Ezemaal is een dorp waar niets over te vertellen valt. Zelfs de gids van de Vlaamse Automobilistenbond, die altijd wat ontdekt, kon niets méér doen dan de plaats ervan aanduiden op de landkaart: een Haspengouws dorpje, op de grens tussen Brabant en Luik, aan de Kleine Gete, vlak naast Hakendover en dus op de steenweg Tienen-Luik, even voorbij Tienen rechts. Het ligt er onder hoge canada's glarieogend te verkwijnen. Men kan het hem best aanzien aan de voormalige dorpskerk. Zij kan nog niet zo oud zijn... Maar geschiedenis wordt hier niet gemaakt. Men telt haar ouderdom aan de pastoors. Het is de derde die haar tot voor kort bediende. Bedienen is eigenlijk veel gezegd, want de kerk staat nog amper overeind. Een heldhaftig christendom werd hier beoefend. Iedereen die de kerk betrad, verkeerde in levensgevaar.
Heldhaftigheid is echter een woord dat bij Ezemaal niet past. Het was eerder lankmoedigheid en berusting. En misschien zijn het ook die laatste kwaliteiten die verklaren hoe Ezemaal nu een originele kerk rijker is. De Ezemalenaars hebben het maar laten gebeuren, ogenschijnlijk verbaasd dat iemand het de moeite vond zich voor hen te interesseren en een nieuwe kerk te bouwen. Zij staan er nu een beetje verbaasd bij. Wij niet minder.
Een ogenblik was het gevaar dreigend dat Ezemaal met de zoveelste moderne kerk zou begiftigd worden, zo uit het brein van een internationaal gedocumenteerde (maar slecht gedocumenteerde) samenlezer geprojecteerd. Het wordt hoog tijd dat men ook de commissies recht laat wedervaren, niet om het goede dat zij bevorderd, maar om het vele kwaad dat zij verhinderd hebben. Ik vind dat zij een bok-boek zouden moeten samenstellen met al de projecten die ze afgekeurd hebben. De balans zou in hun voordeel uitvallen. En tegelijk moet hulde worden gebracht aan het arme budget waardoor heel wat draken nooit het daglicht zagen. Aan commissie en budget hebben we de verrukkelijke nieuwe kerk van Ezemaal te danken.
Natuurlijk ook een beetje aan de architect, Marc Dessauvage. En niet te vergeten, aan Mgr. Theeuws die hem met het ontwerp belastte. Nu ik toch, een zeldzame keer, met vreugde een kroniekje kan schrijven over een architectonische gebeurtenis van bij ons, mag ik de passende huldetelegrammen
niet achterwege laten. Mgr. Theeuws heeft een riskant spel gespeeld. En dat alleen is in ons officiële land al het vermelden waard. Het risico dat hij enkele jaren geleden op zich nam met Dessauvage een aantal belangrijke en delicate opdrachten te geven, werd echter ruimschoots beloond. Een jaar geleden al konden we de Sint-Jozefskerk te Willebroek voorstellen, nu Ezemaal, en binnenkort misschien de Sint-Rochus te Aarschot en de kerk van het Sint-Lievenscollege te Gent, - waarvoor ik nog enkele superlatieven moet sparen - om niet te spreken van de projecten die nog ter studie of reeds in aanbesteding zijn. Het zou een les moeten zijn: zonder risico's brengt men het nergens.
Marc Dessauvage is in de Sinte-Aldegondis te Ezemaal niet beneden de maat van het vertrouwen gebleven. Toen ik in april 1963 zijn werk in Streven voorstelde, werd reeds een eerste project voor deze kerk in de bespreking betrokken. Dit werd onlangs nog gepubliceerd in nummer 128 van Art d'Eglise. Waarom het niet gebouwd werd, weet ik niet precies. Waarschijnlijk moet hier de rol van het budget worden ingeroepen, want het lijkt wel wat duurder te zijn dan de één-miljoenkerk (alles inbegrepen) die nu werd gebouwd. Het zou een boeiende architectonische analyse kunnen worden om het eerste project met het definitieve te vergelijken. Op het stuk van kwaliteit kan men ze zonder meer naast elkaar zetten. Maar het ‘beeld’ is toch wel verschillend. Wij vermelden dit slechts omdat het een tip oplicht van het moeizame en ingewikkelde proces waarin dergelijke uiterst eenvoudige en verstilde architectuur tot stand komt, of beter nog, groeit. Vanuit een initiale visie tast ze heel geleidelijk de mogelijkheden van een definitieve gestalte af. Dat is voor een goed deel de zorg van de architect die zich niet mag ontzien tot op het laatste moment de wijzigingen die het project zelf hem opdringt, te aanvaarden. Want vanaf een bepaald ogenblik is hij niet meer de meester die oppermachtig over leven en dood van zijn werk beschikt, maar de vader die het leven dat hij gewekt heeft, te eerbiedigen en te behoeden heeft. Dat alles in de veronderstelling dat het om authentieke architectuur en dus om leven gaat. Het is echter ook de zorg van de bouwheer, die mede met de architect bereid moet zijn de wet van dit leven te erkennen. Eenvoudig is dat niet.
