terug  begin  verderprepost

De wereld van Henry van de Velde.

De Standaard der Letteren, 14 januari 1967.

 

Wie de herinneringen leest, waarmee de jaren van hoge ouderdom van Henry van de Velde vervuld waren, voelt het verlangen in zich opkomen dit lange leven dat zich over twee eeuwen heen voltrok, mythe te laten. ‘Maar er is te veel door hem teweeggebracht in de wereld van het kunstleven, dat ten einde ging en dat herbegon, te veel ingewerkt op de cultuur van België, Frankrijk, Duitsland, op een wijze die zijn eigen centrum te buiten ging, te veel om met een mythe en met een zelfprojectie, zoals de herinneringen dat zijn, te kunnen en te mogen volstaan’.

[p. 89]

Met die verantwoording begint A.M. Hammacher zijn boeiend verhaal - een studie kan men het niet noemen - over Henry van de Velde. De mythe omtrent zijn figuur wil hij niet zozeer aftakelen als opladen door ze een preciezere fundering en inhoud te geven, door ze historisch juister te situeren. Zijn verhaal mag naast de Geschichte Meines Lebens van Henry van de Velde gezet worden als een vriendelijk aanvullend commentaar. Als men haar op haar juiste waarde wil waarderen, kan men een figuur als die van Henry van de Velde overigens niets anders dan met sympathie benaderen: zij is immers heel kwetsbaar. Onder een niet heel juist ingebouwd kritisch licht dreigt de fundamentele betekenis van dit leven verloren te gaan. Het boek van Hammacher maakt duidelijk waarom.

Aan een interpretatie van de mythe Henry van de Velde heeft zich tot nog toe niemand gewaagd. Bij de honderdjarige herdenking van zijn geboorte in 1963 zijn er wel enkele algemene appreciaties verschenen, maar geen enkele gedetailleerde kritische analyse. Het treffendst was de bijdrage van K.N. Elno in Streven over Henry van de Velde, de onbekende, later opgenomen in de bundel Ruimte en Beelding, die als het ware een uitdaging was aan de auteur die ooit van de Velde zou pogen te ontleden. Hammacher neemt die uitdaging op, doch slechts gedeeltelijk. Van zijn boek heeft hij niet de verwachte detailstudie gemaakt. Hij houdt het bij een evocatie van de persoonlijkheid in de vele gedaanten waarin ze zich heeft voorgedaan. Maar die algemene evocatie van de persoonlijke dynamiek in van de Velde geeft een stevige en onontbeerlijke grondslag voor de verdere kritische studie waarop we nog wachten. Hammacher typeert van de Velde met enkele archetypische beelden: de dirigent, de herder, het ‘foyer’, het ‘exil’. Die beheersen als een leidmotief het hele, als een klassiek meesterwerk gecomponeerd boek. Van bij de aanhef horen we het eerste motief: ‘Het proces van bewustwording in het jonge begaafde leven van Henry van de Velde gaat al vroeg gepaard met de drang leider te willen zijn: dirigent’. Dit eerste archetype wordt opgeroepen en geconcretiseerd door de figuur van Peter Benoit, vriend des huizes bij de familie van de Velde. De jonge Henry zal zijn scheppingsdrang het eerst uitleven door Benoit te imiteren en op grote bladen inpakpaier uit vaders apotheek muziekcomposities te noteren. ‘Het was duidelijk, dat hij al vroeg zichzelf om zich heen wilde projecteren, een kring zocht, een groep, een gezelschap, een milieu waarin hij centraal begrepen was en dat antwoord gaf op zijn vibraties en formuleringen’. Voortdurend blijft ‘zijn behoefte aan centrum-zijn en als zodanig tot aan de periferie zijn uitstraling te doen kennen’ zich manifesteren.

Met het levensbeeld van de dirigent, de leider, hangen de overige min of meer samen, vooral dit van de ballingschap. Het leiderschap schept rond de mens een isolement dat gemakkelijk leidt tot een breuk tussen leider en groep, tussen centrum en milieu. Wanneer de leider zich niet meer gedragen voelt,

[p. 90]

wanneer de groep onverschillig wordt voor zijn aanspraken, treedt hij de ballingschap binnen, een ballingschap die in het leven van Henry van de Velde verschillende maar alle even reële vormen heeft aangenomen en vaak gepaard ging met ernstige psychologische depressies. Er is een brief uit 1905 van hem bewaard waarin hij heel scherp zijn isolement beschrijft. Hij vraagt zich af ‘à quel point j'avais ce drojt d'imposer au monde un goût et un vouloir si personnels. Les liens entre mon idéal et le monde, je ne les voyais subitement pas’.

