Op vrijdag 5 november werd in het auditorium van de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen een academische zitting als huldebetoon aan architect Léon Stynen aangeboden. Na de academische zitting volgde de opening van een tentoonstelling in diezelfde academie. Deze blijft tot 22 november toegankelijk en zal hopelijk ook nog in andere steden getoond worden. Bij deze gelegenheid werd ook, in de vorm van een cataloog, een verzorgde plaket uitgegeven over het werk van Stynen. De reden waarom deze nu in de bloemen wordt gezet, ligt zoals gouverneur Declerck het uitdrukt, ‘in het bereiken van een zekere leeftijd en in het daaruit voortvloeiende afscheidnemen van het Instituut van Ter Kameren’. Eerder op het jaar was Stynen reeds gevierd bij de toekenning van de S.B.U.A.M.-prijs voor het B.P.-gebouw te Antwerpen.
Aan de hulde van Léon Stynen als architect zitten vele aspecten vast. Men is er vooreerst oprecht gelukkig mee. Het valt niet alle dagen voor dat een architect gehuldigd wordt en nog minder een architect als Léon Stynen. Het wordt een bijna ergerlijke gemeenplaats te beweren dat het slechts in België mogelijk is
dat een architect van dat formaat, van die invloed, van dat gezag, slechts door een kleine groep van insiders, en juister, door een groep persoonlijke vrienden is gekend. Maar op die schaal is een dergelijke graad van onwetendheid nog slechts bij ons voorstelbaar. Ik weet niet aan wie de schuld hiervoor te wijten. Wij dragen er waarschijnlijk allemaal een stukje van. Het blijft echter een feit dat het ook voor geïnteresseerden niet gemakkelijk is zich op de hoogte te houden en een oeuvre waardoor men hoe dan ook geboeid is beter te leren kennen.
Nog voor ik de naam van Stynen hoorde, had ik al een paar van zijn werken opgemerkt. Maar hoe zich over het werk van deze architect informeren? Bij toevallige stukjes en brokjes die men dan als een puzzel, waarvan men nooit weet of hij volledig is, tracht bij elkaar te brengen. Mijn kennis van Léon Stynen reikt dan ook niet verder dan dat. En ze kan eigenlijk niet veel verder reiken. Na kennismaking met de cataloog waarin de volledige lijst van werken is opgenomen, geloof ik dat ik alles wat Stynen gebouwd heeft, buiten zijn vooroorlogse expo-paviljoenen en zijn villa aan het Gardameer, gezien heb, en als de bibliografie van de cataloog volledig is, ongeveer alles wat er over gepubliceerd is en wat Stynen zelf publiceerde heb gelezen. Maar ik blijf op mijn honger.
Dit weinige volstaat immers helemaal niet om zich een ernstig beeld te vormen van Stynens artistieke persoonlijkheid en ontwikkeling. Natuurlijk speelt die persoonlijkheid zelf ook wel een rol in dat proces. Een zeker gemis aan oorspronkelijkheid en overtuigingskracht maar ook een vorm van bescheidenheid zullen wel hun deel hebben in de verklaring van het falende beeld. Maar de echte reden van dit falen ligt toch in het volslagen gemis aan architectonisch bewustzijn in culturele bovenlagen en dus ook in onze communicatiemiddelen. In Nederland zijn er minstens een viertal publikaties, waarvan een drietal om de acht of veertien dagen verschijnen, van een zeer behoorlijk niveau. Bij ons is er geen enkele publikatie die ermee kan vergeleken worden. De twee Belgische tijdschriften Architecture en Plan die het goed voorhebben met de architectuur leiden een moeizaam en haast onbekend bestaan. Zij dringen zelden of nooit tot de algemene pers door. Men kan dus slechts gelukkig zijn als door het huldebetoon, maar vooral door de tentoonstelling en de erbijhorende cataloog (een nummer van Plan) de gelegenheid wordt geboden een architect als Stynen beter te leren kennen.
