terug  begin  verderprepost
[p. 245]

Harry Bertoia: een kunstwerk om in te zitten!
De Linie, 28 juni 1963.

Is het je nooit overkomen, terwijl je op de grond liggend met de kinderen aan het stoeien waart, dat je plotseling uit het spel wegzonk en in een moment van afwezigheid tegen de kamer en de dingen erin aankeek als tegen vreemde wezens, die je pas voor het eerst in hun eigenlijke gedaante zag? Of als je (in een oud herenhuis met grote hoge kamers) een lamp moest vervangen in een kristallen luchter die eigenlijk voor kaarsen bestemd was, dat je van boven op de ladder in een wankel evenwicht de voorwerpen en de ruimte om je heen zag zoals je ze nooit tevoren had gezien en dat je een klein, nauwelijks speurbaar, moment van verbijstering kende omdat de vertrouwde wereld waarop al je bewegingen en houdingen veilig afgestemd waren ineens verdwenen was? Je moet het niet eens zo ver zoeken. Alleen maar in een hoek van de kamer gaan staan waar je anders geen voet zet en vanuit dit nieuwe perspectief iets van de vreemde en onpeilbare eigenheid van de dingen waartussen we leven ontdekken.

Dan doe je ongeveer wat een dichter doet. Je kijkt door de conventies die wij de dingen gemakshalve hebben opgelegd heen en ziet oorspronkelijke mysterieuze relaties. Op dit moment wordt een nieuwe wereld geboren. En als je toevallig een kunstenaar bent met voldoende scheppingskracht om die nieuwe ervaring een vorm te geven, misschien ook een kunstwerk. Een beetje met opzet spraken we over die poëtische ervaringen die een banale, dagdagelijkse kamer, een functionele keuken zelfs, kan bezorgen, omdat we het hier moeten hebben over de poëzie van het gebruiksvoorwerp dat een zitmeubel is.

In de vorige kroniek ‘Bouwen en Wonen’ schreven wij dat architectuur persoonlijkheid is en daarmee bedoelden wij juist dat zij uitdrukking moet zijn niet van een of ander rationeel principe, maar van die totale, allesomvattende en telkens nieuwe ontmoeting van de mens met de wereld. Zoals alle kunst wordt ze pas zinvol en boeiend wanneer ze groeit, spontaan en instinctief, uit een reactie van de gehele mens, zoals hij in onzegbaar vele, dooreen-geweven, elkaar aanvullende en elkaar tegensprekende aspecten bestaat. Haar armoede is veelal haar eenzijdigheid, haar al te sterk en rationeel beklemtonen van één of van een groep gelijklopende aspecten, zodat de overige te zeer in het gedrang worden gebracht.

Wat waar is voor de moderne architectuur is het nog meer voor de meubelkunst van vandaag, want meer nog dan de architectuur is zij een integrerend deel van ons wonen en leven. En meer nog dan in de architectuur hebben in de moderne vormgeving de ontwerpers zich beperkt tot het analyseren van de functie en het toepassen van de daaruit gedistilleerde begrippen. De meubelen

[p. 246]

zijn geen kunstwerken meer, maar manifesten.

Karl Arnold tekende destijds (1914) hieromtrent een treffende karikatuur. Men ziet Henry van de Velde met passer en driehoek leunend op een decoratieve Jugendstil-stoel en als onderschrift: van de Velde schiep de individuele stoel. Daarnaast staat Muthesius met een ontwerp in de hand bij een stoel die tot zijn uiterste eenvoud is herleid. Het onderschrift is hier: Muthesius schiep het stoel-type. Beide voornoemde heren zijn in frak. Het derde portret is van een onbekende. Een man, niet heel netjes gekamd noch geschoren, de mouwen opgerold, een werkschort aan en een schaaf in de hand, wijst naar een stoel die verder niet te kwalificeren is. Het onderschrift: schrijnwerker Heese schiep de stoel om te zitten.

