Einde april heeft de internationale architectenunie (UIA) haar Auguste Perret-prijs toegekend aan Hans Scharoun. Die prijs geldt zijn volledige loopbaan, maar op de eerste plaats toch zijn Philharmonie van Berlijn, ‘een voorbeeldig werk’, zoals het in de verantwoording van de prijs staat, ‘vol kwaliteiten, vindingrijk, schitterend en tegelijk volkomen functioneel’. Waarschijnlijk zou Scharoun zonder dit gebouw nooit tot die internationale erkenning gekomen zijn, een erkenning die ook voor de architectonische situatie van vandaag veelbetekend is.
Hans Scharoun moet voorgesteld worden. Niet dat hij zo jong is en zijn Philharmonie een geniale eersteling. Nee, Scharoun vierde een paar jaar geleden zijn zeventigste verjaardag. Hij kon toen op een rijke carrière terugblikken. Ook hij had de lange caesuur van de oorlogsjaren gekend op een moment dat het creatiefste in het leven van een mens heet te zijn. Maar vóór die caesuur had hij zich reeds geaffirmeerd met werken die het veertig jaar later nog best doen, en onmiddellijk erna had hij een actieve rol gespeeld in de wederopbouw van Berlijn, zijn tweede vaderstad. Al zijn werk stond echter in oppositie met de officiële rechtlijnige moderne architectuur - die van het Bauhaus - die zich inderdaad op grotere meesters en een duidelijker vatbaarheid kon beroepen. De architectuur van Scharoun leek meer op een indivi-
duele gril.
Afkomstig van Bremen studeerde hij van 1912 tot 1914 aan de Technische Hogeschool van Berlijn. Meer dan dertig jaar later zou hij de nieuwe technische universiteit van Berlijn helpen stichten en er tot 1960 professor voor stedebouw zijn. In 1915 werd hij ingeschakeld in de wederopbouw van Oost-Pruisen. Toen reeds was het duidelijk dat hij zich niet met een routine-loopbaan zou tevreden stellen. Architectuur was een roeping, politiek en sociaal. Hij zoekt contact met de visionaire groep van Bruno Taut. In Die gläserne Kette wisselden de vrienden architecten uit deze groep een jaar lang hun brieven met elkaar. Scharoun publiceert onder het pseudoniem Hannes. Hij laat o.a. ergens de bedenking vallen dat het minderwaardige (technische) werk aan anderen kan overgelaten of uitgesteld worden tot zij zelf vijftig jaar zullen zijn. Op zijn vijftigste jaar zal hij daar niet meer aan teruggedacht hebben.
In 1925 wordt hij naar Breslau geroepen als professor aan de befaamde academie die o.l.v. Oskar Moll een centrum van cultuur was in het toenmalige Duitsland. Te zamen met Scharoun waren er ook Oskar Schlemmer en Georg Muche werkzaam. Gedurende die Breslauer tijd ontplooit Scharoun een ontzaglijke bouwactiviteit. Hij behoort met de voornaamste Duitse avantgarde-architecten tot de groep Der Ring (zie Dromen van Hugo Häring, Standaard der Letteren van 1 mei 1965) en geniet in die kring een groot gezag. Met Häring staat hij tegenover Mies van der Rohe en Gropius. Zijn gezag bevestigt hij door verschillende belangrijke realisaties uit die jaren. Op de tentoonstelling Wohnen und Werken (Breslau, 1928) bouwt hij een gedurfd wooncomplex, waarin hij zijn visie op het wonen van de mens als totale levensinstelling illustreert.
Zijn architectuur is meer dan een esthetisch kleedje voor een hygiënisch woonminimum. Architectuur heeft voor hem geen ander doel dan een stimulerend woonmilieu te scheppen voor het individu en de gemeenschap. De ‘wooncel’ moet dynamisch opgenomen zijn in het complexe raster van het menselijke samenlevingspatroon. Zij kan er statisch met uit geïsoleerd worden. Helemaal recht bouwen in een evenwichtig in zichzelf gesloten vormsysteem heeft Scharoun dan ook nooit gekund. In Breslau heeft men reeds het volledig repertorium van zijn eerder wilde vormentaal, waarin ronde gaten met plezier botsen tegen de lange rechthoekige vensterstrips, zoals de internationale avantgarde ze toen dogmatisch poneerde, en waarin curven zonder veel zorg om harmonie of goede smaak de spanning trachten op te drijven. In de Philharmonie van Berlijn komen al die elementen op eenzelfde onconventionele maar meer beheerste wijze terug.
