Op vrijdag 27 augustus is Le Corbusier in de Middellandse Zee, voor de kust van Roquebrune, om het leven gekomen. Iedere zomer verdrinken er mensen in de Middellandse Zee zonder dat men aan de omstandigheden van hun dood een bijzondere betekenis hecht. Maar Le Corbusier is nu eenmaal Le Corbusier. Alles in zijn leven - en dus ook zijn dood - blijkt geladen met een diepere zin en hoort thuis in een symbolische samenhang. Zo zag en interpreteerde hij het tenminste zelf. Hij kon op duizend verschillende manieren gestorven zijn. Maar als men de gedachtengang van Le Corbusier zelf overneemt en verder doordenkt, dan kan men haast niet anders dan ook in de omstandigheden van zijn onverwachte dood tijdens een zwempartij in de Middellandse Zee nog een symbool zien dat zijn leven en persoonlijkheid samenvat.
Het mediterrane was voor hem immers een werkelijkheid waarin hij harts-tochtelijk geloofde en die hij bewust beleed. In zijn meest vrije scheppingen, in zijn meest impulsieve reacties bleef hij altijd de man van de orde, de helderheid, de algemeenheid, de klassiciteit. Hij is niet gestorven aan een werktafel, maar in zee, al zwemmend, terwijl hij zich ontspanning gunde in volle natuur, zo vrij en zo intiem mogelijk met die natuur verbonden. Hij stierf onverwacht. De zee had hem moeten meevoeren. Een begrafenis staat Le Corbusier niet. Hij die zo heerlijk dacht over het instrumentale van de werkelijkheid en zo nuchter de groeiwetten van de menselijke geschiedenis aanvaardde kon geen afscheid nemen. Hij moest verdwijnen en leven tot het laatste moment. En hij leeft voort. Nog nooit is de dood van iemand van wie ik was gaan houden me zo weinig tragisch voorgekomen. Ik kan er niet om treuren.
Het leven van Le Corbusier is een heerlijk leven geweest. Niet omdat hij op de lange duur toch enig succes heeft gekend. Maar omdat elk moment van dat leven echt was, omdat elk moment hét moment was, dat zichzelf draagt, nieuw en vrij, vol in zichzelf, het moment dat in angst, vertwijfeling, vernedering, maar vooral in geloof, strijd en bewondering de weelde van het bestaan in onze tijd bevestigde.
Om het leven en de persoonlijkheid van Le Corbusier samen te vatten ken ik maar één woord: hij was een dichter. ‘Poésie’ is een woord dat hoe langer hoe meer als een leidmotief de gedachten van Le Corbusier doorkruist. In een brief van 1960 zegt hij ronduit: ‘Ma recherche, tous comme mes sentiments, est dirigée vers ce qui est la principale valeur de la vie; la poésie’. Poëzie is een inwendige kwaliteit van het bestaan, de zinvolle bewustwording van de gave van het leven, de exaltatie van de werkelijkheid. En voor Le Corbusier van de
concrete werkelijkheid van deze, onze, tijd.
Men kan Le Corbusier een genie noemen, hem aanzien als de grootste architect van deze eeuw, in hem een machtig plastisch talent ontdekken, hem waarderen als schilder en beeldhouwer, hem bewonderen als grandioos polemist en apostolisch cultuurfilosoof, maar voor en in dat alles was hij dichter, d.w.z. een levend en oorspronkelijk mens.