De sympathie van de tekenaar gaat duidelijk naar de schrijnwerker die zonder pretentie bruikbare stoelen maakt. Daar valt inderdaad in onze gesofistikeerde tijd wel iets voor te zeggen. Alleen vergeet hij dat er honderden vormen van bruikbare stoel zijn en nog kunnen gevonden worden en dat het woord bruikbaar zeer relatief is en op zijn beurt afhankelijk van de gangbare geesteshouding van een tijd! Hij heeft het wel juist voor als hij zich keert tegen de zuivere manifest-stoelen, zoals zovelen na van de Velde (die zich in sommige van zijn uitlatingen maar niet altijd in praktijk hieraan bezondigd heeft) en Muthesius hebben ontworpen. Sommigen ervan zijn echter weer zo zuiver en radicaal in de formulering van hun principes dat zij wel geen goede stoelen, maar als na te streven limiet ervan bevruchtend op de inspiratie hebben gewerkt en als zodanig hun plaats in het museum verdienen. Bekijk maar even de stoel van Mackintosch van 1902 of de Rietveld-zetel van 1917, beide prachtige en ondubbelzinnige programmaverklaringen.

Zeldzaam zijn de zitmeubelen, die als zitmeubel - en dat is precies van belang - kunstwerk kunnen worden genoemd; die tegelijkertijd eenvoudig bruikbaar zijn in het dagelijks leven, waarvan zij sleur en slenter kunnen opnemen en bestaan, maar ook doorbreken en opvrolijken.

Een van de weinigen die daartoe in staat is geweest was Harry Bertoia (48 j.), wiens gekende serie meubelen, nu tien jaar geleden, door de internationale firma Knoll in produktie werden gegeven en over de gehele wereld verspreid. Harry Bertoia is een geamerikaniseerde Italiaanse schilder en beeldhouwer. Van bij het begin van zijn artistieke loopbaan is hij geboeid geweest door de verhouding van het vele tot het ene, van de verscheidenheid en de eenheid; door de groei en de ontwikkeling van het kleine in de samenstelling van het grote. En omdat hij zich nu eenmaal met ruimtelijke dingen bezig hield, door het spel van de ruimte waarin deze verhouding en deze groei kunnen worden tot stand gebracht. Reeds in zijn schilderijen liet Bertoia zich voeren door dit spel. Kleine en grote vlakken, in gelijkaardige vormen uitgesneden, plaatste hij naast elkaar, liet ze elkaar raken en elkaar overschuiven. Dezelfde experimenten zette hij door met zijn eerste, nog vrij vlak gehouden, reliëfs. Deze

[p. 247]

gingen zich dan heel gauw in de derde dimensie ontwikkelen. Maar Harry Bertoia hield vast aan zijn vertrekpunt: het kleine deeltje, dat tegenover een ander werd gesteld, en dit weer naast een derde en een vierde tot het sculptuur werd, afgewerkt en toch in staat om zich verder te ontwikkelen.

Zij ontwikkelde zich en werd een gehele wand zoals die in de Manufactures Trust Company te New York, waar niet minder dan 800 deeltjes zich schikken in een levend geheel. Zij ontwikkelde zich en werd een zetel. Hoe dit laatste is gebeurd weet ik niet en het heeft misschien ook niet veel belang. Wel is het van belang dat Bertoia die stap heeft gezet, dat hij op een dag die intuïtie had - zij komt van de Japanners beweert hij - dat zijn sculptuur niet alleen bekeken, maar bewoond zou moeten worden, dat het mogelijk was zijn artistieke visie zonder toegevingen in een meubel uit te drukken, dat een echt meubel zou zijn, meer nog, dat het meubel zelf altijd een kunstwerk zou moeten zijn.

Bertoia volgde dus niet de normale weg van het moderne design. Hij vertrok niet van de functie. Hij stelde zich niet voor nu eens een zetel te maken die ook een kunstwerk zou zijn. Zijn betrachting was het kunstwerk dat in het dagdagelijks doen en laten dienstbaar zou zijn. Dit idee kon hij uitwerken dank zij de generositeit van de firma Knoll, die hem een atelier ter beschikking stelde om hem vrij te laten werken, niet aan zijn stoel alleen. Hij kon onbekommerd zijn artistieke experimenten verder zetten - een beetje zoals een researchman in een fabriekslaboratorium. Vijf jaar werkte Bertoia op die manier aan zijn zetel. Tot deze, einde 1952, naast een van zijn ‘vrije’ sculpturen kon voorgesteld worden zonder onder deze vergelijking gedrukt te gaan. De relatie tussen sculptuur en meubel bij Bertoia werd evident. Bertoia zelf zei: ‘Beide bestaan hoofdzakelijk uit lucht. De ruimte gaat er dwars doorheen’. Zoals de sculpturen zijn ook de zitmeubelen uit kleine geometrische eenheidselementen, als uit cellen, opgebouwd en vormen samen één grote cellulaire structuur. Daardoor zijn de meubelen evenals de beelden uiterst helder, doorzichtig, zonder daarom banaal of armoedig te worden. De charme van deze stoelen en zetels bestaat erin dat zij in hun eenvoud, in hun mathematische precisie, toch de fantasie niet verstikken, maar ze door hun eigen ritme boeien.

