Streven 3(1967).
Het is een voorrecht van wereldtentoonstellingen, dat ze nieuwe ideeën een kans kunnen geven. Die kans wordt dan wel niet altijd ten volle benut, maar een enkele keer lukt het wel eens, zoals op de expo te Montreal met Habitat 67. Voor de expo 64 te Lausanne had Max Frisch het idee al voorgedragen, de hele tentoonstelling op te vatten als een demonstratie van nieuwe woonvormen, van een ‘derde woonvorm’, over de traditionele tegenstelling van stadsen landwonen heen. Hij wilde een ‘stad’ maken waarin het hedendaagse woonideaal een passende gestalte zou krijgen. Een diepere verantwoording voor een wereldtentoonstelling is moeilijk denkbaar. Zij biedt een unieke kans om een van de dringendste problemen van de XXe eeuw op een reële wijze aan de orde te stellen en experimenten voor te stellen voor mogelijke oplossingen. Max Frisch' suggestie werd in Lausanne niet opgenomen. Moshe Safdie had meer succes toen hij het op een beperktere en minder radicale wijze hernam voor de expo te Montreal. Hij liet de expo voor wat ze was en stelde alleen voor, er als een van de vele objecten ook een woonwijk in te integeren. Daar zagen de organisatoren wel iets in. Ze beschouwden de expo immers als een stuk urbanisatie, als een gelegenheid om de stad zelf meer bewoonbaar te maken. Safdie's voorstel om te laten zien hoe met een hoge bevolkingsdensiteit, in een druk, beweeglijk stadscentrum een humane woonvorm mogelijk is, paste helemaal in hun opzet.
Safdie wist heel precies wat hij wilde en hij kon zijn project heel concreet toelichten. De voorbereidende studie had hij immers al achter de rug. Hij had ze samengevat voor zijn eindexamen in 1960 aan de McGill-universiteit van Montreal; in de jaren daarna had hij ze tijdens verschillende studieverblijven in het buitenland, o.a. bij Louis Kahn in Philadelphia, verder uitgewerkt en bouwrijp gemaakt. Voor Safdie is architectuur en stedebouw immers iets heel realistisch, iets dat moet gerealiseerd worden, en gerealiseerd tot het uiterste toe, tot het effectieve bewonen. Zijn ideeën zijn niet nieuw, noch oorspronkelijk. Het nieuwe ervan bestaat hierin, dat een architectonisch idee voor hem pas reëel is, wanneer het in het concrete leven functioneert. De eerste grote verdienste van Habitat 67 is dan ook, dat het gerealiseerd is, dat het het steriele isolement rond de avantgarde-architectuur doorbreekt, dat het laat zien dat de ideeën waarmee sommige architecten en stedebouwers rondlopen, hoe utopisch ze ook mogen lijken, meer op de realiteit van vandaag afgestemd zijn dan de algemeen gangbare, traditionele denkwijzen.
Die realiteit is de elementaire behoefte, ook voor de mens van vandaag, om zich op aarde te vestigen in een herkenbaar milieu. Opdat een milieu herkenbaar zou zijn, moet het in de eerste plaats feilloos functioneren. Maar het kan
van de andere kant slechts volmaakt functioneren als het, behalve expressie van de uitzonderlijke functies, ook uitdrukking is van de drager van die functies, de mens. Een adequaat woonmilieu komt niet tot stand door alleen maar de verkeersfuncties zo perfect en zo veilig mogelijk uit te bouwen. En ook niet met alleen maar perfecte woningen, al staan die dan nog te midden van enorme parken.
Een herkenbaar milieu ontstaat pas als al de functies samen resulteren in een samenvattend en inspirerend beeld, een beeld dus dat meer is dan de bundeling van de functies. Nu kan iedereen natuurlijk beweren dat onze huidige steden met hun eindeloze voorsteden en tuinwijken zulk een herkenbaar, zij het dan negatief beeld zijn, dat de non-identiteit van de naamloze mens van vandaag op een treffende wijze uitdrukt. Deze visie lijkt me echter al te pessimistisch. Ze wordt, geloof ik, ook door de bewoners van de steden zelf voortdurend in alle mogelijke reacties van opstand, ongenoegen, heimwee tegengesproken. Het is hier niet de plaats om te analyseren hoe ze dan toch tot stand gekomen zijn. Het volstaat te constateren, dat deze steden, door de manier zelf waarop ze bewoond worden, door de bewoners gedesavoueerd worden en gedesavoueerd blijven worden. Dat is geen kwestie van tijdelijke aanpassingsmoeilijkheden aan een nieuw milieu. Er ontstaat eenvoudig geen milieu meer, ja, de architectuur van de nieuwe steden belet dat er een milieu ontstaat. De architectuur stimuleert niet alleen niet, ze werkt tegen.
