De Standaard, 13 januari 1968.
Giulio Carlo Argan heeft voor de algemene vergadering van de Association Internationale des Critiques d'Art, die verleden jaar in Rimini werd gehouden, een verrassend én gevaarlijk thema voorgesteld: ‘Urbanisme en film. De visuele ruimte van de stad’. Van de kunstcritici had men zulk een brede thematiek niet verwacht. Het congres reageerde dan ook maar matig op het ongewone voorstel. Van de andere kant lijkt het al bij voorbaat verdacht als kunstcritici over de ‘visuele ruimte’ van de stad gaan praten. Het gevaar is groot dat ze eens te meer de realiteit van de stad en van het urbanisme vanuit een esthetiserend oogpunt bekijken en daardoor de kloof, die er tussen stadsleer en stadswerkelijkheid heerst, nog groter maken. Zonder grote moeite
omzeilde G.C. Argan deze gevaarlijke klip. In zijn inleiding schetste hij op een voortreffelijke wijze de rol die de film kan spelen en reeds speelt bij de herkenning van de reële stad, de stad van de mens, onze stad.
De reële stad is niet die van antropologen, sociologen, economen, politici of urbanisten. Deze geleerden hebben vivisecties op de stad toegepast om een of andere theorie kracht bij te zetten. Ze zijn overigens alleen maar met fragmentarische aspecten van de stad bezig. Tot het unieke, levende geheel, dat de stad is, zijn ze niet doorgestoten. En juist omdat ze door de beperktheid van hun discipline nooit het geheel, en zeker niet het levend en evoluerend geheel van de stad, in zicht krijgen, zijn de therapieën die ze voorstellen tot mislukken veroordeeld.
Argan nam als voorbeeld het collosseum van Rome. Welke van de genoemde disciplines, die zich met de stadswerkelijkheid bezig houden, kan de aanwezigheid van dit monument in het leven van de stad Rome verklaren? Alleen in de film wordt de betekenis van dat monument in zijn veelvuldige dimensies op een juiste en directe wijze bewust gemaakt. Als Argan dit voorbeeld kiest, blijft hij nog aan de oppervlakkige kant van het probleem. De visualiteit waarover hij het hier heeft staat immers gevaarlijk dicht bij een monumentaliteit, waartoe zij in geen geval mag beperkt worden. Zij is veel subtieler, ja bijna onmerkbaar. Ze bestaat immers in hoofdzaak uit samenhangen die wel visueel, doch meestal onbewust, op de bewoner van de stad inwerken: samenhangen van deel tot geheel, samenhangen die enkel in een tijdsverloop, in een duur ervaarbaar worden, samenhangen die een psychologisch klimaat bepalen en de stad, het milieu, met betekenis laden. De stad is evenzeer projectie als tastbare werkelijkheid. De visuele werkelijkheid van de stad is evenzeer inwendig als uitwendig. Deze constatatie van de feitelijke machteloosheid van de wetenschap om het object-stad in zijn dynamische totaliteit te vatten, betekent helemaal niet dat die wetenschap moet afgewezen worden. Ze pleit alleen maar voor een verruiming ervan. En in die verruiming speelt de film een fundamentele en onvervangbare rol. De film is het bij uitstek geschikte kennisorgaan om de specifieke werkelijkheid van de stad te leren kennen.
Wanneer G.C. Argan deze thesis verdedigde, dacht hij in de eerste plaats, zo niet uitsluitend, aan de bestaande speelfilm. Hij wil met name de filrn-kunst als oorspronkelijk kennismedium betrekken in de wetenschappelijke analyse van een fenomeen, waarop de menselijke geest tot nog toe weinig of geen greep had. Er zijn films die de stad of het hedendaagse woonmilieu expliciet tot onderwerp hebben. Op het congres te Rimini werden Alphaville van J.L. Godard en La Notte van Antonioni als zodanig voorgesteld. Een beste keuze is dat niet. Er zijn sprekender voorbeelden. Deux ou trois choses que je sais d'elle is, om bij Godard te blijven, een veel opmerkelijker weergave van de actuele stadsproblematiek dan het karikaturale Alphaville. Film is hier denkinstrument, taal, een denkinstrument dat wordt gebruikt om de werkelijkheid
van de stad te verkennen. In zijn gefluisterd commentaar spreekt Godard zelf over ‘le rôle créateur en formateur de la ville’.
Men hoeft echter niet eens deze specifieke urbanisatiefilms uit te zoeken om de bewering te staven dat film het medium bij uitstek is voor de studie van het levensmilieu. Elke film is dat, alleen al omdat film op een visuele, d.w.z. directe en totale manier met het leven te maken heeft en dat het leven altijd een milieu is, zelfs als dat soms met kunstmatige middelen alleen maar in de fantasie wordt gecreëerd.
We kunnen echter nog een stap verder. Niet alleen de speelfilm laat ons de visuele ruimte van de stad bewust worden. De urbanist die op zoek is naar het object van zijn wetenschap of zijn kunst - ergens moeten die wel samenvallen - hoeft zich niet tot de studie van de bestaande filmcultuur te beperken. Het filmmedium is voor hem niet passief. Hij kan het ook gaan aanwenden als een actieve onderzoekingstechniek. Indien de urbanist dit middel op een eerlijke en consequente wijze bij zijn onderzoekingen - voor zover die er zijn geweest - had gebruikt, dan ware het urbanisme zoals wij dit nu kennen ondenkbaar geweest. De gangbare urbanistische theorieën zijn immers grotendeels abstract en aprioristisch, gebaseerd op onverteerde en achterhaalde sociologische, economische, medische en antropologische slogans. Ze zijn ook volkomen levensvreemd gebleken. Films over moderne steden zoals Brasilia, Chandigarh of zelfs Stockholm zijn hier het averechtse bewijs van.
Enkele theoretici van het urbanisme hebben dat ingezien. Een van de voornaamsten onder hen, Françoise Choay, die in haar boek Urbanisme, utopies ét réalités met de urbanistische doctrines heeft afgerekend, is in haar onderzoek naar de gepaste wetenschappelijke methodes om het stadsorganisme te onderzoeken op de film uitgekomen. Natuurlijk moet men de film dan als een autonoom communicatiemedium herkennen. Het volstaat niet de film als propagandamiddel voor een ideologie te gebruiken, evenmin als illustratie van een vooropgezet verhaal. Men mag de film ook niet als een consumptiegoed beschouwen, dat in de eerste plaats een herkenbaar schema moet voorstellen, zo ongeveer als dit in een stationsromannetje het geval is.
In dit perspectief zijn enkele produkties van de Vlaamse Televisie te plaatsen die binnenkort onder de titel Waarover men niet spreekt worden uitgezonden (18 januari, 1 en 15 februari). Ze zijn een, uiteraard experimentele, poging om het object van het urbanisme te vatten. Die films hebben als het ware zichzelf gemaakt. Ze zijn geen uiteenzetting, zelfs geen reportage. Ze stellen niets voorop. Ze registreren maar; alles wat door het spectrum van het wonen en van het menselijke woonmilieu valt. Ze zijn een klankbord dat de echo van de stad van vandaag opvangt en, een beetje versterkt, weergeeft, zodat het kans op bewustwording krijgt. Ze zijn niets anders, als men wil, dan hetgeen dagelijks in een televisieavond gebeurt, maar dan iets explicieter en iets meer gecondenseerd: een zelfinterpretatie en een zelfidentificatie van de mens van
vandaag. En deze interpretatie en identificatie valt altijd samen met het scheppen van een milieu. Als er één ding is wat onwillekeurig in deze films duidelijk wordt, dan is het misschien wel dàt □