terug  begin  verderprepost

Wat met Middelheim? Kritisch bezoek aan de negende biënnale.

De Standaard der Letteren, 17 juni 1967.

 

Voor de aanstaande zomer is het artistiek gesproken vreedzame Antwerpen gerust. De negende uitgave van de biënnale voor beeldhouwkunst in openlucht is een tentoonstelling naar zijn maat. Gedurende ongeveer vier maanden zijn in het nog altijd mooie Middelheimpark een indrukwekkend aantal beelden uit Centraal-Europa tentoongesteld, deze keer - waarom zouden de organisatoren zich geen fantasietje mogen veroorloven? - aangevuld met een selectie uit Japan, een handvol Meuniers (sic), en - schrik niet - een prachtig ensemble Bogomilsculpturen. We doen dan maar zoals de organisatoren en nemen mee wat we kunnen krijgen.

Als er iets is dat men niet mag missen dan zijn het deze grafzerken van de veertiende en vijftiende eeuw uit de streek tussen Serajevo, Dubrovnik en Split. Een twaalftal oorspronkelijke monumenten werden in het openluchtmuseum van Middelheim opgesteld. Ze geven een uitstekend beeld van de iconografische thematiek en de decoratieve verscheidenheid van deze volkskunst. De bescheiden, maar niettemin belangrijke vertegenwoordiging van de meer dan tienduizend soortgelijke objecten wordt aangevuld met een documentaire fototentoonstelling in de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten te Antwerpen. Hier treft men het kader aan waarin de sculpturen uit Middelheim kunnen gesitueerd worden.

Hoe boeiend ook, de Bogomilsculpturen (of hoe hun werkelijke naam ook moge zijn!) mogen ons de biënnale niet doen vergeten. Ik zei al dat deze naar Antwerpse maat is gesneden, d.w.z. omvangrijk, maar zonder persoonlijkheid. Denk maar aan de tentoonstellingen in het Antwerpse museum voor Schone Kunsten. Men kan de Middelheimorganisatoren feliciteren om het verrichte werk, om de interessante informatie, om de gelegenheid weer eens tussen beelden in het prachtige park te kunnen wandelen, maar ze laten ons op onze honger naar wat werkelijk leeft in de hedendaagse beeldhouwkunst. De Middelheimbiënnales leven niet op het ritme van deze rijd. Ze zijn een archeologische instelling geworden die min of meer nauwkeurige inventarissen opmaakt, eerder min dan meer nauwkeurig, van wat een bepaalde streek in een bepaalde tijd aan hetgeen men beeldhouwkunst pleegt te noemen heeft voortgebracht. Ik beweer niet dat dit helemaal geen zin heeft, maar ik kan me

[p. 122]

niet van de indruk ontdoen dat bij de oorspronkelijke opzet van de stichters en zelfs van de huidige beheerders andere bedoelingen voorzaten. Het ziet er naar uit alsof alle inspiratie uit Middelheim is weggeëbd. Een met de jaren gevaarlijker wordende sclerose bedreigt deze instelling. Een paar jaar terug waren er tekenen van een nieuwe aanpak: een beter verzorgde publiciteit, een iets beter uitgegeven cataloog. Maar bij die randverschijnselen is het tot nog toe gebleven. De vernieuwing is niet tot de kern zelf doorgestoten. De categorieën waarmee het Middelheimbrein opereert zijn, blijkens de huidige biënnale, ongewijzigd gebleven en er is geen enkele aanduiding die erop wijst dat dit in de naburige toekomst zal veranderen.

Als werkhypothese wordt aangenomen, dat de hedendaagse beeldhouwkunst een egaal veld is van overal even intense, gelijktijdige vruchtbaarheid. Daarvan kan dan een willekeurig stuk voor de oogst van het jaar worden afgepaald. Eens de oogst begonnen wordt de vraag niet meer gesteld of er misschien juist over die ingebeelde grens geen interessantere dingen te beleven vallen. Zo werd bijvoorbeeld op de achtste biënnale geopteerd voor de beeldhouwers beneden de veertig jaar in het Europa der Zes. Dit jaar voor (enkele) Oosteuropese landen. Japan en Meunier moet men dan maar als een slippertje meenemen.

Dergelijke werkwijze kan op een eerste gezicht de indruk geven objectief, systematisch, ja, zelfs wetenschappelijk te zijn. Het zijn echter een systematiek en objectiviteit die op hun onderwerp passen als een tang op een varken. In Middelheim gaat men nog altijd door met de positivistische methoden van de denker uit de negentiende eeuw die het bestaan van de geest negeerde omdat hij hem niet op de punt van zijn scalpel kon zien of zoals de kosmonaut die triomfantelijk berichtte dat hij op zijn reis in de kosmos geen engelen had ontmoet. Als men de hedendaagse beeldhouwkunst met de Middelheim-criteria te lijf gaat, bestaat er inderdaad geen enkele kans dat er ooit engelen in worden ontdekt.