Er is nog een tweede reden om met die hulde opgezet te zijn. Zij was eerlijk. Men kan moeilijk beweren dat zij een staaltje was van hoge cultuur. Maar zij bezat een kwaliteit waarvan het gemis de meeste huldigingen ongenietbaar maakt. De gevierde werd hier niet als een infantiel of seniel personage met dityrambische gemeenplaatsen overladen. Door de twee sprekers werd eerlijk gezocht Léon Stynen in het Belgisch architectuurpanorama te situeren. Vooral de toespraak van Renaat Braem was in dat opzicht merkwaardig, van een
rijke en ontroerende menselijkheid. Als er iemand is die spontaan vanuit zijn eigen architectonische visie en apostolische gedrevenheid, het werk van Stynen zou mogen afwijzen, dan is het wel Braem. Hij bekende het overigens zelf. En toch was het Braem die de eerste ernstige poging ondernam om een karakteristiek te geven van Léon Stynen als architect.
De tentoonstelling zelf is niet zo eerlijk als de toespraken waren. De cataloog vermeldt wel het volledige oeuvre, maar op de tentoonstelling zelf wordt dit niet getoond. Daar is maar één gezicht van Stynen te zien. Eén homogene evolutie wordt getoond, en die evolutie is inderdaad niet zo rechtlijnig en consequent als ze hier te zien is. Gouverneur Declerck zei het nogal pittig tot de gevierde: ‘Léon Stynen, gij hebt het u niet té moeilijk gemaakt’. Ook dit is een aspect dat tot de werkelijkheid Stynen behoort en dat men op de tentoonstelling niet had moeten verzwijgen.
De werkelijkheid van een architect is immers een zeer complexe werkelijkheid, omdat zij de totaliteit van de mens in zich opneemt. Eigenlijk kan men niet over architectuur spreken zonder te denken aan openbare besturen, opdrachtgevers, aannemers, leveranciers en producenten. Het is een vergissing van vele architecten deze nevenaspecten van hun beroep als minderwaardig aan te zien om zich zogezegd op de vorm alleen te concentreren. Deze duizend aspecten behoren alle tot de vorm van de architectuur. En het behoort tot de taak van de architect deze aspecten in zijn werk te verrekenen, ze zo nodig te wijzigen of eventueel te weigeren in mensonwaardige omstandigheden te werken. Nu blijkt het uit zijn oeuvre dat zelfs een Léon Stynen niet in staat is geweest, niet eens in zijn eigen werk, zichzelf algeheel trouw te zijn. Hij heeft voor die omstandigheden gecapituleerd, met het dubbele gevolg dat hij zijn eigen oeuvre niet helemaal als het zijne kan aanvaarden én dat hij toch zijn gezag schijnt te hechten aan volstrekt onaanvaardbare toestanden en gebruiken. Het al niet erg ontwikkelde geweten van de architectuur bij ons werd in dit oeuvre niet voldoende bevestigd.
En als ik tracht na te gaan hoe dit komt, - Stynen scheen immers al de kwaliteiten te bezitten om het geweten van onze nationale architectuur te worden - dan zie ik de reden van dit falen, behalve dan in de druk van de omstandigheden, in een architectuurconceptie die onbewust nog aan een academische vormelijkheid vastzit. Ik zeg onbewust, omdat Stynen als professor én als theoreticus die realistische functionalist was die de mens en zijn levensontplooiing in het architectuurproces vooropzette, maar bij de uiteindelijke vormgeving niet sterk en oorspronkelijk genoeg schijnt te zijn geweest om die levensfunctie als vanzelf tot haar vorm te laten ontluiken. Hij maakt vormen voor een levensfunctie. Die twee liggen nog altijd een goed stuk uit elkaar.
Ik heb daar reeds in een vroegere kroniek op gewezen toen ik de kerk van Le Corbusier te Firminy-Vert vergeleek mer de kerk van Stynen te Harelbeke. Dat men die vergelijking kan maken pleit voor het gehalte van het werk van
Stynen. Maar ze laat ook zien hoe de vrije en levensdoorvoede vormgeving van Le Corbusier bij Stynen verstart tot een autonoom vormelijk schema. Dergelijke sprekende vergelijkingspunten zou men kunnen vermenigvuldigen. Men kan bijvoorbeeld de fabriek van Le Corbusier te Saint-Dié (1946-1951) vergelijken met het winkelpand aan de Meir te Antwerpen om de afstand te meten tussen de concrete menselijke kwaliteit van de vorm bij Le Corbusier en de abstracte vormgeving van een rationeel verantwoorde functionaliteit bij Stynen. En die afstand springt des te feller in het oog omdat in het laatste geval zeer duidelijke allusies, en meer dan allusies, steken op een Corbusiaanse vormbehandeling.