De huidige kerk van Ezemaal heeft in grote trekken de liturgische ordonnantie van het eerste project bewaard: het koor ligt in het open ontmoetingspunt van twee groepen gelovigen die in een V-vorm er naar toe gekeerd zijn. In de open ruimte van de V bevindt zich de doopvont. De biechtstoelen vormen de afsluiting tussen kerkruimte en sacristie. Het koor zelf vertoont een opstelling waarvan de vrijheid nog beklemtoond wordt door de verplaatsbare houten koormeubelen. Slechts het tabernakel staat op een vaste, als het ware programmatische plaats. Een hele theologie ligt erin geborgen. Zoals trouwens de liturgische schikking zelf een consequente beleving vormt van een vernieuwd liturgisch inzicht, niet door het invoeren van nieuwe stelregels, maar door het
concreet tot in de vorm doordenken van een nieuwe geest die tegelijk het persoonlijke en gemeenschappelijke karakter van de christelijke cultus in ere herstelt. Over de eeuwen heen vindt het kerkgebouw hier zijn (niet-archeologische) aansluiting bij de oudchristelijke kerkopvatting. Hier is het laatste spoor van een systeem verdwenen. Het gaat nog slechts om een vrije en existentiële participatie. In de schikking zelf, afgezien van vormgeving en architectonisch environment, heeft de institutionele magie geen enkel houvast meer. De geometrie krijgt geen kans. Wat niet wil zeggen dat ze daarom uit den boze is. Er bestaat ook een onafhankelijk gebruik van, zoals we het beschreven hebben bij de Sint-Jozef te Willebroek.
Niet alleen de schikking die de plattegrond dicteerde, ademt spontaneïteit en vrije keuze, maar ook, en vooral, de architectuur. Zij is zo eenvoudig, zo direct, zo volkomen en zonder meer architectuur, dat zij haast alle beschrijving tart. Hier valt niets te vermelden tenzij de kwaliteit, de spiritualiteit van de ruimte zelf. Het wordt in dit geval een beetje belachelijk bijvoorbeeld over de materialen te spreken - ringovensteen, splijttegels, grenehout, beton - want men voelt zo dat zij hier slechts zijn om een ruimte te vormen. We brachten net een hulde aan het arme budget. Ook aan de armoede van de materialen kan hier hulde gebracht worden, omdat zij precies daardoor de aandacht van zich afkeren en het spel van de ruimte in het licht aanschouwelijk, bijna tastbaar maken.
En er zit spel in deze eenvoud. Van bij het betreden van de kerk is men erin opgenomen. En dit betreden is dan nog een willekeurig gekozen moment. Want men is al binnen als men nog buiten staat. Men heeft althans het gevoel binnen te zijn. Maar dit gevoel is slechts inleiding, voorbereiding en uitnodiging. Het feest gebeurt binnen. En het wordt zo subtiel geleid dat men pas na een aandachtige beschouwing gaat ontdekken, en telkens opnieuw ontdekken, hoe magistraal het in elkaar steekt. Men moet even bij de toegangszone stilstaan. Men staat eerst voor een kleine, zijdelings belichte inham met het heiligenbeeld. Laat men die opzij liggen, dan ziet men in één blik, één stap, de geslotenheid van de binnenruimte én de openheid van de natuur op een snijpunt van wegen liggen. Maar de keuze is al gemaakt. Men gaat naar de haar zich onthullende ruimte toe. Hier is afstand, eigenheid, maar geen tegenstelling. De ruimte bergt, zonder af te sluiten. Want een scap verder reeds weet men dat de natuur in de kerkruimte niet eindigt. We staan in deze ruimte niet op een eindpunt, maar in een middenpunt. De natuur stroomt door de ruimte door. De kerk is er slechts als een moment van omvattende bezinning. Men ontdekt immers dat aan de overzijde ook koeien grazen, ook bomen groeien, ook mensen wonen.
Die ontdekking is daar niet ten einde. Ze begint pas. Want nu wordt ze gericht op de eigenlijke zin van deze ruimte. Niet onmiddellijk de liturgische zin. Daar staat de ruimte in zekere mate onverschillig tegenover. Die over-
stijgt haar. Het gaat hier om de ontdekking van de menselijke zin van het wonen, d.w.z. van het bestaan op aarde, waaraan de liturgie zich voedt en waarvan zij een hoge, bijna gratuite explicatie vormt. Men gaat immers het mysterie van het licht in deze ruimte ontdekken. En daarin kan de priester te zamen met de gelovigen de laatste zin van het bestaan vieren.
Nu weet ik wel dat het uitzeggen van dergelijke architectonische beleving - die hier slechts onvolledig en simplistisch kan zijn - altijd ook een verraad is, al was het maar door de onwaarschijnlijke klank die zulk een proza krijgt voor iemand die het beluisteren van architectuur en de vorm der dingen niet kent. Maar dat is nu eenmaal de gebrekkige weg waarover architectuurkritiek moet gaan als zij iets meer wil zijn dan een sociologische en programmatische benadering of een uiteenzetting over constructie en materialenkennis.
Het exterieur is niets dan de buitenkant van de schelp, even direct, even boeiend en in haar eenvoud even mysterieus. Wel is de tegenstelling tussen de omhullende geslotenheid van de V-vorm, waarover we het hadden, en het open hart een beetje ruig. Maar ze kan opgevangen worden door de aanplanting die de architect juist aan deze zijde het dichtst heeft gewenst. Door een haag van groen moet men de open zijde van de kerk zien en bereiken.
Er zitten nog vele aspecten aan dit kleine kerkgebouw vast, die hier wel mochten aangehaald worden. Wij hebben het slechts even op zichzelf bekeken. Maar het staat in een dorp. Het behoort tot een diocees. Het zou daarin moeten gesitueerd worden, zoals het zou moeten gesitueerd worden in de evolutie van de moderne kerkbouw in ons land en daarbuiten en van de moderne architectuur in het algemeen, waarvan het een bijzonder interessant specimen is. Ik heb eveneens niet gesproken over de vormgeving. Ik moet tot een besluit komen. En dit ligt in de overtuiging dat in dit kleine Haspengouwse dorp een echt revolutionaire kerk is gebouwd. Dat is haar nauwelijks aan te zien. Maar juist daarom wilde ik er even de aandacht op vestigen. Ik kan slechts wensen dat zij erkend en begrepen wordtâ–¡