Nu is het Safdie juist om dat milieu te doen. Hij aanvaardt de expressie van de verstikte stadscentra en de monotone suburbs niet als een waarachtige weergave van de realiteit. Hij gelooft in de mogelijkheid van een derde weg, van een post-urbane stad, van een post-urbane mens. Op die mens is Habitat 67 berekend. Het wil een goed functionerend en herkenbaar milieu zijn voor de persoonlijke mens van vandaag en morgen.
De architectonische consequenties hiervan zijn veelvuldig:
1. Doordat de mens vrij is geworden om zichzelf te zijn in een dynamische ontwikkeling, is ook de architectuur bevrijd van elke persoonlijke binding. Haar vorm kan niet langer expressie zijn van een omschreven mensbeeld, niet eens van het mensbeeld van een bepaald individu op een bepaald ogenblik. Ze kan slechts expressie zijn van de persoonlijke bewoner van vandaag door zo zuiver mogelijk te zijn, door het individu zo weinig mogelijk vast te leggen, door in haar noodzakelijke bepaaldheid mogelijkheden open te stellen.
2. Wezenlijk voor de herkenbaarheid van dit milieu is niet dat het het ene individu naast het andere tot uitdrukking brengt, maar dat het ervaarbaar maakt dat het om een gemeenschap van personen gaat, dat, zoals Safdie in het hiernavolgend interview zegt, de ‘gemeenschapsidentiteit’ én de ‘persoonlijke identiteit’ erin beleefbaar is.
3. De relaties tussen groep en individu die in het milieu tot uitdrukking en herkenbaarheid komen, moeten open relaties zijn. Ze mogen de plaats van het
individu in de groep, en dus ook de samenstelling van de groep niet vastleggen. De architectuur moet de volledige vrijheid van het individu mogelijk maken en dat binnen de samenhang van de open gemeenschap.
4. Architectuur kan dus niet meer beoefend worden als de realisatie van een afzonderlijk gebouw. Alles wat ze aanpakt is een fragment van een groter geheel, een geheel dat zelf geen grenzen meer heeft. In elk fragment moet het geheel, de samenhang herkenbaar zijn. Niet een of ander programma primeert, niet een of andere sfeer, maar de samenhang van alles met alles. De inhoud van die samenhang wordt door de bewonende mens en niet door de architect bepaald. De architectuur kan er alleen voor instaan dat het fragmentarische en altijd voorlopige geheel waaraan ze bezig is, zo gestructureerd wordt, dat op elke plek zo goed als alles mogelijk blijft.
5. Deze bevrijding of als men wil overwinning van de architectuur is slechts mogelijk in en door een adequate verwetenschappelijking en vertechnisering ervan. De algemene filosofische uitgangspunten moeten in een wetenschappelijke discipline tot concrete beleefbaarheid opgevoerd worden en door een aangepaste techniek in werkelijkheid omgezet.
Omdat Habitat van deze principiële opvatting uitgaat, kan het de architectuur in haar functie van primaire levensnoodzaak, waarvan de hedendaagse mens gefrustreerd is, herstellen. Het geeft de architectuur aan de mens terug. Het openbaart de ware betekenis van de moderne architectuurrevolutie. Habitat staat daarbij natuurlijk niet alleen. Het doet niets méér dan een algemeen bewustzijn in de architectuur - en in alle andere menswetenschappen - concretiseren, zodat de barrière tussen utopie en realiteit doorbroken wordt. De realiteit van de stad van morgen is door Habitat 67 ineens veel dichterbij gekomen.