Dat Scharoun in die dagen aanzien genoot, bewijst het feit dat hij te zamen met Le Corbusier, Gropius, Oud e.a. in 1927 door Mies van der Rohe werd uitgenodigd op de experimentele Weissenhofsiedlung te Stuttgart een gezins-
woning te bouwen. In 1930 is hij het die de aanleg van de Siemenssiedlung te Berlijn ontwerpt en er te zamen met Gropius, Häring, Bartning voorbeeldige woningblokken optrekt, die zich duidelijk van de overige onderscheiden door hun karakteristieke curven en bewogen plastiek. Bij die Siemenssiedlung sluit hij na de oorlog met zijn nieuwe wijk Charlottenburg-Nord (1955-1956) aan. Hij toont er tegelijk de continuïteit en de evolutie van zijn architectuur en van de moderne architectuur in het algemeen.
Scharoun vormt immers een typisch geval in de moderne architectuurgeschiedenis. Van het begin af was hij een antipode van de Bauhausmensen met een architectuur die hij niet geconstrueerd wilde, maar organisch, d.w.z. als natuurlijk, uit het wezen zelf van de mens gegroeide ruimte, die daarenboven nog die spontaneïteit naar buiten zou uitdrukken. Men merkt dat men heel dicht komt bij de huidige voorstellingen over architectuur. Scharoun heeft, ook al gebruikte hij die zeer onconventioneel, de vorm steeds als een integrerend element van de architectuur beschouwd. Maar de vorm is in zijn opvatting vrij en soepel. Hij gehoorzaamt volledig en alleen aan de eisen van bewoonbaarheid. Hij bezit geen autonome opbouwprincipes.
Men zou kunnen spreken van een opgedreven functionaliteit. De functionaliteit van het Bauhaus lag, zoals Banham heeft aangetoond, nog sterk gebonden aan een academische vormtraditie met strenge coördinaten, symmetrie en perspectief. Scharoun veegt al die principes van tafel. Hij wil zijn woon- en feestruimten vrij uitbouwen. In hoever die vrijheid vaak denkbeeldig blijft, laat ik hier in het midden.
Scharouns opvatting over architectuur brengt dus met zich mee dat hij, nog voor er sprake is van een formele oplossing, de idee van de opdracht in zijn veelvuldige facetten moet trachten te vatten. Niet alleen om een functioneel programma op te stellen, maar om een expressief beeld ervan mee te delen. Bij de Philharmonie luidde de vraag: wat is de betekenis van een avond feestelijke muziek of van een feestelijke avond muziek? Scharoun ging tot de wezenlijke kern van die vraag. Hij ontdeed het musiceren-en-muziek-beluisteren van zijn al te representatief-burgerlijk karakter, om het als een wezenlijke menselijke belevenis te benaderen. Hij ontnam het ook zijn al te rationele structuur (van zuiver luistergenot) om het een existentiële waarde te geven. Om die scharounse muziekbelevenis te beschrijven, bestaat geen aangepaste terminologie. Deze laatste dateert immers uit een rationeel-burgerlijk-representatief tijdvak.
Scharoun wil de muziek in het volksleven integreren. In vroegere ontwerpen had hij dezelfde integratie reeds betracht voor het theater. Zijn ideeën over het theater kunnen dan ook haast letterlijk op die van het muziekbeleven worden overgedragen. Scharoun maakt een onderscheid tussen het rationele theater, dat het menselijke bestaan in ruimte en tijd situeert, en het irrationele dat deze grenzen overschrijdt. Het eerste is perspectivistisch, door duidelijke
coördinaten beschreven. Het andere aperspectivistisch. Het haalt de dimensies van tijd en ruimte door elkaar in een tijdeloze confrontatie van hemel en aarde en van aarde en hemel. Het aperspectivistische theater vraagt naar één open ruimte. In het rationele, axiale theater is het publiek een additieve, puntvormige massa van individuen, waarin hoogstens door een politiek-sociale stand een zekere geleding ontstaat. Het irrationele theater kent die optelbare massa niet. Het bewerkt een gemeenschap - eine Gemeinschaft der Ergriffenen und Betroffenen. Niet door één perspectief wordt de groep kijkers tegenover die van de spelers geplaatst. Het onderscheid van beide categorieën wordt opgeheven in één aperspectivistische gemeenschap van persoonlijk betrokkenen.
Men erkent in deze evolutie van het theater en het concertleven gemakkelijk dezelfde neigingen als in deze van het liturgisch beleven van vandaag. Het is trouwens ook zo dat men theater en muziek opnieuw een zekere sacrale functie wil geven. Scharoun was natuurlijk niet de eerste of de enige om die ideeën naar voren te brengen. Over die eminente gemeenschapsbeleving van toneel- of muziekavond hebben vele moderne architecten zich gebogen. Het belangrijke in het geval-Scharoun is dat hij aan die ideeën een radicaal nieuwe vorm heeft gegeven. Hij heeft de kracht, onafhankelijk van elke vormtraditie, - zijn eigen niet te na gesproken - vanuit de idee zelf zich een formele voorstelling te vormen en op schitterende wijze uk te werken.
