terug  begin  verderprepost

Ove Arup.

TABK 11(1966).

 

Ove Arup is een ingenieur. Hij werd in 1895 te Newcastle-on-Tyne (Engeland) uit Deense ouders geboren. Op zijn zevende jaar verhuisde hij naar Hamburg. Maar voor hij zijn universitaire studies begon had zijn familie zich opnieuw in het land van herkomst gevestigd. Aan de universiteit van Kopenhagen studeerde hij eerst filosofie en wiskunde. Maar die vakken bevredigden

[p. 79]

hem niet helemaal. Na zijn ‘Filosofikum’ vatte hij de studies van ingenieur aan. In 1922, het jaar waarin hij zijn ingenieursstudies beëindigde, nam hij een betrekking aan in het bureau Christiani en Nielsen. Omwille van zijn Engelse nationaliteit werd hij naar de filialen van Londen verplaatst. Nog geen jaar na het behalen van zijn diploma werd hij er Chief Engineer. Zijn rijkgevulde carrière was begonnen.

Aan die ingenieur werd onlangs door de koningin van Engeland de gouden architectuur-medaille voor 1966 toegekend. Om dat te kunnen begrijpen moet ik nog even verder vertellen. In 1933 immers komt Ove Arup in contact met het Londense architectenbureau Tecton, waarmee hij vanaf 1934 geregeld zou samenwerken. En niet alleen samenwerken, maar in een nieuwe richting sturen. Ove Arup is het die het Berthold Lubetkin van het Tectonbureau mogelijk maakte zijn meesterwerken uit de jaren 1933-1935 te realiseren. Zijn invloed is merkbaar in de Highpoint-flats te Highgate, even buiten Londen, het klassieke voorbeeld van de Engelse avantgarde-architectuur tussen de twee wereldoorlogen met de fameuze balkons in één doorlopende, gracieus gebogen betonplaat. Maar nog opvallender schemert Arups fantasie door in het ontwerp van de penguin pool in de Regent's Park Zoo, de dierentuin die nu stilaan het modelboek van de moderne Engelse architectuur aan het worden is.

Was de overwinning van een dor, dogmatisch en formalistisch functionalisme reeds merkbaar in de balkons van Highpoint, in de penguin pool heeft het functionalisme van die jaren zijn waarachtige zin gekregen in een bouwkunst die zich direct, buiten elke vooropgezette theorie en elke pregeconcipieerde vorm, door het leven in zijn bonte, speelse en veelvuldige verschijning laat inspireren. In de penguin pool van 1935 kan men ervaren dat de architectuur zichzelf als een autonoom vormelijk of constructief systeem opheft om met liefde, verwondering en de daardoor loskomende fantasie het leven te bekijken, te aanvaarden en er door een stimulerende vorm aan mee te werken. Het is misschien niet helemaal toevallig dat het hier om een tehuis voor dieren gaat.

Het perfect samenvallen, het volledig opgaan van technische gegevens (programma, organisatie, constructie); van functionele eisen (herbergen, bekijken van dieren); van economie der middelen en van landschappelijke situatie in een vorm die tot een rijke menselijke belevenis wordt is het kenmerk waaraan men de hand van Ove Arup zal blijven herkennen. Na deze aanduidingen uit het begin van zijn carrière als promotor van een fantasierijke functionaliteit én als stimulator van de architect waarmee hij samenwerkt zal het minder verwondering wekken dat aan een ingenieur een koninklijke medaille voor architectuur werd toegekend.

De oorlogsjaren waren voor Arup geen gunstige tijd om met vooruitstrevende constructiemiddelen voor de dag te komen. In 1938 had hij met zijn neef, een

[p. 80]

ondernemer van bouwwerken, de firma Arup and Arup Ltd gesticht om de eigen ontwerpen zelf ook te kunnen uitvoeren en zo de controle op het werk tot het einde toe te behouden. Maar veel kwam van die mooie plannen niet terecht. Toch liet Arup niet na voor de bescherming van de burgerbevolking allerlei projecten van betonnen schuilkelders uit te werken en in het publiek voor te stellen. Zonder veel succes. Slechts op het einde van de oorlog, bij de voorbereiding van de invasie van Frankrijk, vonden een paar van zijn ideeën ingang. Na de mislukking van de associatie met zijn neef vestigt hij zich na de oorlog als onafhankelijk raadgevend ingenieur. In die kwaliteit ontwerpt hij met Architects Co-Partnership in 1947 een in twee richtingen gebogen schaaldak van 25 bij 20 meter in een dikte van ongeveer 8 centimeter, daarbij nog door een achttal bovenlichten van circa twee meter diameter doorbroken. Een voor die tijd merkwaardige constructie, en daarenboven ook een voorbeeldige samenwerking met de architecten.

In 1956 associeert Ove Arup zich met zijn medewerkers onder de naam Ove Arup and Partners. Dit bureau heeft sindsdien een merkwaardige uitbreiding genomen. Het bezit nu kantoren in Dublin, Nigeria, Ghana, Zuid-Afrika, Zambia, Rodesië en Kenia, om niet te spreken van de kantoren in verschillende Engelse steden. Sindsdien heeft de naam Ove Arup ook enige weerklank gekregen, al zal men hem nog altijd tevergeefs zoeken in geschiedenislessen of encyclopedieën van de moderne architectuur. Hij zal wel voor altijd verbonden blijven aan een paar meer sensationele werken. De rol die hij daarbij speelde als ingenieur zal hem ook wel die gouden medaille opgeleverd hebben.

