De Standaard der Letteren, 21 januari 1967.
In zijn boek Housing in the modern World, waar we het onlangs over hadden, betrekt Charles Abrams ook de nieuwe steden in Israël, een van de belangrijkste steden-laboratoria van de wereld. Onder de illustraties die hij heeft uitgekozen is die van de nieuwe stad Nazareth een van de meest opvallende. Hier is het stadium van de improvisatie duidelijk overschreden en wordt er bewust gestreefd naar een kwalitatieve huisvesting in een stedebouwkundig verantwoorde omgeving. Toch merkt Abrams op dat zelfs die steden niet functioneren zoals verwacht, dat ze het leven niet stimuleren noch de vestiging bevorderen. Als het enigszins anders kan, gaat men in die nieuwe steden niet wonen.
De voor Abrams eerder marginale opmerking vormt de eigenlijke inhoud van
de studie die Erika Spiegel aan de nieuwe steden in Israël heeft gewijd: Neue Städte in Israël, Karl Krämer Verlag, Stuttgart.
Het is een bijzonder nauwgezette case-story geworden waarin de heel specifieke ervaring van Iraëlische stedebouwers op haar algemene waarde wordt onderzocht. Israël is immers, zeker onder de ontwikkelingsgebieden, een van de zeldzame landen waar van meetaf aan het belang van een vestigingspolitiek, van algemene ruimtelijke ordening en bodembeleid werd ingezien. Israël kon ook minder dan andere jonge en oude staten aan de evidentie hiervan ontsnappen. Het beschikt immers over slechts minimale natuurlijke middelen om een volwaardige menselijke vestiging uit te bouwen. Men kan rustig beweren dat zonder de religieus-ideologische inspiratie die dit stuk dorre grond als het ‘aan de vaderen beloofde land’ en als het ‘land van het heil’ beschouwde, de on-economische inspanningen die werden gepresteerd niet goed denkbaar zijn.
De planning van de nieuwe steden ging oorspronkelijk van zionistisch geïnspireerde idealen uit. Tegen de ontwikkeling van onze industriële wereld in legden die het heil van de mens in zijn gebondenheid aan de vaderlandse grond. De stichting van nieuwe steden was er dus helemaal niet op gericht een stedelijke vestiging mogelijk te maken, maar die te ontwijken en de bevolking in kleine provinciale nederzettingen de nefaste invloed van de grootstad te besparen. Die zionistische inspiratie sloot wonderwel aan bij de Europese stedebouwkundige doctrine uit de XIXe eeuw. Terecht noemt Erika Spiegel de principes die bij de Israëlische stedebouwers voorzaten conservatief.
Bij de oprichting van de Israëlische staat in 1948 was de bevolking samengetrokken in drie betrekkelijk grote steden: Jeruzalem, Tel Aviv en Haifa. De besliste voorkeur van de inwijkelingen ging naar de laatste twee kuststeden. Nu nog blijken ze de werkelijke aantrekkingspolen uit te maken voor diegenen die zich de luxe van een vrije keuze in hun vestiging kunnen veroorloven. Om die spontane tendens tegen te gaan en ook de rest van het land te ontsluiten, begon de regering van Israël vanaf het begin met een drastische vestigingspolitiek en in het kader daarvan met de oprichting van een indrukwekkend aantal - in totaal 28 - nieuwe steden. Die moesten de schakel vormen tussen de uitgesproken landelijke vestigingen van de kibboets en de grote stedelijke agglomeraties. Die in hoge mate idealistische en kunstmatige opzet was in zoverre van een relatief en voorlopig succes verzekerd als bij de oprichting van de nieuwe staat Israël gerekend kon worden op een dagelijkse toevoer van immigranten, die van hogerhand naar de nieuwe vestigingen werden geleid en zelfs als arbeidskrachten bij de realisatie ervan werden ingeschakeld. Maar door die tactiek werd van de andere kant ook de leefbaarheid zelf van die steden in gevaar gebracht.
Om een dergelijke verspreide landelijke vestigingsvorm te kunnen realiseren, leende zich de bodemsituatie in Israël betrekkelijk goed. Voor meer dan
negentig procent was die in handen van officiële instellingen. Er was praktisch geen sprake van plaatsgebonden industrieën. Er zijn geen geprivilegieerde landschappen, buiten de kuststrook. Ruimte voor vestiging was er overal beschikbaar en overal in gelijke mate aangewezen. De enige fundamentele richtlijn waarover men beschikte was: zoveel mogelijk landbouwgrond sparen.
