Op het kasteel van La Sarraz in Zwitserland stonden er in 1928, bij de stichting van de CIAM (Les Congrès Internationaux d' Architecture Moderne), twee figuren tegenover elkaar: Le Corbusier en Hugo Häring. Le Corbusier, die het programma van het congres in elkaar had gestoken, ontvouwde er zijn visie op de moderne architectuur in enkele heldere slagzinnen in de aard van: ‘Messieurs les Architectes. Nos yeux sont faits pour voir les formes sous la lumière. Les formes primaires ont les belles formes parce qu'elles se lisent clairement’. Of: ‘Opérant par le calcul, les ingénieurs usent des formes géométriques, satisfaisant nos yeux par la géométrie et notre esprit par la mathématique. Leurs oeuvres sont sur le chemin du grand art’.
Hugo Häring dacht er anders over. Voor hem waren geometrie en hoge kunst van de architectuur dé kenmerken van het verleden waarmee hij wilde afrekenen. Hij geloofde immers dat het uit was met de architectuur, uitdrukking van geometrische scructuren en geometrische culturen. Egyptenaren, Grieken, Romeinen en de Westeuropeanen na hen hebben eindelijk als vrije men-
sen gaan bouwen. Een bouwen dat uitdrukking zal zijn van een organische structuur en cultuur.
Bijna veertig jaar na die historische confrontatie is Le Corbusier overal bekend als dé architect van de eeuw. Hugo Häring is gewoon vergeten, verdwenen in die vreemde ‘stiltezone’ van de architectuurgeschiedenis. Maar zijn woorden zijn het die nu door de jongeren, vaak zonder te weten wie ze zo lang geleden al uitsprak, met klem worden verdedigd. In het jaarboek World Architecture One bijvoorbeeld schrijft Shadrach Woods, van het team Candilis, Josic, Woods: ‘Willen wij vandaag de echte problemen voor architect en planner onder ogen nemen, dan moeten we woorden als “architectuur”, “townplanning”, “urbanisme” overboord gooien en geheel onze aandacht vestigen op het scheppen van een “environment” voor elk niveau van menselijk samenleven’.
Dit feit halen we niet op om de onrechtvaardigheid van de geschiedenis te illustreren noch om een bewijs te leveren van Hugo Härings uitspraak ‘Erfolg ist unsinn’. (Zonder hoofdletter!). Le Corbusier is onvergelijkelijk sterker en dynamischer dan Häring. En het was misschien goed, zoals Joedicke ergens noteert, dat de simplistische directieven van Le Corbusier het toendertijd haalden. We mogen ook Le Corbusier niet tot zijn uitspraken herleiden. Hij groeit een stuk boven zijn contradicties uit. Hugo Häring misgunde overigens Le Corbusier zijn succes niet. ‘Succes is onzin’ betekende voor hem ook geen resignatie in zijn eigen minder succesrijk leven. Deze zin was slechts de uitdrukking van zijn geloof in zijn inzicht. Succes of mislukking deden niets aan de waarachtigheid ervan af. De ‘problemierer’ Häring kon echter niet denken als Le Corbusier. Zijn ideeën moesten uit elkaar groeien tot een geordend en allesomvattend inzicht. Zijn bouwen was een toepassing van dit denken. Het is dan ook vooral als theoreticus dat hij vandaag, nu de geloof-waardigheid van de modernistische principen fel is aangetast, meer dan ooit actueel is. Dit wordt bevestigd door de belangrijke monografie die Lauterbach-Joedicke onlangs over hem hebben uitgegeven in de Dokumente der modernen Architektur.
Häring werd geboren in 1882 te Biberach/Riss, een stil Zwabisch stadje. Zijn vader was schrijnwerker. Zoals zijn generatiegenoten Mies van der Rohe en G.T. Rietveld was het via de houtbewerking dat hij tot de architectuur kwam. Hij was de enige van dit drietal die het hout, die organische bouwstof, ook in zijn werken en opvattingen getrouw zou blijven. Na zijn studies te Biberach en te Ulm, gaat hij architectuur studeren aan de Technische Hogeschool te Stuttgart. Het bevalt hem daar zo weinig dat hij het gedurende een wintersemester in Dresden gaat beproeven. Maar toen Th. Fischer te Stuttgart benoemd werd, kwam hij naar zijn eerste school terug. Daar voltooide hij zijn opleiding in 1903.