Habitat is slechts een fragment van een fragment en moet als zodanig bekeken worden. Het gehele project omvatte duizend woningen, plus de nodige sociale voorzieningen: slechts honderdachtenvijftig woningen werden gebouwd. De maateenheid van Habitat is niet de volledige woning, maar de wooncel. Deze bestaat uit een betonkist, die gemiddeld tachtig ton weegt, en aan de buitenkant twaalf bij zes meter meet. Op het dak na wordt deze kist uit één stuk gegoten in een metalen gietvorm, die voldoende aanpassingsmogelijkheden bezit voor deur- en vensteropeningen. Theoretisch wordt zulk een cel helemaal in de fabriek afgewerkt voor ze met een speciale kraan op haar plaats in het complex wordt aangebracht. De stapelmethode is niet eenvoudig. Sommige cellen schijnen in de lucht te zweven. Dit is slechts mogelijk doordat de cellen in elkaar verankerd worden en op die manier als tegengewicht voor elkaar fungeren. Het dak van de ene cel doet in de meeste gevallen dienst als terras voor de cel erboven, zodat men de opbouw met een trap kan vergelijken.
Een woning bestaat uit een, twee of drie cellen, op één of twee verdiepingen.
Een woning van drie cellen heeft ongeveer tweehonderd vierkante meter ruimte, het terras niet meegerekend. De woningen kijken uit op pleinen, pleintjes of straten, voor het grootste deel ook uit geprefabriceerde elementen samengesteld. Alleen de fundamenten, de liftkokers en enkele supplementaire pijlers zijn ter plaatse gegoten. Het complex is zo opgebouwd, dat er drie groepen van woningen in te onderscheiden zijn, ieder met een dubbele verticale circulatie van liften en trappen. De verschillende niveaus zijn daarenboven via vele secundaire trappen met elkaar verbonden. Onder het complex is een overdekte parkeerplaats met berghokjes. Het verkeer dringt, zonder de voetganger te storen, tot binnen in de woonwijk. Er is een ‘binnen’ aan deze woonwijk. Zij ligt niet uitgestrooid over zoveel objecten. Zij vormt een eenheid. Zij maakt een gemeenschap herkenbaar, hoe open, vrij en hedendaags die ook is. Want dit ‘binnen’ is evenzeer een ‘buiten’, betrokken op de rest van de stad, in directe communicatie met de haven en de Sint-Laurensrivier. De aanwezigheid van haven en rivier geeft Habitat zijn eigen specifieke landschap. En het doét het ook in dit harde en grootse landschap. Het merkwaardige van de publieke zone binnen het wooncomplex is juist dat ze de polyvalentie van een stadsplein, een stadsstraat bezit. Je kunt het beleven als vreemdeling, zonder je een indringer te voelen. Overal kun je rondwandelen, tot vlak bij de deuren van de huizen, op het einde van een steegje; je kunt genieten van de zon op het terras, kijken naar de activiteit van de haven of op de rivier, het spel van kinderen volgen, of gewoon op verkenning gaan naar de samenstelling en de verscheidenheid van het complex met zijn groot marktplein boven de parkeerruimte op de eerste verdieping (waar je zó winkels en warenhuizen, een marktkramer of een bloemenvrouw zou verwachten), met zijn vele kleine pleintjes tot op de tiende verdieping (waar men een even veilig gevoel heeft als op de eerste), met zijn straten, zijn trappen, zijn loopbruggen, zijn open doorkijken en besloten hoeken. Maar dit alles wordt anders ervaren, eens dat je in het complex een centrum gevonden, een woning hebt betrokken. Elke woning heeft haar eigen plaats, die van buitenaf niet opvallend en zelfs nauwelijks herkenbaar is, maar die door het bewonen zelf heel reëel wordt. Vanuit de woning ontstaan immers verschillende relaties tot andere woningen en tot het geheel van de woningen, relaties die de bewoner van deze wijk zelf creëert, die in de architectuur niet voorgegeven zijn. Die relaties zijn niet enkelvoudig. Iedere bewoner heeft niet alleen de gelegenheid om zich een eigen wegenpatroon naar zijn woning te scheppen. Hij kan dat patroon alnaargelang de omstandigheden of het humeur variëren.
Het interieur van de woning is comfortabel, verzorgd, maar ook niet meer dan dat. Het boeiende van het complex, de veelvuldige relaties zijn hier niet meer terug te vinden. Je kunt hier beslist goed wonen, maar de luxe van de woning ligt niet in het interieur, maar in haar situatie in het geheel, in haar verband met het buiten en het binnen van het complex.
