terug  begin  verderprepost

L.H. De Koninck, een boeiende architekt.
De Standaard der Letteren, 20 maart 1965.

In 1962 werd door de Centrale Vereniging voor Bouwkunst van België besloten om de drie jaar een Belgisch architect de gouden medaille van de Belgische architecten toe te kennen voor het geheel van zijn werk. Drie jaar geleden werd ze voor het eerst uitgereikt aan Jean J. Eggericx. Voor de tweede maal werd ze dit jaar toegekend aan Louis H. De Koninck. Dat het zo moest, stond in de sterren geschreven. Louis H. De Koninck is een van de prominentste persoonlijkheden die de Belgische architectuur in de eerste helft van de eeuw heeft gekend. Hij is daarom niet minder onbekend. Zijn architectonische visie heeft hij slechts kunnen verwerkelijken in enkele eengezinswoningen en in een paar projecten van grotere omvang, die nooit werden uitgevoerd. De gouden medaille rondt op een gelukkige wijze de rehabilitatie van deze figuur, die al een paar jaar aan de gang is, af. Met verbazing geven jongeren zïch nu rekenschap van de vroegtijdigheid, de veelzijdigheid en vooral de rijke kwaliteit van zijn oeuvre.

Dit oeuvre vormt een compleet handboek van de moderne architectuur. Geen aspect ontbreekt eraan. Zelfs niet het theoretische. Een schetsmatig portret als het onze kan men best met dit laatste aanzetten. Zijn opvattingen over de architectuur heeft Louis De Koninck meegedeeld in zijn onderwijs. In 1941 werd hij professor aan de Hogere School voor Bouwkunst van Ter Kameren. Zoals in alles wat hij aanpakt, laat hij het ook hier niet bij het overnemen van versteende schema's. Hij wil zijn onderwijs, zoals zijn architectuur, op de eerste plaats persoonlijk. Expliciet verklaarde hij het op een congres voor

[p. 298]

architectuuronderwijs te Roermond in 1953: ‘Architectuuronderwijs kan niet anders dan individueel zijn. Het is dus in een rechtstreeks gesprek tussen meester en leerling dat het wordt beoefend’.

Het rechtstreeks en persoonlijk contact dat hij vraagt in de relatie meester-leerling zet hij ook voorop bij de verhouding van architectuurstudent tot de werkelijkheid waarop hij zich voorbereidt en die volgens De Koninck een menselijke en een architectonische werkelijkheid is. Geen tekeningen van tekeningen wilde De Koninck, maar direct in tekeningen omgezette werkelijkheid, zodat de student, de latere architect, van de waarde van een tekening een reëel besef heeft. En in omgekeerde richting moet elk project zo ontworpen worden dat het onmiddellijk gebouwd en bewoond kan worden. Dit veronderstelt dan bij de ontwerper een persoonlijke kennis van de materialen en van hun specifiek bouwkunstige en structurele eigenschappen. De bewapening voor zijn betonwanden tekende De Koninck inderdaad ook eigenhandig. Hij ging er fier op dat zijn studenten van het eerste en tweede jaar de secties van hun betonbalken konden berekenen.

Maar deze technische en formele kwaliteiten staan volgens de Koninck in dienst van de functionele ruimte. In 1952 zei hij: ‘Wij hebben ongelijk niet in alle oprechtheid de eeuwige vergelijking te aanvaarden: sociale behoeften + technische voorwaarden = architectuur’. Men mag deze krasse uitspraak echter niet isoleren van het geheel van De Konincks conceptie. Hij was geen dorre functionalist die de menselijke behoeften herleidt tot geijkte afstandsmaten en hygiënisch comfort. Zijn functionalisme is een kwaliteit van de geest. En het was precies die geest die hem dwong ook de sociale behoeften en de technische voorwaarden als menselijke waarden in zijn architectuur te verrekenen, hetgeen helemaaf niet wil zeggen dat hij zijn architectuur daartoe herleidde. Niemand heeft meer dan hij belang gehecht aan de ruimtelijke gevoeligheid van de woning, het afgewogen spel van de volumes, de heldere zuiverheid van de compositie. Maar deze als men wil formele kwaliteiten waren bij hem haast nooit gratuit. Zij waren niets anders dan de poëzie van het zinrijke menselijke wonen zelf. En hier keren we dan weer terug naar het persoonlijke aspect van zijn schijnbaar geometrisch werk. Want zinrijk wonen is persoonlijk wonen. Functioneel en persoonlijk waren voor De Koninck helemaal geen tegengestelden. Het functionele sloot voor hem het persoonlijke in. Het is in dit verband opvallend hoe vrij hij zijn beperkte, elementaire vormentaal hanteert.

