terug  begin  verderprepost

Monoloog van Abdij Ter Kameren.
De Standaard der Letteren, 6 februari 1965.

Aan de bouwkunst in België wordt zo weinig aandacht besteed, dat men bij voorbaat geneigd is elk zinnig woord op meer dan gewone belangstelling (en wellicht meer dan strenge kritiek) te onthalen. Door zijn mysterieuze titel en zijn zeer verzorgde presentatie verscherpt Albert Bontridders Dialoog tussen

[p. 292]

licht en stilte over de hedendaagse bouwkunst in België nog die geneigdheid en spant daardoor de verwachtingen nopens dit boek zeer hoog. Te hoog? De ontgoocheling is immers navenant. We zouden bijna zeggen: het is zonde dit boek te lezen en zeker te analyseren. Men wordt er slechts een illusie rijker door: de eerste ernstige geschiedenis van de hedendaagse bouwkunst in België moet nog worden geschreven. Bontridders boek is niet veel meer dan een onderhoudend praatje waarin enkele pertinente dingen gemengd worden onder nogal wat slordig gedebiteerde gemeenplaatsen.

De titel staat op zichzelf. Een dichterlijke reminiscentie van de letterkundige Albert Bontridder. Het boek is minder poëtisch. De auteur stelt dat België ‘een aan de architectuur vijandelijk land is’ waar de enthousiaste creativiteit van enkele waarachtige architecten gefnuikt wordt door de weerbarstigheid en het onbegrip van de private of de publieke bouwheer. Die creativiteit is, naar de auteur meent, alleen te vinden in de kleinere schaar bouwmeesters uit de Hogere School voor Bouw- en Sierkunsten van de Abdij Ter Kameren te Brussel. Gelukkig houdt hij in de loop van het boek deze eenzijdigheid niet vol en brengt hij ook waardering op voor architecten die nooit met dit milieu in aanraking zijn geweest. Dat zelfs de creatieve elite van Ter Kameren zich niet kon doorzetten ligt aan het feit dat de Belgische ‘bevolking nog benadeeld is door zijn tweevoudige, en in tweespalt levende oorsprong’ (sic). ‘De tweespalt tussen het Franstalige en Nederlandstalige gebied krijgt nog een tragischer uitzicht in betrekking tot het lot dat aan de bouwkunst in België beschoren is, indien men de passie onder ogen neemt, die de bevolking verdeelt in confessionele en vrijzinnige partijen’. Aan die verdeeldheid beantwoordt de vermenigvuldiging van de instituten waar de bouwkunst gedoceerd wordt en het absurde feit dat in België even veel architecten leven als in Frankrijk. Een ander gevolg van deze toestand is dat de ‘autoriteit van de bouwmeesters tegenover de bouwheer door het overtalrijke en onvoldoende gevormd beroepskorps ernstig in het gedrang wordt gebracht’. Niemand zal deze feitelijkheid betwisten. Maar men had, geloof ik, mogen verwachten dat er een nauwgezetter analyse werd van gemaakt.

Op deze inleiding volgt een staaltje subjectieve geschiedschrijving - subjectief hier dan in de zin van wille- en onnauwkeurig. De auteur permitteert zich, in een vaak incorrecte taal, zo maar te noteren wat hem door het hoofd gaat zonder zich erg veel te bekommeren om het feit of gebeurtenissen en namen die hij vermeldt inderdaad representatief zijn. Wij laten hier dan nog hun verhouding tot het thema van het boek in het midden. De auteur schijnt soms te vergeten dat hij het over de hedendaagse bouwkunst in België heeft of zou moeten hebben en dat de lezer van hem mag veronderstellen dat hij de geschiedenis van de moderne architectuur in het buitenland voldoende kent om die van België te kunnen interpreteren. Hij hoefde zijn lesje niet meer op te zeggen. Een beetje onverwacht komen we dan toch uit het Brussel van

[p. 293]

1880. Onze aandacht wordt even toegespitst omdat we hier tenminste naar een verantwoorde synthese uitzien van deze uiterst boeiende periode van de Belgische bouwkunst die nog nooit exhaustief werd behandeld. Maar de ontgoocheling zet zich ook op dat punt door. Wij krijgen slechts een paar erg conventionele portretjes van Victor Horta en Henry van de Velde te verwerken.