Daar, binnen in het interieur, wordt eigenlijk de twijfel aan Habitat geboren. Scherper dan elders in het complex ga je de anachronistische beperking van het zware prefabricatiesysteem met volledige cellen aan den lijve ervaren. En vanuit die ervaring ga je aan het hele systeem twijfelen en proberen je kritiek te formuleren. Wel blijft daarbij vooropstaan: de kritiek doet niets af van de belangrijkheid van het experiment en van de concrete bewoonbaarheid. Met een paradox zou ik kunnen zeggen dat Moshe Safdie er ondanks zijn systeem in geslaagd is zijn idee duidelijk en concreet te maken. En voor dit artikel had ik dezelfde titel kunnen gebruiken als die welke ik hier onlangs boven een stuk over de expo te Montreal heb gezet: betekenis van een anachronisme.
De kritiek mag, geloof ik, niet teveel de nadruk leggen op het economisch failliet. Het gaat hier immers om een experimenteel prototype, waarvoor de directe uitgaven niet revelant zijn voor de uiteindelijke produktiekosten. Maar in de hoge kostprijs van het prototype zit een andere, belangrijke aanwijzing: dat het aangewende systeem niet adequaat is. Een eerste bezwaar geldt de maximum-maat van de binnenruimte van de woning, die nooit groter kan zijn dan één cel. Die beperking is vooral te wijten aan het feit dat de cellen zelf als dragende elementen fungeren, zonder behulp van een aparte, onafhankelijke structuur. Daarenboven bestaan de cellen zelf niet uit een structuur met invulvlakken, maar zijn ze opgevat als één dragend element.
Deze initiële keuze brengt mee dat ook het stapelsysteem heel ingewikkeld wordt. Safdie en zijn groep zijn in een fantastische krachtproef geslaagd. Maar het is teveel een krachtproef om van algemene toepassing te kunnen worden. De ervaring bij de opbouw heeft dit overigens bevestigd. De produktie van de betonkisten bracht geen moeilijkheden mee, maar het bleek onmogelijk de volledige afwerking in de fabriek te verzekeren (en dus van de voordelen van de prefabricatie te genieten), omdat de manipulatie van de elementen te onhandig en de bevestiging ervan te ingewikkeld was. De plaatsing en de afwerking van de cellen kon de produktie van de ruwe cel niet volgen. Het zal wel mogelijk zijn, met de opgedane ervaring een deel van deze moeilijkheden uit de weg te ruimen. Maar het feit van de ingewikkeldheid van de manipulatie en de beperkte aanpassingsmogelijkheden blijft bestaan.
Een ander bezwaar dat daar onmiddellijk mee samenhangt, lijkt me de te grote versnippering van het volume, waarop ook Safdie in het interview even alludeert, en de onmogelijkheid die daardoor ontstaat om een perfecte privacy van de woningen, vooral van de terrassen te verzekeren. Een laatste bezwaar is de nadrukkelijkheid van de vorm die met de grillige stapeling van de betonboxen samenhangt. Men kan er tenslotte nog aan toevoegen dat het systeem op zichzelf structureel zo ingewikkeld is, dat het niet meer mogelijk is voldoende rekening te houden met de klimatologische omstandigheden (tenzij Safdie eraan gedacht zou hebben over zijn complex een geodetische koepel te bouwen). Zoals men merkt, vloeien al deze bezwaren voort uit de eerste
keuze van het vaste, dragende eenheidselement in beton, dat de verdere ontplooiïng van het systeem van in het begin vastzet.
Safdie zelf zweert niet bij dit systeem. In het volledige project vormde deze groep van honderdachtenvijftig woningen een afzonderlijk deel. De andere woningen waren opgevat als losse elementen in een dragende structuur. En in een nieuw project tracht Safdie de hindernis van het zware beton uit te schakelen door lichtere materialen aan te wenden. Fundamenteel houdt hij echter vast aan de vorm van zware prefabricatie van volledig gevormde eenheidselementen. Maar Habitat heeft deze vorm van prefabricatie misschien juist voorgoed in diskrediet gebracht. Het ziet ernaar uit dat Safdie in zijn progressief denken over architectuur toch nog ergens voor een grens van architectuur-als-vorm is blijven staan, zonder in die vorm de technische implicaties te betrekken. Techniek kan niet van de vorm losgemaakt worden. Architectuur is geen vorm die men met technische middelen realiseert. Wie dit staande houdt, neemt een anachronistisch standpunt in. Maar zoals de expo reveleert ook Habitat in zijn anachronisme de enige juiste uitweg voor architectuur en stedebouw om te komen tot de realisatie van een nieuwe stedelijke woonstructuur, waarin de mens van de XXe eeuw zich uit kan leven □
De Britse bijdrage tot de hedendaagse architectuur.
TABK 25(1967).