Toegegeven dat er voor een regelmatig terugkerende organisatie als de biënnale ergens een systeem moet toegepast worden, maar dit systeem moet op het leven afgestemd zijn, wil het niet in de averechtse zin gaan werken. Natuurlijk moet men dan eerst in het leven geloven. En het leven van de hedendaagse beeldhouwkunst houdt zich nu eenmaal niet aan begrippen als het Europa van de Zes of aan de grens van veertig jaar. Het ligt ook helemaal niet gelijkelijk verdeeld over de verschillende nationale gebieden. Dat men om organisatorische redenen die nationaliteiten moet ontzien verandert niets aan de zaak. Om concreet te zijn. Op het ogenblik (d.w.z. sinds een jaar of vier) is ongetwijfeld de meest opmerkelijke gebeurtenis van de hedendaagse beeldhouwkunst de doorbraak van de jonge Engelsen. De recente tentoonstelling in het Stedelijk Museum van Amsterdam heeft dit nogmaals met klank bevestigd. In Antwerpen was er nog niets van te merken. Voor twee jaar werd de kans

[p. 123]

gemist omdat Engeland niet tot het Europa der Zes behoorde en op dit moment omdat men een overzicht wil geven van de Oosteuropese situatie, een overzicht dat zich om geen enkele reden opdringt. Ik vermeld de Engelsen omdat dit momenteel het meest schreeuwende voorbeeld is, maar andere namen zoniet groepen kunnen daarbij geciteerd worden, wier aanwezigheid Middelheim weer tot een centrum van de avantgarde zou kunnen maken.

Hier komt dan de aap uit de mouw. Met het woord avantgarde speel ik waarschijnlijk in de kaart van diegenen die de actuele Middelheimpolitiek voorstaan. Ik geloof echter niet dat een instelling als Middelheim, evenmin als een ander museum voor moderne kunst, aan een avantgardistische houding kan ontsnappen, dat ze de dag waarop ze die verzaakt, zichzelf veroordeelt. Een geest van avantgarde is immers wezenlijk voor de moderne, dynamische mens. Van zodra hij ze verzaakt, verzaakt hij zijn vitale rol in de wereld van vandaag. Avantgarde wil natuurlijk niet zeggen dat de dag van gisteren of zelfs van vandaag zomaar genegeerd wordt, wel dat er met de traditie en vanuit de traditie naar de toekomst geleefd wordt. Al de rest is archeologie en dan nog slechte archeologie, archeologie van de archeoloog die zich tevreden stelt met knopen te verzamelen, die te meten en volgens grootte te sorteren, afgezien van de vraag wat ze ooit kunnen betekend hebben. Middelheim staat voor de keuze verder te vegeteren of een dynamische taak in het culturele leven van stad, land en zelfs van wereld op te nemen.

Dit alles betekent niet dat het overzicht van de Oosteuropese beeldhouwkunst zonder verdiensten zou zijn. De kritiek slaat meer op wat er niet is (en er zou kunnen en moeten zijn) dan op wat er is. Wat er is, geeft een vrij homogene indruk. Misschien komt dit wel voort uit het feit dat echte toppunten naar boven zowel als naar onder ontbreken. Alles beperkt zich tot een behoorlijke middelmaat. Veel namen ga ik niet noemen, maar ik kan toch niet nalaten te wijzen op het werk van Oto Gutfreund en Emil Filla, twee Tsjechische beeldhouwers die een rol gespeeld hebben in het internationale kubisme voor de eerste wereldoorlog. Hun werk op deze tentoonstelling is een ware verrassing. Het mag gerekend worden tot de avantgarde waarover ik het zojuist had. In de Tsjechische groep, min of meer bij elkaar gezet op het verste grasperk, voorbij het paviljoen, zit er niets dat dit niveau bereikt. De ‘Grote Dialoog’ van Karl Nepras is wel geestig, maar de geestigheid beperkt zich tot een literair effect. Als men de Tsjechische aanwezigheid op Middelheim vergelijkt met hetgeen de Tsjechen in hun paviljoen op de Expo te Montreal laten zien, dan is men teleurgesteld. Door hun monumentaliteit, hun speelsheid maakten de Tsjechische beeldhouwers in Montreal een sterkere indruk dan te Antwerpen. Middelheim heeft hier blijkbaar achter het net gevist. Verder kan men zich natuurlijk ook de vraag stellen waarom bijvoorbeeld een Jan Krizek of andere Tsjechen die in het buitenland werken er niet werden bij betrokken!