Het beeld van de architectuur in België tussen de twee wereldoorlogen wordt omlijnd door de terugkeer van Henry van de Velde (‘na enige jaren voor een Nederlandse firma in Wassenaar aan het werk te zijn geweest’!) en de stichting van de School voor Bouw- en Sierkunsten van Ter Kameren (het ware juister die naam in het Frans te citeren); de goede strijd van de tijdschriften (Het Overzicht, Opbouwen, Van Nu en Straks, Sept Arts, La Cité); de sociale bouwkunst; de verhouding van de Belgische architecten tot de internationale avantgarde-bouwkunst; de architectonische activiteiten te Antwerpen en te Luik. Ook hier wordt alles in het vage gelaten. De namen van de tijdschriften bijvoorbeeld worden vermeld. Maar nergens vindt men één aanduiding over hun strekking of hun betekenis. Men heeft er het raden naar welke invloed Het Overzicht van Seuphor uitoefende op de architectuuropvattingen in België. De betekenis van een figuur als Huib Hoste kan men zelfs tussen de regels van dit boek niet lezen, al blijkt Bontridder anderzijds een hoge waardering voor hem te hebben. Met enthousiasme herdenkt hij Victor Bourgeois, maar nergens in het boek is deze figuur uitgetekend. En zo zou men de voorbeelden kunnen vermeerderen. Ook wat betreft de bouwkunst na 1945. Zelfs de bouwmeester Léon Stijnen, aan wie het boek is opgedragen, moet het stellen met enkele louter toevallige aantekeningen over de (niet zo originele) structuur van zijn jongste kantoorgebouw te Antwerpen. Geen woord over zijn opvattingen over het onderwijs, geen woord over zijn architectuur tenzij dat hij ‘een architectuur wil tot stand brengen die in de bouwkunstige en economische orde tot algemeengeldendheid uitgroeien kan’. Een karakteristiek die, naar het me voorkomt, weinig karakteristieks heeft.

Die vrij negatieve indruk die een slordige tekst wekt, wordt jammer genoeg niet opgeruimd door de illustraties. Daar is vooreerst nergens een situatieschets, nergens een tekening van een plattegrond, een opstand of een doorsnede te bekennen. Geen enkel interieur krijgen we te zien. Nergens mogen we de ‘intense poëzie’ van de binnenruimte aanvoelen. Men kan er dat alles nog bijnemen en begrijpen dat men voor een keer de dialoog tussen licht en stilte alleen maar van buitenaf wil beluisteren. Maar zelfs in dat geval moeten we nog enkele onvergeeflijk nietszeggende foto's registreren. Is het zo moeilijk een goede foto te maken van de kantoorgebouwen van Eggericx en Verwilghen aan de Meeussquare te Brussel? Of van het Volkshuis van Horta? Of van de Parkwijk aan de Heizel? We nemen gaarne aan dat het een haast onmogelijke taak is in een vijftigtal foto's de geschiedenis van de moderne

[p. 294]

architectuur in België samen te stellen die niet voor kritiek vatbaar zou zijn. Wij willen hier dan ook de kritiek in die zin niet openen. Maar ons houdend aan de keuze die de auteur zelf voorstelt, zien we toch niet in waar Roger Bastin het verdiende met drie foto's vertegenwoordigd te zijn noch waarom twee gelijkaardige foto's van Peter Callebouts, overigens zeer fraaie, bungalow te Nieuwpoort worden genomen?

Alles, tekst en illustratie, wijst erop dat de maker van dit boek het zich gemakkelijk heeft gemaakt. Hij die de architectonische cultuur in België terecht bitter aanklaagt, heeft deze met zijn boek geen goede dienst bewezen. Natuurlijk mag men uit de slordigheid van taal en samenstelling niet onmiddellijk besluiten tot slordigheid in de architectonische aanpak. Maar de eerbied voor het object en voor de gebruiker ervan die van de uitgever van een boek allereerst verondersteld mag worden, staat zeer dicht bij de eerbied voor het object en voor de gebruiker ervan die van een architect verwacht mag worden als eerste en onontkoombare voorwaarde voor echte en voor grote architectuur. Deze eerbied hebben we in dit boek pijnlijk gemistâ–¡

 

Le Corbusiers derde kerk wordt in Firminy geplant.

De Standaard der Letteren, 20 februari 1965.

prepostterug  begin  verder