Ik deel niet helemaal de mening van hen die in het laatste werk van Stynen, o.a. zijn muziekconservatorium te Antwerpen, een schitterende bekroning zien van zijn loopbaan, omdat juist in die werken het sterkst en het hinderlijkst dit gratuite spel met de vorm om de vorm, om de schitterende vorm dan, doorbreekt. Ontwerpen als dit van het conservatorium hebben mijns inziens iets arrivistisch. Men wil zich als het ware, nu alles voor de wind gaat, op zijn gedwongen bescheidenheid wreken. Het soort ‘understatement’ dat Braem terecht in het werk van Stynen prijst, ervaart men hier niet meer. Veel meer en zeer hoge kwaliteiten vind ik in de appartementsgebouwen te Antwerpen-Elsdonk van 1933, die laten aanvoelen wat het werk van Stynen kon geweest zijn. En om te laten zien dat deze voorkeur niet aan een bepaalde vorm ligt maar aan de menselijke substantie van de architectuur noem ik te zamen met de appartementen van Elsdonk deze van ‘de zonnewijzer’ aan de Mechelsesteenweg te Antwerpen, dat ik als een van de beste werken van Stynen aanzie. Over de eigen villa aan het Gardameer durf ik het niet te hebben. Naar de foto's te oordelen is het een zeer vrij werk waarin Stynens orthodox vormpurisme niet aan bod komt.
Binnen de grenzen van deze kritiek bezit het werk van Léon Stynen, zeker met nationale maatstaven gemeten, een hoge en uitzonderlijke waarde. Het doorbreekt wel de formalistische optiek niet en blijft daardoor gevangen in een wezenlijk academische reflexie op de actueel voor de architect gestelde problemen, maar dit belet het niet in zijn vorm zelf op een overtuigende wijze het besef waar te maken van een aantal waarden die in onze architectuur uiterst raar zijn.
Om te beginnen het besef van de vorm zelf. Stynen verliest zich niet in details, in materialen, in kleur of textuur, techniek of constructie. Bij hem primeert de vorm als vorm, de grote vorm, de totaalvorm. Elk werk heeft zijn klare vormidee die dan met een absolute consequentie en een volledige beheersing tot in het detail wordt doorgetrokken. Daardoor alleen al heeft het werk van Stynen een grote distinctie over zich. Het gedraagt zich een beetje als een gentleman die bewust de complexiteit van het leven wegsteekt achter zijn eerbied voor orde, tucht, en conventie. Stynens architectuur laat geen
grilligheid toe. Zijn fantasie staat volkomen in dienst van de feilloze beschaafde vorm.
Die vorm zelf is resoluut modern. Hij evolueert niet in een cultureel luchtledige. Hij sluit aan bij ons hedendaags vormgevoel, verwerkt met aanvoelen de materialen van deze eeuw, wijst de consequenties van een geëvolueerde techniek als de prefabrikatie niet af, spingt economisch met de middelen om. Die vorm is ook een sleutel voor een universele vormgeving van het menselijk leefmilieu. Een architect ontwerpt immers niet meer in functie van een afzonderlijke opdracht alleen. Zelfs de kleinste woning die hij bouwt moet in zich de principes dragen voor de uitbouw van het gehele leefmilieu, wil ze nog enige geldigheid bezitten en voor een mens van deze eeuw authentiek bewoonbaar zijn. De vorm van Stynen bezit die fundamentele kwaliteit. Hij getuigt voor een nieuw humanisme en voor de belangrijke rol die de architectuur bij de verwezenlijking ervan te spelen heeft. De grootheid van Stynen bestaat erin dat hij ondanks alles in die taak is blijven geloven en er zich met zijn eigen geaardheid heeft voor ingezet.
We hebben Stynens werk kritisch benaderd, maar dit betekent meteen ook dat het tot het weinige behoort waarop een ernstige kritische reflexie mogelijk isâ–ˇ
Le Corbusier. (lezing)
Turnhout, 4 december 1965.
Staalkaart voor kerkbouw aan de hand van drie voorbeelden.
De Standaard der Letteren, 11 december 1965.
Gij zult u geen beeld maken. Notities bij de architectuur van de kerk in het St.-Lievenscollege te Gent.
Tijdschrift voor Liturgie 6 (1965).
In een of ander huis,
in Ars Sacra Nova, Zwijndrecht, 1965.