verschijnen en een grote tentoonstelling van schilderijen van 1944 tot 1963 in het Musée d'Art Moderne te Parijs en een andere met werk van 1951 tot 1963 in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel te organiseren, dan ligt dit zuiver in de lijn van zijn opvattingen over de taak van de kunstenaar. In zijn nieuwste boek Au-delà du tachisme schrijft hij daarover onder meer: ‘Opdat een kunstwerk zou bestaan, zich historisch zou situeren, volstaat het niet dat het wordt gemaakt. Het moet zich in zijn tijd, in zijn socio-cultureel kader inschrijven. Het moet gemaakt zijn in het bewustzijn niet alleen van wat het is, maar evenzeer van wat het betekent, van wat het bijbrengt, van wat het vernietigt’. En verder in het boek komt hij nog op hetzelfde idee terug, waar hij van de kunstenaar beweert ‘dat hij zich niet mag tevreden stellen met vijftien of honderd schilderijen op een jaar te maken, hoogmoedig de diepe banden die hem met de gemeenschap verbinden ignorerend’. ‘Een kunstenaar, op straffe van een algehele ontbinding van zijn wezen, moet in dialoog met de wereld staan’.
Nu heeft natuurlijk ieder zijn manier van spreken. Klee bijvoorbeeld sprak op een eerder zachte en teruggetrokken toon, maar met een diepe resonantie in
zijn stem. Mathieu houdt van een luidruchtiger en levendiger dialoog. Hij gelooft niet erg meer in de waarde van het zinvol overdachte woord. Hij moet huilen en roepen. Niet in het wilde. Niet zo maar. Maar de precieze kreten van iemand die in nood is, van iemand op het toppunt van de verwondering, van iemand op de spits van de extase, waar het meest individuele het meest universele wordt. Wie zal het Mathieu kwalijk nemen dat hij op deze manier spreekt, tenminste wanneer hij iets te zeggen heeft?
Maar juist dit laatste betwijfelen velen alleen al omdat Mathieu naar hun gevestigde normen soms wat buitenissig doet, omdat hij zich niet gevoeglijk schikt naar de kleine democratische taboetjes van haarsnit en kledij, omdat hij wat vlugger dan gewoon schildert, omdat hij schildert in het publiek (wat een sacrilegie!), het formaat van zijn doeken eerder aan de grote kant kiest, omdat hij zich als een hautain seigneur in historische kledij in zijn luxueuze appartementen laat fotograferen!
In naam van de kunst (hoed af s.v.p.) ergert men er zich aan dat Georges Mathieu in chronometrisch gecontroleerde twintig minuten een doek van twaalf maal vier meter schildert (‘Hommage aux poètes du monde entier’) voor een stampvol theater te Parijs of dat hij te Tokyo voor duizenden Japanners in het uitstalraam van een grootwarenhuis een doek van vijftien meter lengte te lijf gaat of dat in het stadion van Rio de Janeiro waar hij ‘La mort anthropophagique de l'évêque Sardinha’ schildert een paar danseressen om hem heen springen.
In hetzelfde stadion waar men vandaag geërgerd Mathieu de kunst heeft zien honen, juicht men morgen de eerste de beste renner toe die een snelheidsprestatie op zijn naam zet. Waarom dit onderscheid? Mathieu zou antwoorden: omdat men de kunst uit het leven of, wat hetzelfde is, het leven uit de kunst heeft gebannen. Omdat men omheen de kunst al te nauwe en al te fatsoenlijke grenzen heeft getrokken. In zijn kunst wil Mathieu een paar grenzen van het Westeuropese schoonschilderen verleggen. De nieuwe waarden die hij wil integreren zijn deze die voor een goed deel ook de sport tot een boeiend bedrijf maken: snelheid, beslistheid, improvisatie, spel, spontaneïteit, gratuiteit van de daad, meerwaarde van het doen op het werk. Maar in de Kunst mag dat nog niet! Die moet zich nog houden aan abstractere begrippen. Die moet men nog een cerebrale zin kunnen geven.
