Jaarlijks, begin februari, komt er te Brussel een handvol architecten bijeen om te onderzoeken aan welke Belgische architect de Van de Ven-prijs voor bouwkunst kan worden toegekend. We zijn verplicht deze vrij omslachtige formule te gebruiken, want de heren van de jury schijnen er sinds verleden jaar niet meer van overtuigd te zijn dat zij die prijs aan het ingestuurde werk kunnen toekennen. Zij nemen ineens de statuten, die hun bij het begin van de vergadering worden voorgelegd, weer ernstig op. De prijs moet immers de erkenning inhouden van een werk, in de loop van het voorbije jaar gereedgekomen, dat het meest karakteristiek is voor de moderne geest, het best beantwoordt aan de eisen van de tijd en tot voorbeeld kan gesteld worden om vooruitgang, ontwikkeling en integratie van kunst en techniek te verspreiden. Tot vorig jaar heeft deze eis van het reglement geen enkele van de zevenen-
twintig jury's die sinds 1928 zijn vergaderd, kopbrekens bezorgd. De prijs werd telkenjare toegekend. Er was altijd een beste werk. Het oordeel van de jury over dit beste werk kwam echter gaandeweg, vooral sinds de oorlog, minder en minder overeen met het oordeel van hetgeen we kunnen noemen het bewuste deel van de (vooruitstrevende) architecten in België. Het begon mis te lopen met de Van de Ven-prijs. Jaar na jaar verloor hij aan prestige. Hijzelf was niet veranderd. Maar er was een stuk geschiedenis ongemerkt aan voorbijgegaan. Het aantal inzendingen liep terug. Verdienstelijke architecten dachten er niet aan er nog naar mee te dingen. De uitslag werd niet eens meer op felle kritiek onthaald zoals vroeger. Lusteloos nam men er kennis van.
Zolang de stichter leefde, weigerde hij de geleidelijke aftakeling van zijn prijs, die eens een gewaardeerde onderscheiding voor een architect was geweest, onder ogen te nemen. Pas na zijn dood in 1962 begonnen zijn opvolgers naar middelen uit te zien om het gezag van de Van de Ven-prijs te redden.
Het zwakste punt van het geval lag ongetwijfeld in de samenstelling van de jury. Een prijs is waard wat de jury waard is. De juryleden in de Van de Ven-prijs werden door het lot aangewezen onder de architecten ingeschreven bij de provinciale beroepsorganisaties. Een louter toevallige samenstelling dus, zonder enige homogeniteit, zonder enig gezag, anoniem. Een werk dat het ene jaar bekroond werd, kon het volgend jaar worden afgewezen. Dat deze instelling niettegenstaande haar ongeschikte organisatie toch een feitelijke continuïteit bezat en prestige genoot, was te danken aan de belangrijke invloed die de heer Van de Ven zelf en een paar van zijn vrienden op de toekenning van de prijs uitoefenden.
In 1964 werd aan de al te gratuite samenstelling van de jury een beetje gedokterd. De koninklijke federatie van de Belgische architectenverenigingen die zich verdienstelijk gemaakt hadden voor hetgeen progressieve architectuur wordt genoemd en wat eenvoudig goede architectuur zou moeten heten, stelt een lijst van vooraanstaande architecten samen. Deze lijst moet om de drie jaar herzien worden. Vanaf de eerste keer werkte het nieuwe systeem.
De jury van verleden jaar, samengesteld uit de architecten A. Jacqmain, P. Felix, E. Fettweis, S. Guilissen-Hoa, M. Jaspers, kende voor de eerste maal in de geschiedenis van de Van de Ven-wedstrijd geen prijs toe. De jury van dit jaar, samengesteld uit de heren R. Courtois, R. Panis, G. Pepermans, F. Sohier, J. van den Bogaerde, ging nog verder en weigerde prijs én meldingen toe te kennen. Meer nog. Zij merkte op - in een onverteerbaar Nederlands dat wij gevoeglijkheidshalve vertalen - dat de inzendingen voor de wedstrijd geen adequaat beeld verschaffen van de recente architectuurontwikkeling in België en dat het dus noodzakelijk is voor de volgende jaren naar een nieuw selectiesysteem uit te kijken om een meer verantwoorde samenstelling van de te beoordelen inzendingen te bekomen. De beslissing van de jury het jaar tevoren kon men nog interpreteren als een rustig oordeel van een gezagheb-
bend team architecten over de toestand van de architectuur in ons land. Dat oordeel kon dan gemakkelijk ingeschreven worden binnen het kader van een breder fenomeen: de inadequaatheid van de inzendingen met de eisen van de prijsvraag. De Jeune Peinture Belge wist jarenlang met haar prijs geen weg. En de romanprijsvragen zitten blijkbaar allerwegen met hetzelfde probleem. Dit jaar keerde de jury zich tegen de instelling zelf die haar haar opdracht gaf en verklaarde langs haar neus weg dat ze niet meer is aangepast aan de geëvolueerde omstandigheden.
