Outrijve, 6 april 1966.
Ik geloof dat het een zeker voorrecht betekent een kunstenaar te kunnen inleiden die men niet of amper persoonlijk kent. Niet dat ik er een ogenblik aan twijfel dat Jan Saverijs een uitstekende compagnon zou zijn. Met hetgeen ik van hem weet, veronderstel ik eerder het tegendeel. Maar als men de man,
over wiens werk men het moet hebben, niet kent, dan bestaat er ook geen gevaar zich te laten leiden door een verdachte soort sympathie die heel weinig met de zaak te maken heeft; dan kan men zelf niet gaan voortbouwen op een vertrouwdheid met de persoonlijke sfeer van het werk, die tenslotte niet mededeelbaar is en die ieder voor zich opnieuw moet scheppen; dan kan men niet aan de kant van de kunstenaar gaan staan als een ingewijde tegenover de oningewijde toeschouwer. Het enige dat ik misschien op u voor heb is dat het niet de eerste keer is dat ik dit werk zie en ervan kan genieten. Voor het overige liggen onze kansen van begrip voor dit werk gelijk. Ik heb vaak de indruk dat een inleider of criticus onwillekeurig zichzelf en zijn eigen interpretatie tussen het werk en het publiek stelt, en als ik vanavond één ding zou willen vermijden dan is het dàt. Ik praat hier eigenlijk maar wat omdat er iets moet gezegd worden om de weg naar het kunstwerk (en naar onszelf) vrij te maken, om het kunstwerk van een valse mysteriositeit te ontdoen, een mysteriositeit die erin bestaat dat men het werk op een verkeerde manier aan de persoon van de kunstenaar of aan die van de interpretator bindt.
Ik sta aan de kant van het publiek, tegenover het werk. En ik reken dan ook, als ik dat mag, Jan Saverijs zelf tot dat publiek. Allen tesamen worden we vanavond, en meer nog de volgende dagen, geconfronteerd met een werk, een oeuvre, dat niet méér van hem dan van ons is. Het kunstwerk is immers een objectieve werkelijkheid, iets dat er is, dat een betrekkelijk onafhankelijk leven leidt, dat op zichzelf bestaat. Dat kan slechts in zover de kunstenaar het werk van zichzelf heeft weten los te maken, in zover hij in staat bleek te zijn het een eigen, autonome persoonlijheid mee te delen. Zoals het kunstwerk voor ons een gave is, zo is het dat ook voor de kunstenaar. Hij krijgt het meer dan dat hij het maakt. Een kunstwerk is niet van u, noch van mij, noch van die het gemaakt heeft. Het is geen bezit, kan geen bezit zijn. En het juridische beschikkingsrecht erover verandert hier maar weinig aan. De werkelijkheid van het kunstwerk kan men misschien nog het best vergelijken met een natuurelement, met de lucht die men inademt, met de zee waarin men zwemt, of misschien ook, omdat die langs mensenhanden tot stand is gekomen, met een stad. Het kunstwerk is als een stuk stad, waarin we ons kunnen vestigen, zonder het ons te kunnen toeëigenen. De bewoners maken de stad tot wat hij is, maar ook de stad maakt van de bewoners wat zij zijn. Deze, universele, werkelijkheid van het kunstwerk, dat maar door de mens en toch onafhankelijk van hem bestaat, komt op een plaats als deze, meer dan in een eigenlijke tentoonstellingszaal, tot gelding. Het heeft zijn plaats te midden van het leven.
Nu stelt zich dan natuurlijk de vraag wat die ‘universele’ werkelijkheid van het kunstwerk voor ons kan betekenen m.a.w. welke de verhouding is van de werkelijkheid van de kunst tot onze dagdagelijkse werkelijkheid? Hebben we echt behoefte aan kunst? Of is het slechts een soort superchérie, iets wat voor
bijzondere momenten, zoals vanavond, erbij kan komen? Een zondagse bezigheid? Waarom maakt een kunstenaar zich moe met op een schijnbaar willekeurige wijze kleuren op een doek te smeren of met gekleurd papier te verfomfaaien en op een paneel aan te brengen? Waarom spannen de organisatoren zich in om in deze tentoonstelling een aantal van die gekleurde dingetjes te presenteren? Ja, waarom geven we ons eigenlijk de moeite om hier samen te komen?
