De Standaard der Letteren, 20 mei 1967.
In het laatste nummer van Art d'Eglise wordt naast enkele niet zo gelukkige Duitse realisaties een opmerkelijk project voor een klooster te Westmalle gepubliceerd. Dit project is niet alleen opmerkelijk omdat er nog eens een kloostergemeenschap de behoefte heeft zich een zinvol milieu te bouwen - dit is inderdaad niet zo vanzelfsprekend -, maar de reden waarom het onderhavige project belangrijk is, ligt toch elders, op het dieper en wezenlijker niveau van de architectuur. Of het nu om een klooster gaat of niet, doet in de eerste plaats niet zo veel ter zake, uitzonderlijk is dat men van architectuur kan spreken. Van een humane architectuur dan, een architectuur die zowel in haar geheel als in al haar onderdelen verwijst naar de mens, de reële, concrete, levende mens. Daarmee is nog niet genoeg gezegd: die architectuur verwijst naar de oorspronkelijke, creatieve mens, die zich niet langer eens en voor altijd in een bepaalde architectuurvorm wil projecteren en daardoor ook vastzetten, maar die architectuur als een voorwaarde voor een dynamische en vrije levensontplooiing beschouwt, een milieu waarin hij vandaag en ook nog morgen zichzelf en ook nog wat anders kan zijn.
Als zulk een architectuur met het begrip klooster vereenzelvigd is, wordt het zeldzaam fenomeen nog uitzonderlijker. Uitzonderingen mogen er echter ook eens een keer zijn. Als men lichtjes mag overdrijven, zou men kunnen zeggen dat bij ons de evolutie van de architectuur door kloostergebouwen gemarkeerd wordt. Het klooster van de Clarissen te Oostende van P. Felix heeft destijds geschiedenis gemaakt. Dit te Westmalle van M. Desauvage betekent een verdere stap in de kloosterbouw, maar vooral in het algemene architectonische bewustzijn. Het ziet er zelfs naar uit dat dit een van de weinige gebouwen wordt die een autenthieke bijdrage vormt in het internationale architectonische experiment van vandaag. In Oostende ging het om een vereenvoudiging en sanering van traditionele begrippen, hier gaat het om
een doorbraak van nieuwe verhoudingen.
Het klooster te Westmalle, dat de mooie naam Magnificat kreeg, wordt gebouwd vlak bij de nieuwe St.-Pauluskerk, van dezelfde architect, die nu haar voltooiing nadert. Samen met de kerk zal het klooster één architectonisch geheel uitmaken. Wat er in het kerkgebouw reeds werd gerealiseerd, is intussen een ernstige garantie voor de kwaliteit van het te bouwen complex.
Drie groepen van monialen, één uit Merksem, een uit Geel en een uit Tienen, besloten een goed jaar geleden samen te gaan wonen. Ze stellen al wat ze bezitten te koop om samen te kunnen komen tot de uitbouw van een voor hun vorm van leven passender milieu. Dat is al een eerste punt van bezinning: drie verschillende groepen gaan in gezamenlijk overleg plannen. Een tweede punt: ze maken kostbare plaats vrij voor andere stedelijke ontwikkelingen. Derde punt: ze schrijven een beperkte ideeënprijsvraag uit onder drie architecten die ze de vrije hand lieten om hun visie op klooster en hedendaagse architectuur uit te werken. Vierde punt: ze kiezen uit de drie projecten het meest revolutionaire ontwerp. Het risico van het nieuwe, dat ook wel eens zinvol kan zijn, gaan ze niet uit de weg.
Waarin ligt dan het revolutionaire van dit onderwerp? De architect ging niet uit van bepaalde voorafgegeven voorstellingen en schema's van wat een klooster is, maar ging nadenken over de specifieke woonfunctie die het samenleven van een groep gelijkgezinden met gemeenschappelijke activiteiten stelt. Dit wil dan ook meteen zeggen dat hier niet werd uitgegaan van één van de twee polen van de valse tegenstelling persoon-gemeenschap, maar van de vruchtbare spanning tussen beide, een spanning die haar uiteindelijk uitgangspunt vindt in de concrete gemeenschappelijkheid, de sociale dimensie van de autonome persoon. Heel de architectuur kan men beschrijven als de opbouw van een gemeenschap vanuit en door de persoon. Zo gesteld is het wel duidelijk dat die architectuur een archetypische betekenis voor het geheel van onze samenleving en haar architectonische expressie toekomt.