Zo zijn we vanzelf van de theorie van een gezond en ruim functionalisme naar de praktijk ervan in het persoonlijk werk van De Koninck vergleden. Noch het een noch het ander kan men hem als originele verdienste aanrekenen. Zijn verdienste bestaat erin dat hij de gangbare theorie niet als een formule overnam, maar ze van binnenuit bezielde en persoonlijk leven gaf. Hetzelfde kan men zeggen van de concrete vorm die hij aan zijn functioneel bouwwerk gaf.

[p. 299]

Het was die van de internationale avantgarde-architectuur van de jaren twintig, verzakend aan alle ornament, de schoonheid zoekend in de klare verhouding van geometrische volumen, in het ritme van open en gesloten, verticaal en horizontaal, in de chromatiek van elementaire kleuren, het liefst nog van wit en zwart, m.a.w. in een vrij strenge vormdiscipline die nog een erfenis was uit de voorbije periode. Vanzelf, eenvoudig door zijn persoonlijke aanpak van de opdracht, versoepelde en verfijnde Louis De Koninck die. Nooit heeft hij zich tot een abstracte compositie laten verleiden. Zijn compositie had haar reden van bestaan in de woning zelf. Van de architectuur van de jaren twintig is De Koninck overigens nog op veel andere punten een waardige exponent. Zijn volle aandacht ging uit naar de nieuwe materialen zoals staal en beton en hij droeg er veel toe bij deze materialen bouwwaardiger te maken; naar de nieuwe technieken van standaardisatie en prefabrikatie; naar de nieuwe opgaven zoals de kleine sociale woning.

Na zijn studies aan de academie en aan de nijverheidsschool te Brussel begon Louis De Koninck in 1916, twintig jaar oud, zijn loopbaan in dienst van een fabriek waarvoor hij geprefabriceerde betonelementen voor de bouwindustrie ontwierp. Twee jaar later is hij aan het werk in een atelier voor stalen ramen, het eerste in België. Reeds in 1920 past hij ze zelf toe bij een verbouwing in Hertoginnedal. Een van de eerste gordijngevels tekende hij in 1937 voor een winkelpand te Antwerpen: Zijn opzoekingen leiden in 1920 tot het ontwerp van een volledig geprefabriceerde woning die hij zelf ook compleet inricht. Het was het begin van een vruchtbare designactiviteit die een integrerend deel uitmaakt van zijn architectonische conceptie. Het design immers van het dagelijks leven was als het ware de kern waaruit de architectuur zich ontplooide. De ruimte is voor hem, hoe algemeen hij ze ook houdt, niet anoniem zoals voor Mies van der Rohe, maar geïndividualiseerd door haar functie. Het design verklaart ook zijn scherpe aandacht en zijn grote gevoeligheid voor het detail

De eerste volwaardige expressie van zijn opvattingen over architectuur gaf De Koninck in zijn eigen huis, gebouwd te Ukkel in 1923-1924. En eigenlijk maakt hij van dan af geen belangrijke evolutie meer door. Zijn architectonische opvattingen blijven wat ze waren. Maar hij drijft zijn technische opzoekingen steeds verder om zijn hoge plastische en ruimtelijke eisen volmaakter te kunnen realiseren. Een illustratie van deze gevoelige vooruitgang in de beheersing van zijn middelen heeft men in het huis voor een schilder dat hij slechts twee jaar later naast zijn eigen huis te Ukkel bouwt, een vroeg voorbeeld van een duplex-woning. Een nieuwe stap deed hij toen hij in 1928 een woning volledig in beton bouwde. Dit procédé liet hem een nog grotere precisie in de afwerking toe.

We kunnen hier niet alle werken van Louis De Koninck vermelden. We verwijzen naar de monografie die Architecture 64, nummer 58, aan hem wijd-

[p. 300]

de: een vrij volledig overzicht van De Konincks oeuvre. Het geeft jammer genoeg geen documenten over het veelbesproken ontwerp waarmee de architect onder de oorlog de prijsvraag voor de nieuwe Muntschouwburg te Brussel won.

Al de werken van De Koninck bezitten dezelfde wezenlijke kwaliteiten die ze, zelfs in hun formele beperktheid, ook voor onze tijd exemplair en boeiend laten zijn. Ze blijven meesterwerken waarin een hooggestemde opvatting van het menselijk bestaan en wonen in kristalheldere vormen is beklijfd. De gouden medaille is hem daarom van harte gegundâ–ˇ

 

Koptische kunst.

Streven 6 (1965).

 

Het kerkgebouw van morgen.

De Standaard der Letteren, 5 april 1965.

prepostterug  begin  verder