terug  begin  verderprepost

De nieuwe kapel van het St.-Lievenscollege te Gent. (lezing)
Gent, 27 augustus 1965.

Ik moet het project niet meer voorstellen. Hoe onwaarschijnlijk dat voor een maand nog moge geleken hebben, de kerk staat er. We kunnen dus praten in ideale omstandigheden - aanschouwelijk onderwijs - en onmiddellijk beginnen met even na te denken over de betekenis van het gebouw. Nu vind ik dat men niet te pas en te onpas over alles en nog wat moet willen nadenken en er diepzinnigheden in zoeken - vooral nu niet, op de laatste dagen van het verlof, nu alles pragmatisch op het nieuwe schooljaar is afgestemd.

Maar het zou van de andere kant toch wel van een té verregaande negligentie getuigen het nieuwe schooljaar aan te vatten alsof er inderdaad op het college niets gebeurd was met het bouwen van een nieuwe kapel. Persoonlijk geloof ik zelfs dat er iets heel belangrijks gebeurd is, en niet alleen voor het college. Maar dat spreekt vanzelf natuurlijk. Ik wil nu alleen maar proberen te verduidelijken waarom ik vind dat de nieuwe kapel van het St.-Lievenscollege een belangrijk gebouw en een belangrijke kerk is.

Een gebouw belangrijk noemen in een land zonder veel architectonische cultuur en nog minder architectonisch geloof is al een waagstuk. Ik doe het toch bewust, omdat ik de kapel noch min noch meer wil betrekken in de situatie van de actuele bouwkunst over de wereld én omdat het gebouw zo zinvol is,

[p. 329]

afgezien nog van zijn programma, zijn functie en zelfs zijn al of niet geslaagde vormgeving.

Het komt niet vaak voor dat men een gebouw van bij ons belangrijk kan noemen. Om enige afstand van optiek te krijgen heb ik gisteren eens voor mezelf een lijstje samengesteld van gebouwen van bij ons sinds de oorlog, die men om een of andere reden belangrijk zou kunnen noemen. Ik bespaar u de opsomming, al zou ze vlug gegeven zijn, want op werk van Brodzki, Dupuis, Jacqmain, Braem, Felix, Van der Meeren na, ken ik persoonlijk niets dat een nieuwe aanbreng of zelfs maar een homogeen en steekhoudend deel kan genoemd worden in de evolutie van de hedendaagse architectuur op internationaal vlak. Ik moet hier de evolutie van de hedendaagse architectuur niet schetsen met haar twee polen waartussen ze gespannen staat: de abstracte en de concrete. Ik kan volstaan met aan te duiden dat de doorbraak van de moderne architectuur, zoals we ze na de oorlog hebben meegemaakt, bitter weinig met de levende moderne architectuur te maken heeft.

Eerst en vooral omdat ze de vitale principes van de eerste groep in de moderne architectuur degradeerde tot gemakkelijke stelregeltjes die zonder enige consequenties, zonder inzicht of geestelijke verfijning werden toegepast. Van het ideaal - een zo neutraal mogelijk milieu te scheppen, een achtergrond waartegen het leven kon worden geprojecteerd - bleef slechts een show-business van materialen over. Van een verfijnde autonome vormenwereld waarin de mens zijn spontaneïteit kon ontplooien, kwamen we terecht in een allegaartje van onverwerkte schema's.

En ten tweede omdat deze onverantwoorde omschakeling naar de moderne architectuur gebeurde op een moment dat juist deze architectuur zelf een diepgaande evolutie aan het doormaken was door haar inzicht in de functie van het menselijk wonen te verbreden en haar dogmatische opvattingen over de elementaire vormen te versoepelen. Deze evolutie was trouwens niets anders dan een stap in de richting van een tegengestelde opvatting van de architectuur die sinds de oorlog meer en meer op de voorgrond komt. Gewoonlijk stelt men beide opvattingen tegenover elkaar als functioneel tegenover organisch. Maar deze tegenstelling is zo weinig adequaat dat ik verkies ze niet te gebruiken, zeker niet in technische zin. Het belangrijkste is overigens die evolutie zelf - die ik bij gemis aan betere bepalingen beschrijf als een evolutie van het abstracte naar het concrete. Hoe verfijnd en geestelijk een autonome vormenwereld ook mag zijn, de mens van vandaag stelt er zich niet mee tevreden. Hij heeft aan de geometrie niet meer genoeg. Hij wil een vorm, een concrete vorm, die vrij, buiten alle autonome opbouwprincipes om, uit het leven en de mens zelf ontstaat en aan dit leven en deze mens een duidelijke expressie geeft. In de plaats dus van een ideële, altijd-geldende, algemene en autonome structuur gaat het om een concrete, tijdsgebonden, individuele vorm die zijn verantwoording vindt in de situatie van de opdracht zelf. Ik