Het uitgangspunt was de persoon. Architectonisch vertaald is dit dus de cel, het eigen woongebied van de moniale, waar zij ten volle zichzelf kan zijn, alleen én samen met de anderen. De individualiteit van de cel is het eerste wat opvalt in dit project. Geen vlakke monotone gevels, geen lange, eenvormige gangen, geen kubistische compositie van anonieme volumes, maar een organische groei van elementen op en in elkaar, spontaan én overzichtelijk, levend. Elke cel heeft haar eigen herkenbare plaats in het geheel. Dit veronderstelt dan ook dat een dergelijke cel, hoe miniem de afmetingen ook moesten worden gehouden, toch volwaardig is en alle dimensies van het wonen in zich bergt. In de eerste plaats bestaan deze, behalve in de reeds vermelde herkenbaarheid, in een gewaarborgde, naar binnen en naar buiten uitgedrukte intimiteit. Een intimiteit die echter geen isolering betekent, maar een zelfstandig uitgangspunt vormt naar de gemeenschap van de mensen en naar de natuur.
In concreto: een zinvolle aansluiting op de gemeenschapsruimte (in het enkelvoud) en op de omgeving, een prachtig mastenbos. De laatste aansluiting gebeurt via een privé-terras. Elke kamer bestaat uit een binnen en een buiten. Het terras is niet aan de kamer toegevoegd, maar hoort er wezenlijk bij. Het beslaat zelfs een betrekkelijk groot gedeelte van de kameroppervlakte. Zulk een aansluiting op de natuur veronderstelt verder een optimale oriëntatie. De cellen zijn zo geschikt dat ze naar de boog van zon in zijn beste segment gericht zijn, en dit niet alleen horizontaal, maar ook verticaal.
Dit samenstel van cellen is op zichzelf natuurlijk al expressie van gemeenschap: elke cel roept de andere op. Hoe volwaardig en individueel ook, de cellen staan niet los en kunnen ook niet losstaan van elkaar. Maar er is meer. Door de boog van de cellen, horizontaal en verticaal, ontstaat vanzelf een soort holte, een positieve leegte waarin het gemeenschappelijke leven zich als vanzelf situeert. En hier ontmoeten we een andere karakteristiek van die architectuur, of liever, van die milieuschepping: zij wordt niet opgebouwd uit min of meer bepaald en onafhankelijk gedachte ruimten, maar door de ene ruimte te bestemmen voor bepaalde doeleinden. We zeiden reeds dat de cellen niet als afgezonderde monumentjes mogen worden beschouwd. Ook de gemeenschapslokalen zijn dit niet. Ze zijn als het ware verdichtingen, toevallige, spontane, organische concentraties van de ene ruimte voor een of andere vorm van menselijk bestaan en bewegen.
Zo is heel dit complex gegroeid niet meer uit een voorafgegeven programma (kapel, refter, kapittelzaal, living, ateliers en wat weet ik meer), maar uit menselijke relaties, uit de mens en zijn beleving. Zulk een instelling heeft evident belangrijke en onmiddellijke consequenties op de concrete architectonische vormgeving. Maar het zou ons te ver leiden er hier op in te gaan. Slechts op één belangrijke optie die in die architectuur verdisconteerd zit, wil ik tot besluit nog wijzen. Niet alleen op de kleine schaal van de cel, maar ook op de grote schaal van het hele complex is hier een milieu tot herkenbaarheid gebracht. Hoe open en onbevangen die architectuur ook is, ze bezit niettemin een duidelijke en bewuste omschrijving, m.a.w. ze vervloeit niet in de omgevende natuur, ze schept zelf een nieuwe autonome situatie. Het best kan men zeggen dat hier een stuk stad is ontworpen, intens van leven, een typische plek waar mensen in een rijk geschakeerd milieu over en weer elkaar ontmoeten of kunnen ontmoeten. Een dergelijke geconcentreerde bouwwijze heeft trouwens als resultaat dat ze niet slechts een milieu schept waar de mens zich geborgen en veilig weet, maar dat ze ook de natuur helemaal natuur laat zijn. Door zulk gebouw wordt de natuur pas als natuur herkend, zonder geschonden te worden.
De eerstesteenlegging van dit gebouw zal binnenkort worden voltrokken. Laat ons hopen dat het zijn hooggestelde verwachtingen moge inlossen □