Hij geloofde in de mens, in de weidse mogelijkheden van wat hij zelf het ‘menselijk hart’ noemde én in de onbeperktheid van zijn rationeel vermogen en zijn technische capaciteiten. Slechts vanuit dit initiale geloof in het menselijk bestaan als een spirituele, personalistische waarde, slechts vanuit dit humanisme kan men een leven en toewijding als die van Le Corbusier verklaren. Hij kan zich op vele punten vergist hebben, hij kan zich op nonchalante manier andermans ideeën hebben toegeëigend, hij kan de ene contradictie op de andere hebben gestapeld, hij kan een heerlijk loopje genomen hebben met de heiligste tradities of wat daarvoor doorgaat, maar hij heeft op een machtige en overtuigende, meeslepende wijze geloofd in de mens van vandaag en morgen. In dat geloof vindt alles zijn eenheid en zijn grootsheid. Ik zie in onze tijd maar één parallel: die andere grote dichter en visionair, Teilhard de Chardin. Vaktheologen, vakfilosofen, vakpaleontologen en alle mogelijke vakmensen meer mogen hem tot op het merg uitkleden, hem weerleggen, hem superieur afwijzen. Zij raken zijn boodschap en zijn geloof niet. Voor Le Corbusier geldt hetzelfde. In een tijd van vertwijfeling is hij voor de mens in de bres gesprongen door te getuigen voor de inwendige, dichterlijke waarde van het bestaande en door te werken om deze waarde zoveel mogelijk te ontbolsteren, te bevrijden van haar drukkende begrenzingen.
Het is niet helemaal toevallig dat hij om dàt te doen architect is geworden, architect dan in de zin die hij eraan gaf: vormgever van de wereld van de toekomst. Van huis uit was hij graveur. Hij werd geboren in 1887 te La Chaux-de-Fonds (Zwitserland) uit een oude Franse familie. Le Corbusier is de naam van zijn grootvader langs moederskant. Zijn civiele naam was Charles-Edouard Jeanneret. Nog geen veertien jaar oud komt hij op de lokale academie, door zijn leermeester l'Eplattenier, fel onder de indruk van de Art nouveau. Op zijn retrospectieve van Parijs in 1962 toonde hij nog fier de rugplaat van een zakhorloge die hij zelf in 1902 graveerde. De bouwer stak er toen al in.
En inderdaad bouwt hij, nauwelijks 18 jaar oud, zijn eerste huis. Dit bouwen was nog voor een flink stuk decoratie. Maar toch ook al iets meer. En misschien is het wel door deze ervaring geweest dat bij hem het besef is gegroeid van de architectuur als hét poëtische middel bij uitstek, poëzie van de ruimte zelf waarin de mens moet leven en waarin hij de zin van zijn bestaan moet vinden.
In die eerste jaren echter legde hij de poëzie nog al te zeer in het uitwendige
spel van vormen en volumes. Dit vormelijke debuut wortelt echter ook in een diepere overtuiging en zal tot op het einde toe blijven doorwerken. Ook hierin ligt een kentrek van de mediterrane geest. Hij zal altijd blijven denken als ‘plasticien’ en meer bepaald als plasticien van een algemene, heldere, overzichtelijke vorm. Dit zal hem echter niet beletten een sterke evolutie door te maken van een ‘puristische’ functionaliteit naar de lyriek van de vrije ruimte.
Om zichzelf te bevrijden uit zijn milieu en zijn schrale opleiding, trekt hij met het honorarium van zijn eerste werk van huis weg en gaat zwerven, half Europa rond: Italië, Hongarije, Oostenrijk. Begin 1908 is hij te Parijs. Hij werkt bij de gebroeders Perret en maakt er zich grondig de betontechniek eigen. In 1910-1911 vinden we hem te München en te Berlijn. Op het atelier van Peter Behrens leert hij de latere grootmeesters van de moderne avantgarde kennen en wordt vertrouwd met de theorieën van de Deutscher Werkbund. Deze laatste bevestigen Le Corbusier in zijn eigen ervaring en geven er een definitieve vorm aan. In vele van zijn uitspraken en in de algemene gerichtheid van zijn denken kan men de Werkbund-basis herkennen, maar dan vertaald door een Latijnse geest en geaffirmeerd met een onweerstaanbaar enthousiasme.
In 1917 landt hij, na een nieuwe serie omzwervingen in Zuidoost-Europa en Italië, terug te Parijs. Van zijn reizen brengt hij schetsen mee, waarnaar hij regelmatig geheel zijn carrière door zal blijven verwijzen. Als men van iemand kan zeggen dat hij bepaald werd in zijn jeugd, dan van Le Corbusier.