[p. 330]

spreek hier over architectuur, maar op alle gebieden van het hedendaagse geestesleven gebeurt hetzelfde. Ik ken niet veel van pedagogie, maar ik heb de indruk dat men daar hetzelfde kan constateren: het grootste belang wordt niet meer gehecht aan de abstracte regels van een spraakkunst, maar aan de levende taal; men zoekt niet meer de jongere koste wat het wil een ideaalbeeld op te leggen, maar deze de ruimste mogelijkheden tot zelfontplooiing te geven om zijn eigen ideaal uit te bouwen. Op gebied van de filosofie: denk maar aan de totaal gewijzigde benadering van het fenomeen zelf - de filosofie, of liever, de fenomenologie van het ‘il y a’ van Merleau-Ponty heeft volledige prioriteit op de uitbouw van de systematische, samenhangende, idealistische synthese. Denk ook aan de revolutie van de moraal van een absoluut geldend systeem (dat op concrete gevallen werd toegepast) naar het persoonlijke geweten...

Om niet algemeen te blijven hebben we het aangewezen voorbeeld bij de hand; aanschouwelijk onderwijs: het gebouw waarover wij het hebben.

Het was denkbaar een perfect geometrisch volume van ideale proporties op het gegeven terrein te projecteren; dit kon best geschikt zijn voor zijn functie, in casu een zinvolle viering van een post-conciliaire liturgie. Dit kon een prachtig gebouw zijn - voor wie moderne architectuur volgen: denk maar bijvoorbeeld aan Mies van der Rohe of Rietveld - maar het zou in elk geval uitdrukking zijn van een eigen vormenwereld, abstract dus, die zijn ruimte en zijn verschijning ontwerpt volgens voorafgegeven, algemeengeldende principes.

We hebben geopteerd voor een ander, concreet uitgangspunt. Van buitenaf hebben we ons vrij gemaakt van elk apriori dat buiten de gegeven situatie stond. We hebben als het ware het gebouw laten dicteren door de opdracht zelf in zijn uiterste concreetheid: op dat terrein, tussen die bestaande gebouwen, voor dat programma. Negatief uitgedrukt: dit gebouw kan nergens elders staan dan waar het staat. Maar positief hebben we dan ook, met alle mogelijke inspanning, geduld en moed, - z.e.h. superior kan ervan getuigen - getracht in een volstrekte eerbied voor de concrete persoonlijkheid van de opdracht deze persoonlijkheid zo rijk en zo boeiend en zo authentiek mogelijk uit te bouwen. En dat dit naar mijn oordeel gelukt is, is de verdienste van de architect. Door deze optie, om op het uitgangspunt terug te komen, staat dit gebouw te midden van de hedendaagse evolutie, de meest vitale stroming van de architectuur van vandaag. Ik ken in ons land geen ander voorbeeld dat op zo'n oorspronkelijke wijze deze humanistische architectuurtendens gestalte geeft.

Dit was de eerste reden waarom ik van een belangrijk gebouw durfde spreken. Er is een tweede, voornamere reden, nl. het meesterschap waarmee de architect zich van deze opdracht heeft gekweten. De architect heeft niet een tendens tegenover een andere gesteld, omdat die nu eenmaal meer in de mode

[p. 331]

is. Hij heeft die tendens niet alleen met brio toegepast. Nee. Dit alles is als het ware buiten hem om gebeurd. Het kon hem blijkbaar weinig schelen. Vanuit een inwendige overtuiging, een visie, is hij ertoe gekomen. En dat het zo goed in de tijd past is als het ware toevallig. Voor hem kwam het precies op die menselijke toegankelijkheid en bewoonbaarheid van zijn architectuur aan.