Dat zijn alle vrij delicate vragen, die misschien niet eens mochten gesteld worden. Ieder van ons zal er wel zijn persoonlijk antwoord op hebben. En die antwoorden zullen wel uiteenlopend zijn. We zijn hier omdat het nu eenmaal zo hoort, of omdat het goed staat ook een beetje aan cultuur te doen, of omdat het een prettige gelegenheid is voor een avondje-uit, een gezellig onderonsje onder vrienden. Dat zijn alle uitstekende redenen. Maar ze geven geen verklaring voor het feit dat we zijn samengekomen naar aanleiding, tenminste dat, van schilderijen.
Wat betekent dat? Als het niet volkomen willekeurig of toevallig gebeurt dan kan de reden geen andere zijn dan het zoeken om het dagelijkse te doorbreken en te overstijgen. En het dagelijkse neem ik hier dan in zijn ruimste betekenis van het gewone leven, niet alleen negatief, met alles wat het aan routine meebrengt in het dagelijkse ritme van onze dagverdeling, maar ook met wat het begrip van het gewone leven inhoudt aan vertrouwdheid, veiligheid, beslotenheid, afheid, in één woord aan het knusse geïnstalleerd-zijn in een leven, waarvan we zelf, eigenmachtig, de grenzen hebben bepaald, waarin alles zijn preciese plaats heeft gekregen, waarin, voor zover het van ons afhangt, elke verrassing, elke verwondering, elke vernieuwing is uitgesloten. Wie deze knusse levenshouding als het hoogste ideaal aanvaardt, heeft inderdaad geen behoefte meer aan kunst. Voor hem kan kunst slechts verbreking zijn, een bedreiging van die orde, of onschuldige gekheid. Maar al heeft het er soms de schijn van dat wij op die manier kunnen gelukkig zijn, ik word er met de jaren meer van overtuigd dat dàt inderdaad slechts schijn is, dat niemand daarmee in het leven rondkomt. Op alle mogelijke manieren en ieder van ons op zijn manier, zijn wij op zoek om te ontsnappen aan de bepaaldheid van de ruimte en de tijd, die ons tot automaatjes dreigt te reduceren, om uit te stijgen boven de enge materiële gebondenheid die eraan vastzit. Ergens leeft in ons een drang om over het egoïsme van het plantaardige in ons uit te groeien en bevrijding en verruiming te vinden in een hogere werkelijkheid. En wat betekent hogere werkelijkheid anders dan échte werkelijkheid, dé werkelijkheid die zin en substantie kan geven aan het eindeloze en onzinnige verloop van onze dagelijkse bezigheden.
Aan die diepe onrust, die in feite niets anders is dan de stuwkracht van het leven zelf, heeft tot op onze tijden de officiële godsdienst altijd een antwoord gegeven. Wie godsdienst zei, zei ook staat, gemeenschap, én kunst. Rodin
was het die beweerde dat, indien de godsdienst niet bestond, hij de behoefte zou voelen om hem uit te vinden, want kunst kan niet anders dan religieus zijn. Wanneer de godsdienst verloren gaat, is ook de kunst verloren. André Malraux sloot zich bij dit inzicht aan toen hij sprak van een metamorfose van de goden en de kunst tot de religie van de ongodsdienstige mens van vandaag verklaarde. Hij vergiste zich alleen toen hij meende dat deze uitspraak niet voor de christen gold. Ik zou bijna zeggen dat het tegendeel waar is.
Nu de godsdiensten als expressie van een dogmatisch, statisch, onveranderlijk en gesloten wereldbeeld hun vat op het leven hebben verloren, nu de mens zijn verantwoordelijkheid voor zichzelf moet opnemen en op een persoonlijke wijze de zin van zijn leven niet alleen moet ontdekken, maar zelf scheppen en concrete gestalte geven, is er de kunst en alleen de kunst om hem daarbij te begeleiden, om hem de symbolen aan de hand te doen om zijn werkelijkheid te benoemen, en op die manier te bezweren en te doen ontstaan. De kunst is m.a.w. onze enige manier om de werkelijkheid te zien, en beter nog dan zien, zou men kunnen zeggen: de kunst is de enige manier om onze werkelijkheid te worden, te realiseren. Kunst is immers geen intellectueel proces, maar een proces van overgave en waarom het niet ineens zeggen: van liefde.
