terug  begin  verderprepost
[p. 66]

Mies van der Rohe. Pleidooi voor een dandy.

TABK 10(1966).

Mies van der Rohe heeft zijn formule en schijnt daarbij te zullen blijven tot het einde. Vierkant en academisch, een canon van details, een star systeem van principes, die de nieuwe hoop op een vrije humaniteit vlug en pijnloos zullen ombrengen ... een heldere hemel zonder zon en zo dood als Julius Caesar.

Meer dan vijftien jaar geleden formuleerde Erich Mendelsohn dit oordeel, dat sindsdien gemeengoed is geworden. Het staat best smalend neer te zien op het structurele perfectionisme van Mies van der Rohe. Hij is symbool geworden van het failliet van de moderne architectuur waarin we momenteel betrokken zijn. Hij is de zondebok die, beladen met al de monotonie, de levenloosheid, de onmenselijkheid van de moderne architectuur, meedogenloos de woestijn wordt ingestuurd. Hij bezit echter geen figuur om zondebok te spelen.

Op 27 maart werd hij tachtig jaar. De jicht bezorgt hem wat last bij het lopen, zodat hij zich meestal met een stok moet behelpen. Maar leeftijd noch gebrek volstaan om medelijden met zijn figuur te wekken. Hij blijft de zelfbewuste man, onaantastbaar in zijn overtuiging, onkreukbaar in zijn zelfdiscipline. Dat alleen is te midden van onze zekerheden al genoeg om verdacht te zijn. Zijn welgedane figuur en zijn vriendelijke grote kop, waarvan het karakter onderlijnd wordt door het sjieke pak dat hij draagt, maken van hem een volmaakte speler. Onze zorgelijke menselijkheid raakt hem niet. Schijnbaar tenminste.

Bij de tachtigste verjaardag van Ludwig Mies van der Rohe - de naam alleen al die hij bij het begin van zijn carrière als architect in 1910 aannam is opmerkelijk - zou ik een woord willen inbrengen voor zijn zogenaamde onmenselijkheid. Het hoort er natuurlijk bij dat men iemand op die eerbiedwaardige leeftijd een vriendelijk woord gunt. Wij zijn echter ver genoeg van de feesteling af om ongegeneerd te kunnen zeggen hetgeen we denken. Het gaat er hier niet om mee te doen aan de officiële hulde die Mies dezer dagen te beurt valt en die misschien even de animositeit (o.a. een tentoonstelling van zijn tekeningen in het Museum of Modern Art te New York) tegen hem zal verdoezelen.

Hij zelf heeft zich nooit gewaardigd op de aantijgingen tegen hem of zijn werk te antwoorden. Tegenspraak en zelfverdediging zijn voor hem tijdverlies en energiemisbruik. Ze passen niet in de economie van de middelen, waarvan hij een dogma heeft gemaakt. Die aantijgingen kunnen alle gebracht worden onder één noemer, die van de onpersoonlijkheid. En die onpersoonlijkheid wordt dan onmiddellijk met de onmenselijkheid gelijkgeschakeld. Mies echter aanvaardt de gelijkschakeling van die twee termen niet. Onper-

[p. 67]

soonlijkheid is geen onmenselijkheid. Integendeel. De onpersoonlijkheid van zijn architectuur is een voorwaarde tot menselijkheid. En meer nog: die onpersoonlijkheid is niets anders dan de negatieve uitdrukking van de vrijmaking en de ontvoogding van de persoonlijkheid. De onpersoonlijkheid, positief uitgedrukt: de objectiviteit, is het wezenlijkste kenmerk van een nieuwe mensopvatting. Die stelling neemt Mies als een universeel uitgangspunt. En ik geloof niet dat hij zich daarin vergist. Als men de democratisering van de hedendaagse samenleving aanvaardt, dan kan dat alleen betekenen dat men de mens, elke mens in het middelpunt plaatst, hem zijn vrijheid gunt om zijn eigen wereld volgens zijn eigen opvattingen uit te bouwen, en dat men niet langer een primordiale waarde toekent aan een of andere bepaalde, afgetekende structuur waarin en waardoor het individu pas zijn menselijkheid kan verwerven en beleven. In dat laatste geval komt het individu maar tot gelding wanneer het zich naar dat ideaal patroon gedraagt en zijn plaats in de structuur, die er een uitdrukking van is, inneemt. Het maakt maar weinig uit of die structuur een christelijke of een marxistische naam draagt, noch of als verantwoording van de ene God en van de andere dé Mens (met een hoofdletter) staat. In geen van beide gevallen kan men in werkelijke zin van democratie spreken. De persoonlijkheid van de architectuur heeft er de gehele geschiedenis door in bestaan dergelijke, gehiërarchiseerde, op een abstract ideaal gefundeerde structuur tot uitdrukking te brengen, en te bevestigen; de transcendente zin van het leven te openbaren en daardoor de mens zijn beveiliging te geven in een onaantastbare waarde, die buiten hemzelf lag. Nu echter de vrije, immanente mens zelf drager wordt of gaat worden van die sociale structuur en niet langer een of andere abstractie, kan de architectuur, en dit is de vorm van het hele levensmilieu, niets anders meer dan objectief zijn, of zoals Kaufmann het uitdrukte, autonoom. Ze kan geen verbijzonderde en dus verpersoonlijkte structuur meer uitdrukken, omdat ze op allen afgestemd moet zijn. Ze kan niets anders meer dan structuur zijn, een structuur die in haar anonimiteit en neutraliteit de vrije ontplooiing van elk individu en de vrije samenstelling van zijn gemeenschap in het totale dienstmilieu mogelijk maakt.