Een ogenblik neemt het de schijn aan dat hij zijn architectonische ambities heeft afgelegd. In Parijs begint hij te schilderen. En meer dan dat; te zamen met Ozenfant geeft hij zijn eerste boek uit, Après le Cubisme. Veelbetekenend is dit boek. Met een rationalistische rechtlijnigheid geloofde hij de schilderkunst door zijn opvattingen te kunnen redden. En niet alleen de schilderkunst. Geheel het aanschijn van de wereld wilde hij aan zijn reddingsoperatie onderwerpen. Met de dichter Dermée sticht hij in 1920 zijn tijdschrift L'Esprit nouveau. In dit tijdschrift publiceert Le Corbusier zijn theoretisch oeuvre zo goed als volledig.
Alles wat er volgt zijn slechts varianten van deze eerste lapidaire slogans. Zijn ‘Appels à messieurs les architectes’, die in een van de nummers verschenen, blijven nog altijd het beste specimen van zijn intuïtieve denkwijze, zijn inslaande formuleringskracht, zijn profetische geest. Woorden en uitdrukkingen mogen niet op de korrel worden genomen. Zij voegen zich niet samen tot een coherent filosofisch tractaat, maar zij verschaffen beelden, beelden die inslaan, beelden die geladen zijn met het heimwee van een hele beschaving.
Le Corbusier is ook in zijn proza een mens van het ‘optische Zeitalter’. En daarin ligt hét verschil met de moeizame opvattingen van de Deutscher Werkbund. Door woord en ontwerp geeft Le Corbusier zijn ideeën vlees. Een paar
zinnen maar om dit soort denken te typeren: ‘L'architecture, c'est avec des matériaux bruts, établir des rapports émouvants. L'architecture est au-delà des choses utilitaires. L'architecture est chose de plastique. Esprit d'ordre, unité d'intention. La passion fait, des pierres inertes, un drame. L'extérieur est le résultat d'un intérieur. Les éléments architecturaux sont la lumière et l'ombre, le mur et l'espace.’ En verder: ‘Une grande époque vient de commencer, il existe un esprit nouveau’.
Men zou een volmaakt architectuur-citatenboek van Le Corbusier kunnen samenstellen. Het zou vol paradoxen, om niet te zeggen contradicties staan. Maar er zou ook geen probleem of geen oplossing van het bouwen van vandaag zijn dat er niet zou aan bod komen. Om de paradoxale denktrant te illustreren nog een laatste en beroemd citaat. Na te hebben geaffirmeerd dat alleen de architectuur een oplossing kan brengen voor de stoornis in het persoonlijke en sociale evenwicht, dat de technische revolutie teweegbracht door zichzelf deze techniek eigen te maken, poneert hij: ‘L'architecture est le jeu savant, correct et magnifique des formes sous la lumière’. Elk van deze uitspraken moet teruggeplaatst worden in de totale context met al de andere. En verder nog: in de totale context van werk en leven.
Als Le Corbusier deze zinnen neerschrijft heeft hij nog niet veel gebouwd. Maar hij heeft genoeg getekend en ontworpen om een rijk leven te vullen. Ik kan niet alles opsommen. Maar in 1914 reeds ontwerpt hij zijn polyvalent dominohuis met zijn mogelijkheden van uitbreiding en totaal vrije inwendige dispositie door middel van niet-dragende wanden.
In 1915 is er het ontwerp van een villawijk waarin het volledige credo van het nieuwe wonen op een perfecte wijze is geformuleerd: hoge dichtheid van de woningen in een continu blok, maar individueel gekarakteriseerd en vrij, maximum aan comfort, en vooral voor iedereen een direct contact met de natuur. Technisch wordt dit mogelijk door het nieuwe bouwsysteem dat Le Corbusier voorstelt met skeletbouw en prefabrikatie. In 1965 staan we nog niet veel verder dan de schets van Le Corbusier uit 1915.