[p. 124]

Wanneer men Tsjechoslovakije met Gutfreund en Filla introduceert had men eveneens Roemenië met Brancusi kunnen voorstellen. Maar men had er zich dan ook toe mogen beperken. Hetgeen Roemenië ons laat zien is nauwelijks de moeite van de verplaatsing waard. In de cataloog wordt van een school in wording geproken - het jongste werk is inderdaad het beste - maar veel is er op Middelheim toch niet van te merken. De Roemeense presentatie in de actuele beeldhouwkunst is als men wil beter gediend met het werk van een Hadju, waarvan men zonder veel moeite de herkomst en het verband met de Roemeense volkskunst kan laten zien. Ik noem die naam maar terloops. Wellicht zijn er nog belangrijker Roemenen. De vermelding is echter bedoeld als een illustratie van hetgeen ik hoger bedoelde. In het werk van Hadju wordt de band met het volk tot een universele geestelijke inbreng en dat betekent meer dan alleen maar het gevestigd-zijn op een bepaalde plaats en het interpreteren van enkele decoratieve motieven.

Ik weet te weinig af van de Poolse beeldhouwkunst om over die inzending een oordeel te kunnen vellen. Na de ervaringen met meer bekende dingen in Middelheim wordt men natuurlijk een beetje wantrouwig. De Poolse inzending zoals ze voor ons ligt lijkt me niet erg belangrijk, in elk geval niet van het niveau dat we bijvoorbeeld in de Poolse film of grafiek gewoon zijn. Toch tekent zich die Poolse inzending in het geheel van de biënnale enigszins af. Naar ik vernam ligt dit aan het aparte selectiecomité en de door dit comité gehanteerde criteria. Minder dan de andere geeft de Poolse inzending een indruk van tweedehands, academisch formalisme. Hier voelt men ergens dat er een beweging loskomt, dat men aan het zoeken en experimenteren is, dat men zich niet tevreden stelt met nette vormtoepassingen. De spoken van Jerzy Beres laten dit nog het best zien.

De Joegoslaviërs zijn sinds 1958 bij ons het gunstigst bekend. Bij de opening van de biënnale was hun inzending nog niet gearriveerd. Te oordelen naar de cataloog waarin namen voorkomen als Bakic, Dzamonja, Ruzic, Vulas, Logo en Tihec zal de Joegoslavische inzending in het kader van de Oosteuropese beeldhouwkunst ook nu wel een goede indruk maken.

Het beste van de Hongaren is te zoeken in het kleinere werk, opgesteld in het paviljoen. Het overwicht van het kleine en heel kleine werk is voor deze inzending overigens zeer karakteristiek. Slechts één werk, een tuinsculptuur van Gador, ontsnapt aan de bedroevende leegheid die het grotere werk kenmerkt.

Daarmee zijn we ons kort overzicht van de Oosteuropese beeldhouwkunst rond. Resten nog Meunier en Japan. De aanwezigheid van Meunier op deze biënnale blijft voor mij een volledig raadsel. Ook voor de inzending van Japan zie ik in de huidige context geen enkele sluitende reden evenmin als ik kan ontdekken op welke basis de selectie is gebeurd. Ook hier wordt het aan de bezoeker overgelaten het koren van het kaf te schiften met dien verstande

[p. 125]

dan dat hij niet weet welke oogst hem wordt aangeboden. De organisatoren maken zich hopelijk geen illusie dat ze met hun selectie de Japanse beeldhouwkunst ‘objectief’ aan het Middelheimpubliek hebben voorgesteld.

Als u het mij vraagt, bezoek Middelheim liefst vóór 21 juli, tot die datum blijven de Bogomilsculpturen te Antwerpen, en profiteer ervan om het nieuwe officiële klimaat in de kunst in enkele landen in Oost-Europa te leren kennen. Maar maak u geen illusie dat u daarmee met de levende beeldhouwkunst van vandaag kennis hebt gemaakt □

 

De stad is een economisch fenomeen.

De Standaard der Letteren, 8 juli 1967.

 

Expo 67, Montreal. 1 en 2.

TABK 14 en 22(1967).

 

Centre Le Corbusier geopend in Zürich.

De Standaard der Letteren, 12 augustus 1967.

 

Monasterium Magnificat Westmalle.

TABK 16(1967).

 

Middelheim of de onmogelijkheid van een officiële kunstpolitiek.

TABK 16(1967).

prepostterug  begin  verder