Kunst is een vorm van liefde, van liefde tot het bestaan. En de kenmerken van de kunst kunnen nog het best met die van de liefde worden beschreven. De verhouding van de kunstenaar tot het kunstwerk is als een liefdesspel. En die van de toeschouwer tot het kunstwerk kan niet anders zijn. Ze is even intiem, even onuitsprekelijk, even creatief. Evenals de liefde is de kunst een overgave van de totale mens. Evenals in de liefde verliest de mens zich volkomen in een supreme extase van de kunst. Evenals de liefde is de kunst een superieure vorm van kennis, een verlorengaan in het object van de kennis zelf. Zoals de liefde is de kunst, zoals we reeds zegden, niet iets wat de mens bezit, maar een nieuwe bestaansvorm, een voortdurend groeiproces, een aanhoudend scheppen in een overstijgen van de eigen grenzen, van een nieuwe, totaal oorspronkelijke werkelijkheid, die paradoxaal genoeg de echte zin van het vroegere duidelijk laat worden in het perspectief van wat erna kwam. Liefde is blind, d.w.z. blind voor taboes, voor voorschriften, reglementen, beperkingen van buitenaf, conventies, zij schept zich haar eigen wetten, niet uit willekeur, maar omdat zij ergens vertrouwt op een zekerheid, omdat ze ergens een licht heeft ontstoken en een nieuwe, onbekende menselijkheid onthuld. Op diezelfde wijze is de kunst blind voor de grenzen van het bestaande omdat zij, helderziend, de werkelijkheid van het bestaan over de grenzen van het bestaande heeft ontdekt.
Verdenk me nu niet van wat gemakkelijke, bij de gelegenheid passende retoriek. Wat hier gezegd is kan ver af schijnen van de schilderijen waartussen we ons bevinden, maar toch heeft alles er onmiddellijk betrekking op. Wel is het waar dat wij in onze zin voor orde en netheid in het bestaan ook de ‘kunst’
een veilig en onschadelijk plaatsje hebben toebedeeld, haar haar werkelijk avontuur ontzegd, een inbreuk op ons leven geweigerd. Als het zo is, dan hoop ik dat deze schilderijen van Jan Saverijs door hun stille felheid in staat zullen zijn om die grenzen open te breken, ons kunstbegrip te doen springen en ons mee te slepen in hun verrukkelijk avontuur dat Jan Walravens eens heeft beschreven als het schilderen van de zon. Nu kom ik toch nog in de verleiding om over het werk zelf te gaan praten. Maar ik heb beloofd me niet tussen u en het werk te stellen met een of andere interpretatie, noch u de persoon van de kunstenaar als alibi aan te bieden. Ik wil de schilderijen zelf, zoals ze zijn, aan u overleveren, en u aan de schilderijen. Het is, geloof me, de enige weg om hen en uzelf te vinden. De poging daartoe ondernemen, zonder vooroordelen, zonder vooringenomenheid, is op zichelf al zo'n geweldige daad dat ze een voldoende bestaansreden voor de kunst zou zijn. Terecht heeft Erich Kästner eens gezegd: ‘Wat zijn we met gedachten, met geleerdheid, wetenschap? Wat met leerstellingen en grote systemen? De ziel voedt zich aan het beeld. Zo is het sinds oeroude tijd. Wat uit inzicht, ervaring, vermoedens en kennis ontstaat, moet beeld worden, of het blijft dood. Slechts diegene die waarheid in beeld bezit, bezit ze helemaal.’
Ik wens u toe dat een stuk leven uit deze schilderijen in uw leven moge overgaan. Deze zijn immers als zovele personnages van Pirandello op zoek naar een auteur □
Levende bouwkunst te Esneux.
De Standaard, 15 april 1966.
Stad in beweging. (project BRT)
April 1966.