terug  begin  verderprepost

Een architect die kan luisteren: Herman Hertzberger.

De Standaard der Letteren, 23 december 1967.

 

Terwijl nog werd nagekaart over de prijs voor literatuur, die wethouder Polak liever niet aan Jan Cremer wou toekennen (hijzelf werd intussen met de Jan-Cremer-wisselprijs beloond), mochten op vrijdag 8 december in het Stedelijk Museum voor Amsterdam de overige laureaten van de Amsterdamse prijzen hun oorkonden in ontvangst nemen. Onder hen bevonden zich ir. Herman Hertzberger en zijn medewerkers ir. T. Hazewinkel en ir. H.A. Dicke, aan wie de driejaarlijkse architectuurprijs, voor hun studentenhuis aan de Weesperstraat te Amsterdam, werd toegekend.

De toekenning van die prijs aan Hertzberger was geen verrassing. Zijn studentenhuis is een architectonische bestseller die in geen tijd wereldbekend is geworden. Hertzberger is daarenboven de woordvoerder van een jonge generatie architecten in Nederland. Hij heeft de gevaarlijke erfenis van een Bakema op zich genomen. Het studentenhuis heeft zijn gezag gevoelig verstevigd. Moeilijk was het dus niet voor de Amsterdamse wethouder. Niet alle Amsterdammers zijn even gelukkig met het nogal ruige en harde gebouw. Ze bedachten het reeds met lieve naampjes in de aard van betonbunker. Maar met de buitenlandse faam die nu al aan het gebouw kleeft, was er aan de bekroning geen enkel risico meer verbonden.

Studentenhuizen zijn in trek. De laatste tijd hebben ze aanleiding gegeven tot verscheidene merkwaardige gebouwen. Ik vermeld hier maar het studentenhuis van Durham en dat van Urbino. Door deze twee voorbeelden wordt het ook duidelijk dat het woord verschillende betekenissen kan hebben.

[p. 158]

Het studentenhuis van Durham bevat alleen sociale diensten, mensa, bibliotheek, lounge, polyvalente vergaderzalen, waar ook aan sport kan worden gedaan. Urbino is wat men zou kunnen noemen een studententehuis. In Amsterdam heeft men de twee ineen en moet men de term studentenhuis in zijn volste betekenis nemen: een plaats waar studenten thuis zijn, een plaats temidden van hun leven, een milieu. Niet alleen voor de tweehonderdvijftig studenten en studentinnen die er hun kamer of hun woning hebben, maar ook voor de anderen. In het gebouw bevindt zich o.a. het secretariaat van de Amsterdamse studentenbeweging (ASVA) met de dienst voor studentenhuisvestiging voor de hele stad, eigen magazijn, en wat weet ik meer. Verder zijn in het gelijkvloers een mensa, een boekhandel, een café met terras. Op bepaalde uren van de dag is het er dan ook enorm druk en levendig.

De indeling van de studentenkamers is in het gebouw goed af te lezen. Boven het gelijkvloers bevindt zich een eerste blok van drie lagen kamers; viermaal acht studentenkamers in twee groepen, en een groep van zes studentinnen per verdieping. Boven dit onderste blok zijn enkele woningen-studio's voor gehuwde studenten, de woning voor de directeur en een vergaderzaal gelegen aan een heuse straat. Deze straat geeft een duidelijke cesuur aan het gebouw, die wel als doel zal hebben het grote complex aan te passen aan de schaal van de omliggende bebouwing. Het bovenste blok bevat nogmaals drie lagen van vier maal acht studentenkamers. Bij elke groep hoort een ruime living met terras, en sanitair.

Het programma op zichzelf is niet belangrijk, wel wat Hertzberger ermee gedaan heeft, de manier waarop hij erover heeft nagedacht, of nog, de manier waarop hij over architectuur denkt. Zijn theoretische opvattingen kennen we uit zijn publikaties, vooral in Forum, maar in het studentenhuis is zijn denken reëel en tastbaar geworden.

Hertzberger begint met de grenzen van het gebouw op te heffen, met te doen vergeten dat het een gebouw is. Men denkt hier niet meer aan architectuur, men ontdekt een milieu met vele mogelijkheden, dat niet afgesloten is, maar deel uitmaakt van het stadsmilieu. Het gebouw staat niet meer aan de straat. De straat loopt in het gebouw door. De straatjongens kunnen er in spelen! Men kan alleen maar betreuren dat het niet nog meer straat is geworden.

In het gelijkvloers loopt alles prachtig. De scheiding van binnen en buiten, of liever de overgang, de verweving van binnen en buiten is één subtiliteit. Van één toegang kan men niet meer spreken. Langs alle kanten komt men het gebouw in en uit. Men komt er om zo te zeggen geleidelijk meer en meer binnen, tot men ergens in een of andere hoek of plek of kamer ineens helemaal binnen is. Aan de benedenverdieping en vooral aan het restaurant kan men het best de bedoelingen van de architect aflezen en de kwaliteit van deze architectuur ervaren. Hertzberger gelooft niet in een neutrale ruimte, en nog minder in een flexibele ruimte. De flexibiliteit moet in de vormgeving zelf

[p. 159]

verrekend zitten. Wat hij maakt is door en door en tot in detail bepaald, vastgelegd. Maar niet vastgelegd op één vorm van beleving of gebruik, maar op een veelvoudig gebruik van één zelfde ding of ruimte.