Er ligt inderdaad een zekere afstand tussen sport- en kunstbeoefening, minder groot dan men zich gemeenlijk voorstelt, maar toch. In de sport immers gaat het werk geheel op in de daad. Daad en werk liggen niet meer uit elkaar. In de kunst daarentegen blijft het werk als neerslag van de daad: het kunstwerk. En het mag nu nog zo sterk en radicaal gerelativeerd worden, zijn bestaan is het wezenlijke medium waardoor de kunstenaar zich uitspreekt en het laatste criterium van zijn kunstenaarschap. Maar men mag, zoals bij Mathieu het geval is, nooit een bepaalde opvatting van het kunstwerk tegen de kunstenaar
uitspelen, zeker niet een bepaalde werkwijze of een bepaald materiaal. Elk authentiek kunstenaar is immers per definitie onconventioneel en schept zich de middelen en methoden om zijn werk te realiseren. Nu moeten we wel toegeven dat Mathieu zich van zijn positie als kunstenaar bijzonder sterk bewust is en dat dit hem bij voorbaat bij een grote groep niet sympathieker maakt. Het hoort nochtans bij zijn kunstenaarschap. Maar ook dit wordt niet aanvaard omdat het een voortdurende bedreiging vormt voor de veilige orde waarin wij ons leven telkens opnieuw definitief willen inbedden.
Alle kunstenaars zijn rustverstoorders. Maar nu is er een hele groep modernen die het zo bont maken dat ze de veilige lui, waartegen ze het hebben, niet meer raken. Er ligt geen aanknopingspunt meer tussen die twee werelden. Hoe vreemd ook, Mathieu wordt nog naar de klassieke opvattingen tot de wereld van de kunst gerekend. Daarom is hij ook nog in staat om ergernis te wekken. Al doet hij de traditie op vele punten springen, hij staat er nog in. En is zich ook bewust ertoe te behoren, ze voort te zetten. Daarom ook kan men hem terecht nog afwijzen als gek, verwaand, als iemand die op een jammerlijke manier zijn rijk talent verspilt.
Maar waarom het niet eens van de andere kant bekeken? Waarom niet het organisatietalent, de publiciteitszin, de activiteit, de intelligentie van een Mathieu bewonderd, die bovendien nog een groot kunstenaar is. Dat hij intelligent enzoverder is bewijst hij voldoende met zijn laatste boek waarin naast het uitvoerige essay over het ontstaan en de geschiedenis van de lyrische abstractie, Au-delà du tachisme, ook de meeste van zijn vroegere opstellen zijn gebundeld.
Dat hij niettegenstaande al de bovenvermelde kwaliteiten ook nog een waarachtig kunstenaar is kan men momenteel zien in zijn tentoonstelling te Parijs tot einde april en in die van Brussel tot 21 april. We hadden het boek van Mathieu nog niet gelezen toen we de Brusselse tentoonstelling bezochten. En waren evenmin door de literatuur van de catalogus van streek gebracht. Maar achteraf hebben wij kunnen constateren dat hetgeen Mathieu in zijn boek als de laatste zin van de lyrische abstractie in de schilderkunst voorstelt in feite ook dé indruk was die zich op de tentoonstelling het scherpst opdrong. Mathieu schrijft: ‘Zo de kunstenaar nog altijd diegene is die, zich inschrijvend in de geschiedenis door de schepping van een werk en zijn wezenlijk doel realiserend in een persoonlijke voltooiing, deel heeft aan al de uitingen van het leven en de cultuur, meer dan enig ander wezen omdat hij begaafd is met een grotere intuïtie en gevoeligheid, dan komt hem alleen de dag van vandaag de taak toe het persoonsbegrip te restaureren; de wereld opnieuw het geloof in echte waarden te schenken door het voorbeeld van het edelmoedige gebaar, van de gave van zichzelf, van de offergeest, en ter vervanging van de noties van veiligheid, welvaart, comfort, de smaak te geven van het waagstuk, het paroxysme, het onbekende; ter vervanging van de kritische geest en de
analyse de scheppende inspiratie en het emotioneel elan te stellen; een inwendige stroom te doen ontstaan door een nieuwe exaltatie van het sacrale, geboren uit de levendige bron van de geestelijke, spontane en sensibele krachten’. De schilderijen van Mathieu zijn directe uitingen van een persoonlijkheid die zich in haar eigen affirmatie bewust wordt; die geen verantwoording meer zoekt buiten zichzelf, maar in haar affirmatie haar absolute bestaansreden vindt. Men kan naast een dergelijke bewering een hele reeks literaire en filosofische parallellen leggen, die aantonen hoezeer de schilderkunst van Mathieu uitdrukking is van één van de constanten van de moderne geest. Want als zijn kunst een waarachtige waarde incarneert, dan moeten we er toch onmiddellijk aan toevoegen dat juist de absoluutheid waarmee hij deze affirmeert het gevaar inhoudt andere even authentieke waarden te negeren... al gaat Mathieu in zijn beste werken diep genoeg om aan het gevaar van een oppervlakkige eenzijdigheid te ontsnappen.