Zijn allergie voor het woord ‘architectuur’ moet uit die periode stammen.
Hij liet het tenminste zo verstaan in een voordracht die hij in 1946 aan diezelfde Technische Hogeschool van Stuttgart hield. Architectuur was op de school synoniem met historiserende bouwstijlen. De studenten wisten echter dat daarbuiten van de Velde, Wagner, Berlage, De Darmstädter met Olbrich en de latere Werkbundleute aan het werk waren. Zij gingen kijken naar tentoonstellingen van de impressionisten. Zij waren bekend met het werk van Rodin en van Gogh. ‘Met één voet zat men vast op een plaats waar de verschillende draden van de traditie in verwarring waren geraakt, met de andere was men al op weg naar de toekomst’. Die tegenstelling werd oorspronkelijk uitgedrukt met ‘Klassik oder Gotik’, maar later vervangen door ‘Geometrie oder Organik’. ‘Met geometrie en organiek zijn twee verschillende ordeningswerelden bedoeld. Het gaat erom te weten in welke wereld wij leven en willen leven en naar welk ordeningsprincipe wij ons werk zullen verrichten’.
Die studentengesprekken werden heropgenomen toen Häring, na een verblijf te Ulm en te Hamburg, in 1921 te Berlijn een plaats ging zoeken en terechtkwam bij Mies van der Rohe, die hem een deel van zijn bureau afstond. Daar werd meer gedacht en gediscussieerd dan getekend. Beide architecten hadden omstreeks dit tijdstip de historiserende bouwtrant achter zich gelaten en waren op zoek naar een nieuwe bouwkunst. Daar hield de verstandhouding tussen Mies en Häring dan ook op. Mies van der Rohe had zijn aandacht gescherpt op de stucturele mogelijkheden, die hij, onafhankelijk van elke concrete opdracht, onderzocht, om het even of het om een tuinwoning of om een torengebouw ging. Härings aandacht was helemaal toegespitst op de functionaliteit van de plattegrond en dus op de studie van de beweging. Bouwen was voor hem - en daardoor alleen al distantieert hij zich van de avantgarde uit de jaren twintig - het ordenen, het geleiden en het zingeven van de menselijke bewegingsstroom. Een huis was voor hem als een stad en een stad als een huis (om een uitdrukking van Aldo van Eyck op Häring toe te passen). Een gebouw was niet langer een opstapelen of bijeenbrengen van verschillende lokalen, niet langer een compositie van volumen, een ‘spel van vormen in het licht’, maar één ruimtelijke continuïteit die zich in verschillende cellen ontplooit. Het was niet op de eerste plaats ‘Gestaltwerk’ maar ‘Organwerk’.
Die opvatting werkte Häring in verschillende tekeningen van 1921 uit. Een ervan is een herwerking van een oud project dat hij in 1907 reeds had ingediend voor een prijsvraag voor het station van Leipzig. De schets vertoont merkwaardig veel overeenkomsten met Saarinens Kennedy-vlieghaven te New York. Zij toont echter ook de fundamenteel verschillende opvatting. Bij Saarinen gaat het op de eerste plaats om de expressieve vorm. Häring verwaarloost de autonome en expressieve vorm ten enenmale. Of liever - en hier raken we een knelpunt in zijn denken - Häring identificeert goeddeels
vorm en functie. Hij veronderstelt dat de vorm ‘organisch’, zoals bij een bloem, uit de levensfunctie groeit, dat de vorm vanzelf direct bij de levensin-wendigheid aansluit, dat hij een uitgebreide incarnatie is van de menselijke geest, een verlenging van het menselijke lichaam zonder enige vormelijke predeterminatie. Die predeterminatie vindt hij bijvoorbeeld terug bij Le Corbusier die geometrische vormen als een extrinsiek element in zijn functionele architectuur binnenhaalt. Dat zijn theorie niet helemaal met de werkelijkheid klopt, toont Häring zelf aan als hij in zijn organische bouwen onbewust naar een voorafgegeven vormentaal teruggrijpt.