Arup was betrokken bij de herbouw van de kathedraal van Coventry, het nationale monument van het anglikanisme, waarmee men in weinig opzichten, noch religieus, noch architectonisch, erg gelukkig kan zijn. Maar ik haal dit voorbeeld slechts aan omdat het een kijk geeft op de bescheidenheid waarmee Arup zijn groot talent ten dienste stelde. In zijn boek Phoenix at Coventry schrijft de architect van de kathedraal, Basil Spence, over hem: ‘Een van zijn sympathiekste kwaliteiten bestaat erin dat hij, met al zijn technische kennis, toch bereid is naar iedereen te luisteren - zelfs naar architecten. In een wenk had hij de samenhang en alle aanduidingen van de tekening voor de kathedraal door en hij stelde er zich onbaatzuchtig ten dienste van. Als architect was het voor mij een voortdurende vreugde met hem te mogen werken. Het werk werd een echt spel’.

Basil Spence gelooft men op zijn woord. Het werk van Arup maakt immers steeds de indruk spelenderwijs te zijn tot stand gekomen. Niet altijd zo opvallend als in de penguin pool is het spelelement toch overal aanwezig. Zo heeft Arup het ook als een grandioos spel opgevat als de jonge Jörn Utzon in 1957 met enkele even vage als mooie potloodschetsen van de opera voor Sydney bij hem kwam. Hij had met die schetsen, geheel onverwacht - hij

[p. 81]

heeft zelfs lang geaarzeld in te sturen -, de eerste prijs behaald in een internationale prijsvraag. Maar nu het op bouwen aankwam zat hij met de handen in het haar.

Arup wees Utzon niet af. Hij zette zich aan het werk om deze fantastische tekeningen zo in werkelijkheid om te zetten dat ze niets of zo weinig mogelijk van hun poëzie verloren. Zoals voor Coventry berekende hij niet slechts wat de architect hem voortekende. Hij leefde zich zo diep in het project in dat hij het als het ware van binnenuit tot een gave bouwrijpheid kon brengen. Over de architectuur van de opera kan men twisten. Maar iedereen zal toegeven dat zij een goed deel van haar architectonische kwaliteiten die ze nu reeds laat zien in de voltooide ruwbouw, te danken heeft aan de prachtige structuren die Ove Arup ervoor ontworpen heeft.

Ook in de gebouwen die zijn eigen bureau realiseert - bijvoorbeeld in de studentenhomes van het Corpus Christi-College te Cambridge - is de architectuur niet alrijd wat men ervan zou verwachten. Er is echter een werk dat hij alleen heeft gesigneerd, een klein werk, maar van een uitzonderlijk raffinement. Om de nieuwe gebouwen van de Durham universiteit op de ene oever van de Wear met de oude op de andere oever te verbinden werd hem gevraagd een loopbrug te construeren. Aan die schijnbaar eenvoudige opdracht zaten heel wat problemen vast. De stroom wordt druk bevaren en er was geen denken aan de trafiek gedurende de werken te kunnen stilleggen. Hij is niet meer dan 36 meter breed, maar vloeit in een diepe vallei waarvan de bermen meer dan 100 meter uit elkaar liggen. De ene berm is daarenboven nog een drietal meter hoger dan de andere. Al deze gegevens werden dubbel moeilijk door het betrekkelijk laag budget dat voor dit werk was uitgetrokken... en door de klassiek-romantische ligging vlakbij de kathedraal van Durham.

Arup gaf aan deze moeilijkheden een tegelijk briljante en uiterst eenvoudige oplossing. Op twee punten bij de stroom plaatste bij een betonstructuur die als een hand met vier vingers naar boven openplooit om met een elegant gebaar een bijna veertig meter lange betonbalk in de hoogte te heffen. Om de scheepvaart niet te hinderen werden die twee gelijke structuren wel op de definitieve plaats, maar in de lengte-richting van de stroom, gebouwd. Als ze klaar waren, werden ze, als een stuk speelgoed, naar elkaar toe gewenteld en aan elkaar gesloten met een prachtige bronzen knoop: een T die in een U valt, en die men symbolisch geïnterpreteerd heeft als Town en University. Die brug, een betonbalk van tachtig meter lang, vertrekkend op het niveau van de laagste berm, sluit op de andere berm aan bij een vrijdragende uitkraging van ongeveer 20 meter lengte. Deze eindigt in een stel trappen. De aansluiting van de twee delen heeft Arup ook vormelijk op een intelligente wijze uitgespeeld, door ze op die plaats een kleine knik te geven en de balustrade anders uit te werken. De balustrade van de brug zelf is immers niets anders dan de zijkant van de betonbalk, die in een U-vorm is gemaakt. In het holle van de buik

[p. 82]

liggen kabels en leidingen veilig en onzichtbaar. Ook de verlichting is in de balustrade ingewerkt, zo dat de brug werkelijk zo weinig mogelijk ‘storende’ elementen in het landschap zet.

Maar niet die technische prestatie maakt de betekenis uit van Arups werk, wel het verwerken van alle gegevens, technische en humanitaire, tot een synthese die haar praktische bruikbaarheid overstijgt om tot een menselijke belevenis d.w.z. een kunstwerk te worden. We kunnen Arups werk in dit opzicht vergelijken met dat van de grote bruggenbouwers van de moderne bouwkunst, Eiffel, Maillart, Morandi..., maar bij hem drijft boven de ernst die elke brug inhoudt altijd een vleugje spel. De koningin van Engeland heeft zich, na de verering van de Beatles, ook in Ove Arup niet vergist □

 

Avionpuits, voor architecten een begrip.

De Standaard, 25 juni 1966.

 

Beeldende kunst in België.

Streven 10(1966).

 

Beeldende kunst in België.

Streven 11-12(1966).

 

Architectuur en engagement. (lezing)

Woumen, 28 oktober 1966.

prepostterug  begin  verder