Men mag immers niet de fout begaan een dergelijke zelfaffirmatie van de persoonlijkheid als het reinste subjectivisme te doodverven en ze elke diepere en universele waarde te ontzeggen. Luisteren we nog eens naar wat Mathieu zelf in een interview aan Alain Bosquet verklaarde:
Wat is schilderkunst?
De schilderkunst blijft een middel tot expressie, ook in 1960.
Niets meer?
Neen, maar in de volste betekenis.
Dit wil zeggen: de projectie van de gehele persoonlijkheid?
Ja, en de persoonlijkheid veronderstelt wereldvisie.
Waarom schildert ge?
Om een drama dat het mijne is en dat van alle mensen uit te drukken, uit te zeggen, uit te roepen.
Want gij meent dat uw drama ook dit van alle andere mensen is?
Heel zeker. Ik geloof dat er drie manieren zijn om met de wereld in betrekking te staan. De eerste is zeer oppervlakkig, op het vlak van het individu. De tweede maakt zich een collectieve visie van de wereld bewust en vertaalt ze, zoals Mondriaan het gedaan heeft, sprekend van het universele ik. De derde bestaat erin zo egoïstisch als het maar enigszins mogelijk is, maar ook zo diep als het mogelijk is, in zichzelf af te dalen en daar alle mensen te ontmoeten.
Ook op dit laatste punt komt de ervaring vóór het werk van Mathieu overeen met de intenties. Men heeft immers helemaal niet de indruk hier voor een gesloten, ontoegankelijke, vreemde wereld te staan. De wereld van Mathieu is onze wereld. Zijn affirmatie is de onze. Zijn exaltatie is ook de onze. Met een vervoerende vaardigheid zet hij de tekens van onze bestemming als persoon, tekens die bij hem vaak dramatisch, conflictueus zijn. De persoonlijkheid in onze tijd is immers niet meer het affe geheel, volmaakt passend in het schema van een welgeordende samenleving, die haar haar zin en verantwoording
geeft. De persoonlijkheid is een spel van krachten en verhoudingen die voortdurend omslaan. Voortdurend moet zij zich in de steeds wisselende omstandigheden creatief opbouwen, voortdurend nieuw constitueren tegen het vlakke determinisme waardoor ze van alle kanten is bedreigd. Tegenover haar eigen verleden staat ze ongeveer zoals de schilderkunst van Mathieu tegenover de schilderkunstige traditie waaruit zij voortkomt en waartegen zij zich afzet. De schilderkunst van Mathieu verlost de persoonlijkheid uit het deterministisch patroon, niet door stille beschouwing en inkeer - ook dit is een weg - maar door de daad, door de exaltatie van de persoon als persoon, niet onder een of ander aspect, maar in de totaliteit van haar zelfheerlijk bestaan. In die zin heeft Mathieu nog gelijk wanneer hij beweert dat zijn schilderkunst door en door Westers is en zichzelf een ‘produkt’ noemt van de Westerse kunstgeschiedenis. Slechts een zeer oppervlakkige analogie verbindt de kalligrafie van Mathieu met die van het Oosten, tenminste de traditionele. Deze immers zoekt zich niet te affirmeren tegenover de wereld en de geschiedenis. Zij is als het ware de negatie van de geschiedenis. Zij is uitdrukking van de eeuwige ziel die zich, bevrijd van alle uitwendigheid, één weet met het universele ritme van het zuivere bestaan.
Een confrontatie met de schilderkunst van Mathieu is geen kwestie van smaak meer. Het is een instinctmatige kennismaking met een levensinstelling. De zeer redelijke kaartenhuisjes waarin wij telkens weer geneigd zijn het bestaan onder te brengen worden hier weggeblazen en wij zien het leven weer te voorschijn komen in een verrukkelijke spontaneïteit. Als op de eerste dag. Wij zien het ontwaken uit de chaos, het vorm krijgen uit het niets, telkens opnieuw, fris als het water uit de bron. Dat dit niet in het ijle gebeurt, maar ingeschreven in een zeer concrete geschiedenis leert ons Mathieu, die in zijn schilderkunst de tekens heeft weergevonden die in ons het bewustzijn van de oergrond van de menselijke persoon kunnen losslaan als de geest die vrij en scheppend de wereld ordent en op die manier geschiedenis maakt. En er ook bovenuit stijgtā”
Passie in steen. Aan de Bretoense kusten.
De Linie, 12 april 1963.
De bevrijding tot profaniteit. Drie citaten bij twee tentoonstellingen van gewijde kunst.
De Linie, 19 april 1963.
Engeland bouwt. Les van de traditie, les van het heden.
De Linie, 26 april 1963.