In zijn commentaar bij het studentenhuis in World Architecture 4 licht Hertzberger zelf met een concreet voorbeeld zijn opvattingen toe. Een architect moet een telefooncel ontwerpen. Wat komt er bij telefoneren al niet te pas? Hoe zullen verscheidene mensen in verschillende omstandigheden deze telefooncel gebruiken? Sommigen willen alleen zijn, anderen willen met verschillenden samen een gesprek voeren om bijvoorbeeld onder vrienden een afspraak te maken. De conversatie kan kort en zakelijk zijn of een langdurig babbeltje. Soms moet je wachten, nota's nemen, over iets nadenken, iets nakijken. ‘De plaats waar de telefoon staat, moet zo worden geprogrammeerd dat al deze individuele manieren om hem te gebruiken, mogelijk zijn’. Dit voorbeeld kan spitsvondig lijken. Een ander voorbeeld is misschien nog duidelijker. Als straatverlichting bedacht Hertzberger lage betonblokken die het licht over de grond verspreiden. Dus is men in de woningen rechtover niet gestoord. Deze blokken kunnen echter ook als bank, tafel, werkplaats of als fietsenrek gebruikt worden. En worden effectief ook voor al die functies aangewend. Leuningen zijn bewust zo gemaakt dat men er ook kan op zitten, dat men er eventueel kan aan eten, zoals in het restaurant, dat men er iets kan op neerleggen. Elke hoek, elke ruimte moet voor zoveel mogelijk doeleinden worden geprogrammeerd.

Deze denkwijze, gelooft Hertzberger, brengt vanzelf ook mee dat een object dat reeds voor meer dan één functie nuttig is, in zijn gebruik tot nog veel meer onvoorziene mogelijkheden aanleiding zal geven. De toegang tot de kamers en tot de straat met de studio's is ook toegang tot de mensa en tot het binnenpleintje achter het gebouw. In de mensa heeft elke plaats haar volkomen eigen identiteit. De keuzemogelijkheid ligt hier echter niet zozeer in het verschillend gebruik dat men van een plaats kan maken, als in de verscheidenheid van plaats waartussen men kan kiezen, alnaargelang men wil deelnemen aan het spektakel op straat, liever alleen is of met zijn tweetjes of met een groep makkers, haast heeft of zinnens is het rustig te nemen. In elk geval is het zo dat de mensa geen enorme hall is met onafzienbare rijen tafels. Soortgelijke hall is natuurlijk ook voor vele bestemmingen te gebruiken, maar voor geen enkele eigenlijk helemaal geschikt.

Het is duidelijk dat Hertzbergers denkwijze tot heel boeiende resultaten kan voeren (en in het studentenhuis ook voert), maar ook dat ze het gevaar inhoudt op een willekeurige wijze de grenzen van de keuzemogelijkheden te beperken. Wat doet men bijvoorbeeld met licht tegen de grond als men in het donker op straat een aanduiding wil nakijken? Er is echter een flagranter voorbeeld van programmabegrenzing in het studentenhuis.

In hoeverre Hertzberger verantwoordelijk is voor de indeling van de studen-

[p. 160]

tenkamers weet ik niet. Feit is dat deze indeling in willekeurige groepen een valse identiteit aan een plaats toekent. Door de architectuur worden in het studentenhuis van Amsterdam de studenten op een willekeurige manier in groepen verdeeld en tot sociale contacten gedwongen die ze niet wensen. De kamer mag dan nog zo ruim zijn, nog zo polyvalent, als ze niet in de juiste verhouding tot de publieke of semi-publieke sfeer staat, kan ze haar dienst niet vervullen zoals het hoort, kan de student er niet wonen zoals het hoort. Op dit punt beginnen dan ook de moeilijkheden die zich in het gebouw voordoen. De architect (of de opdrachtgever) is hier zijn terrein te buiten gegaan door bepaalde patronen te willen opleggen. De architect moet niet uitvinden, zoals Hertzberger zelf zegt, hij moet luisteren, met heel veel zorg luisteren naar de realiteit, om die te dienen.

In het geval van de studentenkamers is er maar één oplossing voor het probleem. Men moet af van het idee dat een student aan een kamer genoeg heeft. Zoals elke mens heeft een student een woning nodig, een volwaardige, persoonlijke en onafhankelijke huisvesting met het technisch equipment dat dit veronderstelt (o.m. sanitair, w.c., douche). De grotere investering waartegen men nu opziet zal meer dan goed besteed zijn en verhinderen dat de kamers die nu gebouwd worden binnen enkele jaren aanzien zullen worden als krotten. In het universitair college te Urbino heeft men die les begrepen.

De richting waarheen de studentenhuisvesting evolueert laat Hertzberger overigens zelf zien in de studio's voor gehuwde studenten. Daar wordt de relatie van privé-cel en publieke sfeer juist. Daar voelt men weer de echte kwaliteit van dit gebouw. Niet dat elke studentenwoning nu zo royaal van ruimte moet zijn als die studio's, maar heel veel kan er toch niet van af. Als men consequent met Hertzberger over architectuur wil meedenken, komt men onvermijdelijk ook tot de conclusie dat het programma van de studentenhuisvesting, zoals dit momenteel nog geldt, niet meer verantwoord is. Aan deze conclusie kan de architect die zoals Hertzberger nog in de architectuur gelooft zich niet onttrekken. Hij is niet vrij in zijn denken. Hij moet luisteren naar de werkelijkheid en moet handelen naar wat hij daar verneemt □

 

40 eeuwen architectuur in Mexico.

De Standaard der Letteren, 30 december 1967.

prepostterug  begin  verder