Hier zitten verschillende facetten aan vast. Een zeer belangrijke factor bijvoorbeeld is de aansluiting bij de bestaande gebouwen. Zoals alles in dit gebouw is ook die als het ware vanzelfsprekend en toch weer stimulerend en uiterst boeiend: rijk in zichzelf én de andere gebouwen verrijkend door deze inwendige eigen rijkdom. Wat is er een sterieler opgave dan boven een zaal tien kamertjes en een paar bergplaatsen te moeten bouwen; kijk even wat het geworden is. En hier stoten we dan op een andere karakteristiek van deze architectuur: het is een gehoorzame, deemoedige architectuur, dienstbaar in de edelste zin van het woord, zoals we zopas hebben gezegd, maar dienstbaar betekent helemaal niet serviel, karakterloos, onpersoonlijk. Iedereen zal toegeven dat een verbinding aandurven van zo heterogene architectuur als het gebouw van de feestzaal en de nieuwe klassenvleugel een echt waagstuk was. De architect heeft dit waagstuk aangedurfd, zonder zijn hals erop te breken. Zonder kunststukjes te moeten uithalen, zonder vreemde elementen er te moeten bij betrekken heeft hij, louter met de gegevens van de opdracht, verder denkend vanuit zijn initiale visie, alles zo laten samenspelen alsof het altijd bij elkaar heeft gehoord. Daaraan herkent men grote architectuur, niet aan een opeenhoping van detailvondstjes. Gaarne wijs ik in dit verband nog op een ander aspect: eenheid van stijl bestaat niet in oppervlakkige adaptatie. De eenheid van een gebouwencomplex ontstaat door de kwaliteit van de afzonderlijke gebouwen.

Een andere factor is de inwendige dooreenvloeiing van de ruimten. En niet alleen van de inwendige ruimte op zich, maar van de totale ruimte waarin die inwendige ruimte zich inschrijft, m.a.w. de ruimte van de speelplaats ligt niet meer simpelweg buiten de kapel. Zij is er bij betrokken. Zij voert er als het ware naar toe. En daar begint dan het zeer intense leven van deze slechts ogenschijnlijk eenvoudige ruimte. Hoezeer ook op de speelplaats betrokken stapt men er toch zo maar niet in. Er is een zeer subtiele begeleiding en geleidelijke overgang naar binnen. Ik ga dit ruimtelijke leven niet beschrijven, alleen maar enkele elementen ervan opsommen: de verschillende richtingen die in de toegangshall samenvloeien, niet alleen horizontaal, maar ook verticaal. De doorkijken die men daar al in de ruimte heeft. De plastiek van die ruimte die gemodelleerd wordt door niet meer dan vier materialen: beton, baksteen, glas en splijttegels. Materialen die er ook op zichzelf zijn om de ruimte te reveleren. De plaatsing van de deurvleugels, die niet recht over elkaar liggen, zodat die toegangszone meer wordt dan een doorgangszone van speelplaats naar straat... en zo zou ik verder kunnen gaan. Het wezenlijke van

[p. 332]

dit alles is naar mijn oordeel, zoals ik geprobeerd heb te formuleren in de Chronijke van de oudleerlingenbond: het vrij-zijn van deze architectuur én, of liever, in haar functionele opdracht. Ik zou durven zeggen: ze vervult zo goed haar opdracht omdat ze erboven staat. Daardoor pas wordt ze zo menselijk. Ze is vrij van elk streng of rechthoekig coördinatensysteem; nergens kan men haar ontwikkeling voorspellen - en zelfs als men ze al door en door kent, blijft ze nog telkens verrassen. Ze is immers niet opgebouwd volgens een perspectief, van waaruit haar wezen optimaal wordt gevat. Ook hierin komt haar vrijheid tot uiting dat ze aperspectivistisch is, m.a.w. dat elk standpunt van waaruit men ze benadert evenwaardig, even volwaardig is. En dat wil dan weer niet zeggen dat er geen groei bestaat in de ontwikkeling van de ruimte, dat de toegangszone of de galerij evenwaardig zou zijn met de kerkruimte zelf. Ik wil alleen zeggen dat de oorspronkelijke conceptie van deze architectuur ruimtelijk is, en niet vlak of lineair. Men staat er nooit voor, maar altijd te midden in, m.a.w. wil dit ook zeggen dat deze kapel, in tegenstelling tot de meeste architectuur die wij kennen, er niet is om bezien te worden, maar om te worden beleefd. Om erin opgenomen te worden en (onbewust of bewust) deel te hebben aan een rijk menselijk levensontwerp: een levensontwerp, om het nogmaals te herhalen, waarbij de concrete mens, de concrete en primordiale levenswil primeert op abstracte schema's, m.a.w. nog: een nieuwe humanistische architectuur, die eminent op haar plaats is in een instelling die zich humaniora noemt.

Ik laat het hierbij voor wat de architectuur betreft.