Dat gebeurde naar aanleiding van een beperkte prijsvraag die in 1956 door de Berlijnse senaat werd uitgeschreven. Het project van Scharoun werd niet alleen behouden, maar inspireerde ook een nieuwe inplanting. Scharoun deed hiervoor een voorstel. Zijn plaats voor de Philharmonie werd aangenomen, maar niet de stedebouwkundige omgeving die hij had voorgesteld en waardoor een band van het gebouw met de stadskern zou zijn ontstaan. Nu staat het er een beetje geïsoleerd. Zijn opvallend karakter wordt daardoor extra geaccentueerd. En eigenlijk ook een beetje verdraaid. De verdere uitbouw van het Berlijnse cultuurcentrum met de Galerie des XXe Jahrhundert van Mies van der Rohe en van de bibliotheek van Scharoun zelf zal niet kunnen verhelpen dat dit a-monumentale gebouw toch als een monument te kijk staat gesteld. De algemene reactie erop is dan ook niet verwonderlijk. Het exterieur wordt haast zonder meer afgewezen. Het interieur wordt met dezelfde eensgezindheid geprezen. Het exterieur, dat zich voordoet als de onopgesmukte buitenkant van het interieur, (wat niet helemaal waar is), wordt nu net iets te sterk een programmaverklaring van anti-esthetiek om nog helemaal overtuigend te zijn.
Over de toegangszone tussen exterieur en interieur is de algemene opinie verdeeld. Persoonlijk vind ik ze een prachtige brok architectuur, Scharoun op zijn grootst. Ze is gecompliceerd en zelfs enigszins verward. Details van haar vormgeving zijn soms bepaald onverzorgd, om niet te zeggen wansmakelijk.
Het wonderlijke echter is dat deze details hun belang verliezen en helemaal opgaan in de meeslepende dynamiek van deze overgangszone die men slechts kan vergelijken met een briljante muzikale compositie. Een moderne compositie dan, al heeft ze ook veel verwantschap met de barok! In haar technische orthodoxie en haar formele ongegeneerdheid is de architectuur hier zuivere muziek geworden. En die klinkt nog het volst als de tweeduizend toehoorders, die avond na avond de zaal vullen, op haar ritme evolueren en tot vlak bij hun plaats worden geleid, waar ze tot rust komen in het grote auditorium. In al zijn drukte bezit dit auditorium, dat het hele gebouw beheerst, een grote rust. Geen strakheid, geen leegheid, geen beklemtoonde symmetrie of gerichtheid. Hier wordt men opgenomen in het dynamische evenwicht van de cirkel, of beter nog, van de gesloten spiraal. De zaal rust volkomen in zich. Toegangen en wegen naar buiten zijn niet zichtbaar. Men schuift er haast onmerkbaar op ik weet niet hoeveel punten, langs ik weet niet hoeveel wegen en trappen naar binnen of naar buiten. En binnenin houdt die vloeiende beweging niet op, maar is in zichzelf gesloten. Scharoun heeft deze ervaring ergens in de zaal gesymboliseerd door drie vijfhoeken in elkaar te schuiven. In het middelpunt van de zaal bevindt zich het orkest. Als vanzelfsprekend heeft het daar zijn plaats, niet langer een schouwspel van virtuozen, maar een vitale kern die zich tot in de laatste rijen in een golvende beweging uitbreidt. En toch zou ik juist voor die grandioze ruimte een licht voorbehoud willen maken. Ergens gaat zij door een te grote nadrukkelijkheid aan haar doel voorbij. Zelfs helemaal gevuld met haar 2218 luisteraars, blijft de ruimtelijke dynamiek van deze architectuur overwegen. Zij wordt nooit ten volle en restloos menselijke gemeenschap. Aan de monumentaliteit die ze van buiten negeert, geeft ze zich van binnen over. Juist iets te veel om alleen maar feestelijk te kunnen genoemd worden. Op haar hoogtepunt vergeet deze architectuur voor de mens heel even dat zij er voor de mens is. Zij blijft echter overtuigend genoeg om de levensvatbaarheid aan te tonen van het organisch alternatief van de moderne architectuur, dat door het Bauhaus in de schaduw werd gesteld. Door dc galerie van Mies van der Rohe rechtover Scharouns concertgebouw zullen deze twee strekkingen op deze plaats hun historische uitdrukking krijgenâ–ˇ
Bevrijding van de architectuur. Een Gents college bouwt een kerk.
De Standaard der Letteren, 25 september 1965.