Het is een beetje gek te constateren dat op één enkele uitzondering na geen van de hervormde juryleden, dit en vorig jaar, het in de Van de Ven-prijs ooit verder dan tot een schamele melding had gebracht. De analyse van de verborgen wraakgevoelens die hier eventueel meespelen, laten we aan psychologen over. We houden ons aan de feiten en juichen die radicale beslissing van de juryleden toe.
Men mag ze niet minimaliseren. Ze betekent niet dat de inzendingen dit jaar zoveel minderwaardiger waren dan vroeger. Met gerust gemoed en met even veel recht als de jaren tevoren had de jury een prijs en enkele onderscheidingen kunnen toekennen. De kleine stadswoning van Charles Dumont te Luik bezit meer kwaliteiten dan gelijk welk van de geprimeerde werken van de laatste drie jaar. Het kantoorgebouw van Montois, hoezeer dit ook mijn verwachtingen betreffende die architect teleurstelt, blijft, altijd in de traditie van Van de Ven, vermeldenswaard. En met wat goede wil en zonder al te grote compromissen zou men namen kunnen vinden voor de vijf vermeldingen die gaan van tienduizend tot tweeduizend frank. (Men ziet: de aantrekkingskracht van de prijs Van de Ven ligt niet in de bestede sommen. Het ware misschien niet dwaas het bedrag van prijs én vermeldingen tot één prijswaardige som samen te brengen!).
De beslissing van de laatste jury moet men zien als een verzet om het gekke spel nog verder mee te spelen en als een eis om van de enige instelling voor architectuurbevordering in het land, die een zeker prestige had verworven, opnieuw iets levends te maken. De prijs is ingesteld op een ogenblik dat het begrip zelf van de moderne architectuur nog moest verdedigd worden. Daarom werd hij ook, afgezien van zijn interne waarde, spontaan tot een centrum voor allen in het land die de betekenis van de moderne architectuur hadden ingezien en probeerden, zo goed en zo kwaad als ze konden, er zich voor in te zetten. Strenge eisen werden toen niet gesteld.
Nu ligt de situatie niet meer zo eenvoudig. De authentieke ‘moderne’ architecten zijn nu even geïsoleerd als vroeger. Maar hun isolement tekent zich niet meer af tegen een traditionalistische heimatbouwkunst, maar tegen een nog protseriger modernistisch academisme, dat de klank van het woord modern iets degoutants heeft gegeven. Deze evolutie heeft de Van de Ven-prijs genegeerd. Op het beslissend ogenblik is hij doorgegaan zich tevreden te stellen
met een schijn van modernisme, toen hij daarentegen had moeten opteren, overeenkomstig zijn statuten overigens, voor de authentieke menselijke waarden die de evolutie van de moderne architectuur dragen. Dat hij destijds aan het werk van een Hoste is voorbijgegaan, kan men nog verklaren. Maar dat hij in 1965 doorgaat met de reële waarden van de architectuur te miskennen, omdat de makers ervan het vertikken ermee op te lopen, is niet meer goed te praten. De jury van dit jaar heeft de Van de Ven-prijs voor de keuze gesteld goede architectuur te bekronen en die te gaan opsporen waar ze te vinden is, of zich verder tevreden te stellen met een keuze te doen onder het vaak minderwaardige werk dat haar toevallig wordt voorgelegd. Naar wordt gehoopt niet te laat. We hebben niet te veel van dergelijke instellingen om ons te kunnen permitteren ze te laten vallenâ–ˇ