Nu nog een paar woorden waarom ik het ook een belangrijke kerk vind. Het antwoord heb ik natuurlijk impliciet al gegeven: het is een belangrijke kerk omdat het een belangrijk gebouw is. En dat is inderdaad het juiste antwoord. Maar het is misschien een beetje té impliciet. In personalistische termen zou ik dat durven vertalen: het christendom is belangrijk omdat het menselijk belangrijk is. En hier stoot ik weer op de nieuwe houding die wezenlijk is in alles wat ik wil zeggen: we beschouwen ons christendom niet als een perfecte instelling, dé instelling, waartoe wij onwaardigen worden uitgenodigd en uitverkoren om toe te treden, als een legalisatie van ons mens-zijn, maar als de diepste dimensie van ons mens-zijn, als een bevrijdende naam-geving van de uiteindelijke zin van ons bestaan.

In dit gebouw dat ons bezig houdt steekt niet alleen een nieuwe visie op de mens maar ook een nieuwe visie op het christendom en op de plaats van het christendom in deze wereld. In het probleem van de kerkenbouw van vandaag komen alle problemen van de christelijke existentie van vandaag samen. In een gebouw als deze kapel hebben ze geen theoretische oplossing gekregen, maar wel een concreet antwoord. De liturgische vernieuwing hoort hierbij, maar het zou verkeerd zijn de nieuwe zin van het kerkgebouw tot de vernieuwing van de liturgie te beperken. Ze reikt veel verder. Nog afgezien

[p. 333]

van elke liturgische schikking heeft ze haar betekenis door het karakter zelf van de architectuur die ik heb geprobeerd te laten aanvoelen. Zij is op zichzelf reeds een symbool van christendom. En als we dat symbool even analyseren, dan ontdekken we dat het geen symbool is dat van buitenaf imponeert door een zelfgenoegzame sacraliteit, waaraan de mens maar deel kan hebben door zich te onderwerpen, door het voltrekken van een ritus, door het binnentreden van een absolute en vreemde wereld. Voor een dergelijke levensvreemde en gesloten sacraliteit geeft dit gebouw geen enkel houvast. Het is dan ook helemaal niet te verwonderen dat we een ogenblik gederouteerd zijn en er het traditionele kerkconcept niet meer in terug vinden. Het is er ook niet meer in terug te vinden. Het is inderdaad een specifiek christelijk en totaal nieuw besef van sacraliteit dat we slechts terugvinden in de allereerste tijden van het christendom en in enkele zeldzame moderne kerken. Het is niet mijn taak hier de theologie van de kerk te ontwikkelen maar zonder verwijzing ernaar kan ik er toch niet buiten. Men kan zich misschien de vraag stellen naar de betekenis van een kerk voor een college. Dit gebouw geeft er m.i. een antwoord op door zijn bestaan zelf. Maar dan moet ik er ook onmiddellijk aan toevoegen dat dergelijke op de mens afgestemde architectuur maar bestaat door de mens zelf die het beleeft. Het is de architectuur die uit een fundamentele deemoed is geboren, maar die ook vraagt om met deemoed benaderd te worden. Ze vraagt niet geprezen, niet bekeken te worden, maar begrepen en beleefd te worden.

Die beleving zal in feite moeten gebeuren door en langs de liturgie. Er ontstaat hier een dubbele beweging: de architectuur stelt aan de liturgie eisen van menselijke waarachtigheid, maar de liturgie reveleert ook de diepe zin van die architectuur en verheft haar tot prototype van elke architectuur. Dit wil zeggen dat heel het leven één liturgie is en elke woning een kerk en omgekeerd dat de liturgie in het kerkgebouw niets anders kan en mag zijn dan een expliciet moment van het religieuze leven zelf. De liturgie mag zich niet beperken tot het voltrekken van voorgeschreven spelregels, die dan als het ware automatisch het heil verlenen; de liturgie is geen zondagse bezigheid, maar moet in die noodzakelijke spelregels, die uit de menselijke gegevenheid zelf groeien, uitdrukking worden van een vrije, persoonlijke participatie: de ontmoeting met de vader in de mensgeworden zoon.

Daarmee is mijn taak momenteel ten einde: met het bepalen van de opdracht die in deze en in elke waarachtig creatieve architectuur steekt: een opdracht tot intenser leven.

Architectuur is, geloof ik, veel meer dan op een ordentelijke, mooie manier muren recht zetten die niet bij de eerste windstoot omwaaien. Zij is een eminent menselijke bezigheid: zinverlening en ordening van ons bestaan. Men moet er maar in gelovenâ–ˇ

prepostterug  begin  verder