De Bertoia-zetels werden een enorm succes. Iedereen apprecieerde ze, geboeid door hun speelse oorspronkelijkheid en niet geërgerd omwille van hun eenvoudige vanzelfsprekendheid. Aan hun succes zijn zij niet bezweken. Na tien jaar zijn zij nog fris als op de eerste dag. Vaak werden zij gecopieerd, maar elke copie was een nieuw bewijs hoe sterk het voorbeeld is.

De Bertoia-zetel was een synthese van de plastische visie van de kunstenaar in de vijftiger jaren. In de tien jaar die sindsdien voorbij zijn heeft Bertoia niet stil gezeten. Dit kon men onlangs merken op zijn tentoonstelling in de verschillende Knoll-huizen in Duitsland, Italië en Frankrijk. De evolutie van

[p. 248]

Bertoia is een schoolvoorbeeld van de algemene evolutie die architectuur en beeldende kunsten in het laatste decennium doormaakten: van de heldere doorzichtigheid en het structurele accent naar de verkenning van het mysterie van het concrete, van de geheime macht van de materie, van de betekenis van het toevallige, het unieke.

De voorgaande fase in het werk van Bertoia was, tenminste achteraf gezien, in haar architectonische conceptie als het ware voorbestemd om tot algemene meubelstructuren te inspireren. Kan ook het huidige werk daartoe leiden? Kan ook hier een nieuwe meubelkunst uit groeien? Alleen Bertoia kan hier een antwoord op geven. Intussen gaat de algemene evolutie ook van de interieurkunst duidelijk in die richting. En al herhaalt Bertoia het experiment niet, hij heeft alvast de verdienste, op een ogenblik waar het broodnodig was, een belangrijk aspect van elk gebruiksvoorwerp op een overtuigende wijze in het licht te hebben gesteldâ–ˇ

 

Op de werf van de wereldtentoonstelling 1964. Een verkeken kans te meer voor België.

De Linie, 26 juli 1963.

 

Grootmeesters van de hedendaagse architectuur.

De Linie, 26 juli 1963.

 

Modigliani was een beeldhouwer.

De Linie, 2 augustus 1963.

 

Een mat seizoen met één grote ontgoocheling.

De Linie, 16 augustus 1963.

 

Schrift en Beeld, een suggestieve cataloog.

De Linie, 16 augustus 1963.

 

Een monument voor het glas.

De Linie, 30 augustus 1963.

[p. 249]

Michel Seuphor. Contemplatie.

De Linie, 30 augustus 1963.

 

Architectuur als menselijke activiteit, een boekenreeks.

De Linie, 30 augustus 1963.

 

Steendrukkerij de Jong & Co, een zaak met fantasie.

De Linie, 6 september 1963.

 

Koptische kunst te Essen.

De Linie, 6 september 1963.

 

Georges Braque: le patron is heengegaan.

De Linie, 6 september 1963.

 

De ideale kerk. Een provinciale prijsvraag.

De Linie, 6 september 1963.

 

Affligem, de ogen zijn op u gericht.

De Linie, 13 september 1963.

 

Tokyo en de Olympische Spelen.

De Linie, 27 september 1963.

 

Rafaël.

De Linie, 4 oktober 1963.

 

De jonge kunst van de Hittiten.

De Linie, 11 oktober 1963.

 

Kurt Schwitters in Keulen.

De Linie, 25 oktober 1963.

[p. 250]

Hans Hartung nu.

De Linie, 15 november 1963.

 

Noordelijk Rijnland, een wereldstad.

De Linie, 15 november 1963.

 

Dürer.

De Linie, 22 november 1963.

 

Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen.

De Linie, 6 december 1963.

 

Moderne Italiaanse beeldhouwkunst.

De Linie, 6 december 1963.

 

Randgebieden van de woning.

De Linie, 6 december 1963.

 

Oskar Kokoschka.

De Linie, 13 december 1963.

prepostterug  begin  verder