In 1920 ontwerpt hij het Citrohan-huis. En als ik het juist voorheb, krijgt dit alles zijn eerste neerslag in het huis La Roche te Auteuil in 1923. Wanneer men dit huis veertig jaar na datum bekijkt, dan kan men het wel plaatsen in de internationale moderne architectuur van die dagen, maar binnen dit kader affirmeert het zich door plastische expressie en ruimtelijke subtiliteit. In 1926 bouwt hij het huis Guiette te Antwerpen. Een paar jaar later de villa Savoye te Poissy, het huis Stein te Garches, de woningen op de Weissenhofsiedlung te Stuttgart, de Cité de Refuge en het Zwitsers paviljoen in de Cité universitaire te Parijs. Voeg daarbij nog zijn urbanistische projecten. Zijn Modulor. Zijn ontwerp voor een stad van drie miljoen inwoners, zijn studie over het agrarische milieu, zijn usine-verte, zijn visie op de verkeersorganisatie, op de huis-vestingspolitiek, zijn plan-Voisin voor Parijs, zijn plan voor de Linkeroever
te Antwerpen, zijn ontwerp voor de Volkenbond te Genève, de ontwerpen voor Moskou, zijn ontwerp voor de kuststrook van Algiers. En dan hebben we nog niets gezegd van de naoorlogse periode met de unités d'habitation en de cité radieuse; de stad Chandigarh, het museum te Tokyo, het Visual Arts Center te Boston, de kapel te Ronchamp en het klooster La Tourette.
Als we dat alles samen nemen, hebben we een summier idee van het werk van Le Corbusier en van de beslissende invloed die hij op de architectuur van vandaag heeft uitgeoefend. Eén element ontbreekt er nog aan: de stimulerende atmosfeer van zijn atelier aan de rue de Sèvres, in een afgedankte kloostergang die hij van de jezuïeten huurde en waarin hij in 1924 met zijn partner Pierre Jeanneret zijn intrek nam. In dit atelier passeerden een paar honderd architecten waaronder mannen als J.L. Sert, Maekawa, Sakakoera, Candilis, en bij ons Braem.
We kunnen dit werk slechts samenvatten, zoals ik in het begin zei, als we het zien als een poëtisch oeuvre en juister nog als de beleving van een dichterschap, een dichterschap dat de substantie is van het menselijk bestaan. Men kan het ook de beleving van het geluk noemen. Niet ten onrechte heeft men Le Corbusier het epiteet van ‘architecte du bonheur’ toegekend. Alle poëzie heeft eigenlijk als thema het menselijk geluk. Maar niet altijd op een even directe manier als bij Le Corbusier. Op de top van die dichterlijke expressie kan men zijn architectuur situeren, maar zij bestaat in het concrete geval niet zonder zijn theoretische commentaar, noch zonder zijn schilder- en beeldhouwkunst. Alles hangt samen. Alles werkt mee om de ‘nieuwe mens’ die Le Corbusier is geweest te begrijpen. En die nieuwe mens was een vrije mens, vrij om zijn eigen werkelijkheid te zien. Aan die bevrijding heeft Le Corbusier met een ongewone bezetenheid meegewerkt. Hij wilde die werkelijkheid van de mens van vandaag reveleren. Er niet passief tegenaan kijken. Ze niet ondergaan, zoals Le Corbusier zegt, als een noodlot van de Olympus. De mens moet zijn naam, zijn roeping, zijn opdracht zelf tot op de Olympus dragen door de grootheid van zijn initiatief en de verantwoordelijkheid die hij bereid is op zich te nemen.
Maar dit kan hij niet als slaaf van zichzelf en van zijn werk naar buiten. Alles moet bijdragen om de poëtische bewustwording van het leven te stimuleren. Le Corbusier zelf heeft dit gedaan door zijn creatieve verbeelding en zijn opmerkelijke plastische kracht te richten op de totaliteit van de menselijke gegevenheid van vandaag, om alle elementen en feiten ervan te laten samenspelen voor de vreugde en het geluk van de mensâ–ˇ
Nieuwe inzichten in de prehistorische kunst.
Streven 11-12 (1965).
Le Corbusier.
De Tijd, 3 september 1965.
In een huis moet je niet leven: wonen. Het gaat om een levensinstelling.
De Standaard der Letteren, 4 september 1965.
Het klooster van het heilig bloed te Dachau.
Zondagsvriend, 16 september 1965.