Eén werk heeft Häring in die jaren gebouwd dat zeer representatief voor zijn denken is: het Gut Garkau, een grote hoeve ergens tussen de heuvels van Schleswig-Holstein, op de baan van Lübeck naar Neustadt. Van het ontwerp werden slechts de koestal en de schuur gebouwd. Maar deze volstaan om de opvattingen van Häring te illustreren. Vooral de koestal is merkwaardig. Het schijnt dat veertig jaar na datum (hij werd gebouwd in de jaren 1924-1925) deze stal nog door specialisten uit de gehele wereld wordt bezocht. Het is wel typisch voor Häring dat we eigenlijk onze architectonische kritiek zouden moeten beginnen met een functionele beschrijving van een koestal voor 42 beesten (stier en kalveren niet meegerekend) met al de bijhorigheden voor het voeder en de melkproduktie. We noteren hier slechts als voor die tijd opvallende kenmerken die rechtstreeks met de conceptie van Häring verbonden zijn: 1. de vrije plattegrond die niet meer samengesteld is uit rechthoekige maateenheden, ook niet op het niveau van de inplanting van de afzonderlijke gebouwen; 2. de ongedwongen groepering van de volumen die alle op verschillende wijze op elkaar inhaken; 3. het gebruik van de materialen hout, baksteen, beton in hun natuurlijke staat op een tijdstip dat de avantgarde zich karakteriseerde door een zuiverheid van de vorm die textuur en kleur van het materiaal niet verdroeg. Wij moeten hier echter onmiddellijk aan toevoegen dat de inderdaad vrije vorm en het non-conformistisch gebruik van het materiaal niet tot het laatste door het organische denken zelf kan verantwoord worden maar gedeeltelijk van buitenaf werd overgenomen.
De latere gebouwen van Häring, vooral de rijhuizen en huizenrijen uit de late jaren twintig, sluiten bij het Gus Garkau aan, al zijn ze dan minder demonstratief voor zijn opvattingen. Tussen de witbepleisterde rechtlijnige volumen van de Siemensstadt te Berlijn doen de blokken van Häring opvallend sympathiek aan, met de kleur van hun bakstenen en het rijke spel van de balkons. Met dit laatste element schijnt Häring zich te wreken op de noodzakelijke rigiditeit van zijn plattegrond. De curve van de balkons op de westgevels wordt in de rechtlijnigheid van de Siemensstadt (de fantasieën van Scharoun niet te na gesproken) tot een symbool van menselijkheid.
Hugo Häring hebben we verlaten in het bureau van Mies van der Rohe. Daar werd niet alleen gepraat en een beetje getekend, maar ook geageerd. Mies en
Häring stelden hun ontwerpen ten toon in de tentoonstelllingen van de Novembergruppe (zo genoemd naar de novemberrevolutie van 1917). Het plan rijpte om andere vooruitstrevende architecten bij hun actie voor de moderne architectuur te betrekken. In 1923 (of 1924) ontstaat de Zehnerring, die zich weldra uitbreidt tot de bekende Ring waarin we de beste architecten van die tijd terugvinden: Mies, Gropius, May, Hilberseimer, Behrens, de gebroeders Taut en Luckhardt Tessenow, Bartning, Poelzig, Scharoun, Mendelsohn. Häring werd secretaris van deze groep en het was in die functie dat hij samen met Le Corbusier het eerste manifest van de CIAM in 1928 ondertekende. Wij hebben al aangestipt hoe weinig hij met de strekkingen van de CIAM was opgezet. In 1930 zou hij er zich dan ook, na een controverse met Gropius, uit terugtrekken. In 1933 wordt de Ring onder politieke druk ontbonden. Gropius, Mendelsohn en Mies van der Rohe emigreren. Häring kon Duitsland niet verlaten. Gemakkelijk had hij het niet. Van 1935 tot 1943 leidt hij een privé-kunstschool in Berlijn. Daarna trekt hij zich terug in Biberach, zijn geboortestad. Nog een paar woningen bouwde hij. Zijn laatste plannen en zijn laatste geschriften dateren van 1954. Na een pijnlijke ziekte overleed hij in 1958. Zijn naam was vergeten. Maar met de huidige evolutie van de architectuur, die zich niet meer tevreden stelt met vormelijke aanpassingen, wordt hij opnieuw ontdekt. Eerst nu gaat men zich rekenschap geven van de vérdragende betekenis van zijn oorspronkelijk denkenâ–ˇ
Kerken van morgen zijn nù te bouwen.
De Standaard der Letteren, 8 mei 1965.
Bouwen voor de universiteit.
De Standaard der Letteren, 22 mei 1965.
Le Corbusier mag gaan bouwen in Venetië.
De Standaard der Letteren, 29 mei 1965.