En daarmee zijn we terug bij Mies, die helderder dan wie ook deze paradox van de moderne geestesevolutie heeft geformuleerd: de verpersoonlijking van de mens brengt noodzakelijkerwijze een depersonalisatie van zijn milieu mee. Die depersonalisatie van het moderne milieu, aan wiens werkelijkheid wel niemand meer twijfelt, wordt vaak door de cultuurfilosofen negatief geïnterpreteerd. Mies van der Rohe echter neemt ze als positieve waarde aan. Het objectieve, structurele constructivisme dat hij in zijn bouwkunst voorstaat is er een rechtstreeks uitvloeisel van. Hij ziet geen enkel heil in een bouwkunst die zich direct baseert op een psychologie, een sociologie, een economie in volle evolutie, die hun programma's en eisen voortdurend opnieuw moeten kunnen formuleren, en noch minder in een bouwkunst die expressie zou zijn

[p. 68]

van de persoonlijkheid van de architect. Slechts door een objectieve bouwkunst - en voor een objectieve bouwkunst kan volgens hem slechts de constructie als basis worden genomen - kan voor de mens de wetenschap, de techniek in evolutie een milieu scheppen dat niet belemmerend op die evolutie inwerkt. Zij alleen kan neutrale structuren ontwikkelen die voor alle toekomstige evoluties op welk gebied ook openstaan. De objectivering van de architectuur verschaft daarenboven een ernstige basis voor een rationele aanpak ervan. Een basiselement kan voortdurend verder geperfectioneerd worden. Haar technische kwaliteit kan door prefabrikatie beter gewaarborgd worden. Door serieproduktie kan ze economisch uitgebaat worden. Haar soepelheid en flexibiliteit kan steeds preciezer ten dienste van de evoluerende behoeften van de mens worden gesteld. In een woord, door zich op de studie van de constructie toe te spitsen kan die voortdurend neutraler worden gemaakt en dus ook meer dienstbaar aan de impulsen van het complexe moderne leven. ‘Ik probeer’, zegt Mies van der Rohe, ‘om van de gebouwen een neutraal structureel kader te maken waarin de mensen en de kunstwerken hun eigen leven kunnen leiden. Om dat te bereiken moet men ten overstaan van de dingen een nederige houding aannemen’.

Tot hiertoe kan er, geloof ik, tegen die redenering maar weinig ingebracht worden. Ze vormt een onweerlegbare verantwoording voor de houding van de dandy, de dandy uit overtuiging die Mies is. Door een objectieve, gecultiveerde, zo mogelijk briljante stijl moet de individualiteit tot haar juiste proporties worden herleid. De persoonlijke problemen mogen een vlotte omgang niet in de weg staan. Men moet er zijn medemens niet mee bezwaren. Die overtuiging volgt Mies evenzeer in zijn persoonlijke gedragingen als in zijn architectuur. Beide voert hij op toe een toppunt van verfijning.

Maar zoals elk dandyisme blijkt ook dat van Mies van der Rohe ergens een illusie te zijn. Ergens gaat het langs de werkelijkheid heen omdat het de stijl van het leven losmaakt en hem daardoor zijn voedingsbodem ontneemt. Hier krijgt de kritiek van Mendelsohn zijn betekenis. Mies heeft inderdaad een systeem uitgewerkt, een canon van prachtige details opgesteld, men kan zelfs zeggen: alle elementen geleverd voor een authentieke democratische totaalarchitectuur, afgestemd op de individuele mens. Maar hij heeft zelf die elementen in een star, academisch patroon verwerkt. Zo heeft hij onbewust zijn eigen visie verraden; zijn diepste opzet niet kunnen doorzetten. Zijn democratische opvattingen over de vrijheid van de massamens werden gesmoord in gebouwen die hij als zelfheerlijke monumenten van een constructief systeem oprichtte. Structuur en vorm heeft hij ten onrechte vereenzelvigd en stijl tot een doel op zich gemaakt. Zoals Mendelsohn ziet men gewoonlijk slechts dat aspect van Mies' architectuur en dan moet het oordeel wel negatief uitvallen. Maar deze uiteindelijk verkeerde conclusie is niet inherent aan de redenering zelf. Het rechtlijnige academisme, de koelheid, de kristallijne, onmenselijke

[p. 69]

zuiverheid zijn niet een rechtstreeks gevolg van het objectieve structuralisme, maar alleen een foutieve toepassing ervan door Mies van der Rohe zelf, een onbewust doorwerken van de monumentale en verpersoonlijkte architectuuropvatting die hij wilde overwinnen. Als hij zelf zegt dat iedereen zich aan zijn architectuur kan inspireren zonder daarom navolger te worden, omdat zijn werk volkomen objectief is, dan moet men deze uitspraak met de aangegeven restrictie begrijpen. Mies van der Rohe heeft het architectuurideaal van deze tijd op een heldere wijze geformuleerd, er de noodzakelijke consequenties uit getrokken, er zelfs al de elementen voor aan de hand gedaan. Zelf gaf hij het voorbeeld van een hoge ambachtelijkheid en een zeldzame beroepseer, liet de poëzie van het objectieve bouwen zien, maar hij is, zoals de meesten van zijn grote generatiegenoten, niet in staat gebleken om dit alles zelf in zijn gebouwen door te voeren tot een concrete gestalte. Men moet zich aan de eigenlijke, objectieve werkelijkheid van Mies inspireren. Het is een vergissing hem af te wijzen, of hem, in zijn eigen manier, te imiteren □

 

Verwarring over begrip architectuur. Van de Ven-prijs nam nieuwe vormen aan.

De Standaard, 11-12 juni 1966.

 

Van de Ven-prijs koos niet de ‘schittering’.

De Standaard, 13 juni 1966.

prepostterug  begin  verder