De spanning die onmiddellijk na van de Veldes vestiging in Duitsland ontstaat en die haar hoogtepunt zal kennen in 1914 met het definitieve en tragische afscheid van Duitsland brengt Hammacher ertoe te besluiten dat van de Veldes eigenlijke centrum, ondanks zijn antinationalisme, ondanks zijn pacifisme, altijd België is gebleven. Slechts de drang van zijn creatief leiderschap, die zich in Duitsland sterker dan elders kon uitwerken, had hem dit eerste ‘exil’ op zich doen nemen.

Door de tegenbeelden van ballingschap, herder en foyer kon van de Veldes leiderschap nooit een rustige zekerheid worden. Het beeld van de herder ontdekt hij tijdens zijn vrijwillige retraite, nog een vorm van ballingschap, te Wechelderzande: daar bekent hij aan zijn zieke moeder schaapherder te willen worden. ‘Het beeld van de herder (koning-waker-vader) bleef tot in zijn hoge ouderdom in hem leven als de vereniging van twee contrasterende verlangens, centrum, leider, beschermer te willen zijn en tegelijk telkens weer opkomende drang naar retraite, contemplatie, eenzaamheid’. Met dit beeld hangt verder ook samen zijn voorliefde om zich in de natuur te vestigen, om aan de stad te ontsnappen. En dit leidt dan tot het vierde beeld, ‘le foyer’, het belangrijkste omdat het aan alle een concrete inhoud verleent.

‘Le foyer’ vormt een samenvatting van de archetypische beelden die Hammacher in van de Veldes leven heeft onderkend: het is de plaats van waaruit de bezieling van het leiderschap groeit en het doel waarop het gericht is; het gemis hiervan maakt de ballingschap uit; het beeld van de herder geeft er een bijzondere tonaliteit aan. Die beelden zijn, zoals we al lieten doorschemeren, bij van de Velde heel realistisch op te vatten.

Nadat hij zijn schilderkunst (waaraan Hammacher een bijzonder boeiend hoofdstuk wijdt) had vaarwel gezegd en zijn ‘lekepreken’ was begonnen voor een ‘redelijke schoonheid’, d.w.z. een schoonheid die gestalte zou geven aan het dagelijkse leven en de zin van de menselijke handelingen zou verhelderen en veredelen, bestond zijn eerste realisatie in het bouwen van zijn eigen huis, ‘Bloemenwerf’ te Ukkel, het meest frappante en typische werk uit van de Veldes carrière, tegelijk trillend van bezieling én uiterst onhandig. Het was zijn concrete en spirituele uitgangspunt. De individuele woning, zijn individuele woning, was ‘het monument opgericht voor onze eigen individualiteit, triomferend over elke dwang’.

[p. 91]

Die laatste formule tekent van de Velde ten voeten uit. Zijn grootheid bestond erin kunst en schoonheid, als een wezenlijk bestanddeel van het leven, aan het leven terug te schenken, en dit leven radicaal te herleiden tot het vrije leven van de persoon, het individu; zijn beperktheid dat hij dit individu te XIXe-eeuws opvatte als het super-individu, dat zichzelf tot centrum van het universele bestaan verhief. Dit laatste verhinderde van de Velde tenslotte de sociale metamorfose van de XXe eeuw mee te voltrekken en zijn socialisme consequent door te denken.

Met die oerbeelden naar voren te halen heeft Hammacher van de Velde op een oorspronkelijke wijze getekend en de moeilijk te benaderen, contradictoire figuur een heel stuk toegankelijker gemaakt. De schematische voorstelling die we van dit portret gegeven hebben, krijgt in zijn boek een levendige aankleding. Hammacher gebruikt de archetypen niet als apriori's. Hij doet als het ware niets anders dan de historische situaties zo tegen het licht houden dat we hun watermerk herkennen. Hammacher doet dit met een groot inlevingsvermogen, met een haast tastbare vriendschap en eerbied, zonder nochtans ooit de lezer te vergeten die bij die beschrijving aanwezig is en een zekere distantie vraagt. Toch missen we wel een beetje het kritische standpunt, waardoor van de Velde voor ons helemaal geactualiseerd zou worden. Hammacher is net iets te veel tijd- en geestesgenoot van de figuur die hij voorstelt, hij staat net iets te weinig in de tijd die we nu beleven om hem daarin een plaats te kunnen geven. De mythe heeft hij met heel veel tact gestoffeerd, maar ongeschonden gelaten □

prepostterug  begin  verder