Hoe men op die tabula rasa tot de oprichting van nieuwe steden is gekomen beschrijft Erika Spiegel in detail. Haar verhaal, hoe welwillend ook van toon, is het verhaal van een failliet. We kunnen hier niet op al de factoren ingaan die daarin hebben meegespeeld. Samenvattend komt men tot de constatatie dat in Israël eens te meer het onwerkelijke (en onmenselijke) karakter van de stedebouwkundige aanpak en de stedebouwkundige inzichten werd gedemonstreerd. Eens te meer werd stedebouw als een aprioristische en dogmatische wetenschap bedreven, los van elke concrete menselijke behoefte en van elke concrete menselijke situatie. Gemakkelijkheidshalve wordt de mens verondersteld een soort robot te zijn, waarvan men verwacht dat hij in een welbepaald stedebouwkundig patroon op een welbepaalde manier zal reageren. Zelfs in Israël, waar men meer dan elders een civiele en zelfs een religieuze discipline kon veronderstellen, nam de mens het hem aangeboden kader niet, of slechts met tegenzin, als een voorlopige oplossing. Voor de stedebouwer is dat een harde ervaring, als hij tenminste zijn ogen wil openen. De Israëlische stedebouwers maakten zich die ervaring ten nutte. Zij waren de eersten om van de eigen fouten te leren en met dezelfde energie spanden zij zich in om die te herstellen, tenminste voor zover het eigen verleden geen onafwendbare en fatale hypotheek op de toekomst vormde. Het principe zelf van de uiteengelegde spreiding van de steden staat hier immers op het spel.
Binnen de grenzen van de steden zelf kan men een duidelijke evolutie in de conceptie ervan aflezen. Zoals E. Spiegel opmerkt zijn de principes volgens welke het algemeen aanlegplan van de eerste en de meeste steden zijn ontworpen, geïnspireerd op de Engelse tuinstad: grote groene lanen en groenstroken tussen ruim uiteengelegde woonwijken en tussen die wijken en het centrum. Wat een hulpmiddel kon zijn bij de sanering van verstikte grootsteden, werd hier als primair opbouwprincipe aanvaard, zonder rekening te houden met de voorwaarden van klimaat of met het feit dat in de nieuwe steden niet kon gerekend worden op de bestaande, nog functionerende historische structuren. Het werd in Israël heel gauw duidelijk dat groenzones geen waarborg zijn voor een gezonde samenleving. En daar kwam nog bij dat de groenzones hier ver van groen waren. Door hun woestijnkarakter verscherpten de groenzones de indruk van leegte en onherbergzaamheid.
Bij elke nieuwe wijk die zij in bepaalde steden in bouw nemen, gaan de Israëlische stedebouwers dan ook de oorspronkelijk voorziene densiteit opdrijven. En dat niet alleen. Ze gaan bij de planning van die wijken niet meer
uit van een gemeenschapsconcept dat de gemeenschap ziet als een samenstel van individuen, en van een stadsconcept dat de stad herleidt tot een verzameling van individuele behoeften. Ze zijn tot het besef gekomen dat een individu maar in gemeenschap bestaat en dat een gemeenschap persoonlijk dient te zijn. Individu en gemeenschap staan niet langer tegenover elkaar als cijfer en optelsom. Ze zijn een en dezelfde werkelijkheid van twee kanten bekeken.
Niet alleen de densiteit van de woonwijken wordt opgedreven om tot een grotere sociabiliteit te komen, ook wordt er gezocht naar een differentiatie van het woongebied door de woonwijk niet langer te isoleren van het stadscentrum en in de woonwijk zelf andere dan de strikte woonfuncties op te nemen. Met de densiteit van de bevolking op te drijven kwam men echter uit op het urgente probleem van de ‘buurtschappen’, dat in de nieuwe steden van Israël bijzonder scherp was. De bevolking is er immers, al zijn het allen joden, zeer gemengd. De immigranten komen van overal ter wereld, en uit de oosterse landen soms met hele families en clans tegelijkertijd.
Om die nieuwe problemen op te vangen, schijnt de stedebouw in Israël te evolueren naar de lineaire stad, een opvatting die momenteel zeer veel aanhangers heeft en die reeds in een paar nieuwe vestigingen in Engeland (Cumbernauld, Hook) werd uitgewerkt. De stad wordt niet meer opgebouwd in concentrische kringen of in stervorm of in welke figuur dan ook rond een centrum (het voormalige marktplein) maar ontplooit zich aan weerszijden van een ‘civic axis’. Hierdoor krijgt de stad een grotere beweeglijkheid en soepelheid om de verschillende functies van het stadsleven op te vangen. De buurtschappen zelf worden in een dergelijke stadsconceptie minder belangrijk omdat ze niet meer zozeer op zichzelf besloten als geopend op het centrum zijn. Naast de algemene studie over de nieuwe steden in Israël beschrijft Erika Spiegel in een tweede deel ook een achttal typische gevallen. We kunnen hiervoor, meer nog dan voor het algemene deel, slechts naar haar boek zelf verwijzen. De complexiteit van de stadswerkelijkheid, de veelvuldigheid van relaties in alle mogelijke richtingen en op alle mogelijke niveaus wordt hier in concrete voorbeelden geanalyseerd. Het boek van E. Spiegel is belangrijk omdat het tegenover het dogmatisch denken over het stadsfenomeen en over de menselijke vestigingsvormen een concrete aandacht voor de stadswerkelijkheid in al haar facetten stelt □