terug  begin  verderprepost

Forum 63, de degradatie van de kitsch.
De Linie, 7 juni 1963.

Men moet een paar riteen met een Gentse tram dwars door de stad hebben gemaakt en een paar Gentse buurten zijn doorgewandeld voor men de tentoonstelling Forum 63 in de gewezen Sint-Pietersabdij te Gent in de gunstigste omstandigheden kan bezoeken. Men geve er met een gerust hart zelfs de 20 frank aan uit die deze gratis-tentoonstelling overigens meer dan

[p. 243]

waard is. De ‘nieuwe realiteit’ immers, die in Forum 63 in het middelpunt van de belangstelling is geplaatst en die men nogal gemakkelijk voor extreme tuiting van irrealiteit aanziet, verkrijgt door een contact met de Gentse werkelijkheid, zoals een zondagmiddagwandelaar die onder een hete, surrealistische zon kan ervaren, een hoge pregnantie.

Men is meteen genezen van elk kunstcomplex en hopelijk ook bevrijd van alle overbodige kunstkritische bagage, zodat men zelfs de ‘dwaaste’ dingen, die men gewoonlijk onmiddellijk met enkele kloeke categorieën van de hand doet, direct op hun menselijke waarachtigheid en waarde kan toetsen. Het ziet er op zulke ogenblikken naar uit dat de kuur om ons te herstellen van heel wat verwrongen voorstellingen aangaande kunst en kunstbeleving nog verre van ten einde is en dat de neigingen om het kunstwerk als stoplap op een kramakkige wereld te beschouwen nog altijd sterk doorwerken.

Het kunstwerk leent zich echter niet langer tot dat spelletje. Integendeel. Het toont ons met een zekere voorliefde de scheuren in een wereld die men nog nauwelijks veilig kan noemen. We leven niet voor niets in de eeuw van de psychoanalyse. En wanneer wij de werkelijkheidsgrond van een hedendaagse avantgarde soms als achterhaald of onbestaand menen te moeten afwijzen, dan bewijst een onbevooroordeelde overgave aan de dagdagelijkse werkelijkheid om ons heen hoezeer het kunstwerk, ook hetgeen alle grenzen van het kunstfatsoen te boven en te buiten gaat, met al zijn vezels in die werkelijkheid gegroeid zit, hoezeer het noodzakelijkerwijze erdoor opgeroepen wordt.

Deze verhouding van kunst en werkelijkheid werkt trouwens in de twee richtingen. Door het nieuw zien en dus ontdekken van een alledaagse werkelijkheid in de nutteloosheid van een zondagnamiddag betasten we de realiteit waaruit de nieuwste strekkingen in schilder-, beeld- en bouwkunst hun reden van bestaan putten. En omgekeerd, door die kunst gaan we de werkelijkheid nieuw en beter zien. In die betekenis is de naam van ‘nieuw realisme’ helemaal niet slecht gekozen. We ontdekken immers een bestaande maar in onze eeuw van sociale vooruitgang en economische expansie meestal genegeerde realiteit in haar afschuwelijke onmenselijkheid, maar terzelfdertijd in haar oergezonde vitaliteit en haar krachtige, oprechte gevoeligheid, die over alle kitsch triomfeert, ja de kitsch zelf tot een bedenkelijk burgerlijke categorie degradeert.

Het ‘nieuw realisme’ legt het er immers op aan de dagdagelijkse, laagbijdegrondse, om zo te zeggen vulgaire, werkelijkheid te integreren. Zij is een verschijnsel van de eeuwige dada-noodzaak in leven en kunst. De werkelijkheid wordt niet doorlicht, niet gesublimeerd, maar in haar volle gewicht aan vulgariteit opgenomen en doorleefd. Het is dat werkelijkheidsgehalte dat over de waarde van het kunstwerk beslist. De aard van het materiaal, het insolite van de voorstelling, het onaangepaste aan het bestaande levensmilieu zijn bij dit waardeoordeel totaal ongeschikte beschouwingen. Of een Claire Falken-

[p. 244]

stein kippengaas aanwendt, een Mimmo Rotella affiches afscheurt, Christo met inpakpapier en koord werkt, Daniel Spoerri een hele ontbijttafel, inclusief sigarettenpeukjes, broodresten en ouderwetse kant, tegen de muur hangt, Camille D'Havé blikken dozen verzamelt, Gerard Deschamps een bazaar van goedkope stoffen en borstels bij elkaar veegt, Yves Tinguely luidruchtige, denkbeeldige machines construeert, Paul van Hoeydonck gedemodeerde mannequins in het wit schildert, doet alles samen weinig terzake.

Wel komt het er op aan of deze - moeten wij ze nog kunstenaars noemen? - met dergelijke materialen in staat zijn een stuk levende werkelijkheid te openbaren: of zij zich niet beperken tot een of andere fantastische inval of tot het illustreren van een ideetje. Wij zouden niet durven beweren dat al die namen die we even terloops hebben vermeld hieraan ontsnappen.

Forum 63 beperkt zich echter niet tot de school van het ‘nieuw realisme’ als zodanig. Zoals verleden jaar de zero-groep werd geïntegreerd in een algemeen overzicht van de hedendaagse schilderkunst, zo wordt dit jaar het nieuw realisme ingeschakeld in de brede waaier van de hedendaagse kunststrekkingen. Daardoor verliest het wel iets van zijn snedigheid. Maar dit verlies wordt, gedeeltelijk althans, goedgemaakt door het feit dat de overige werken die nu niet direct bij dit ‘nieuw realisme’ onder te brengen zijn, hierdoor sterker op de actualiteit worden betrokken, er meer onmiddellijke realiteitswaarde voor de dag van vandaag door verkrijgen. En anderzijds komen door een wederzijdse beïnvloeding van dit realisme en hetgeen men is gaan noemen de zuivere picturale schilderkunst, de wezenlijke en universele waarden waar het in alle kunst om te doen is beter aan het licht.

Forum 63 is zoals de voorgaande, en naar ons gevoel meer dan de voorgaande tentoonstellingen, een belangrijke manifestatie geworden. Op één punt is ze er nog niet in gelukt het provincialisme af te leggen: alles is er vreselijk, zelfs dodelijk gewichtig! Zodat de levende en spontane kunst er een zeker gevaar loopt opnieuw uit het leven geïsoleerd te worden... en bij gebrek aan voedingsbodem te verstikken. Of zijn het de eeuwen geschiedenis die nog in de gewelven van de St.-Pietersabdij hangen die op de tentoonstelling wegen?□

 

Architectuur is persoonlijkheid. Over de noodzakelijkheid en de armoede van de moderne architectuur. Gaudi-Gropius-Mendelsohn.

De Linie, 7 juni 1963.

 

‘Kunst en stad’ toont wat onze musea kunnen zijn.

De Linie, 21 juni 1963.

prepostterug  begin  verder