terug  begin  verderprepost

Belgische musea in de kou.

K&C-agenda, 17 januari 1968.

 

Deze winter schijnt het seizoen van de Belgische musea te zijn. Het Museum voor Oude Kunst te Brussel gaf een overzicht van zijn aanwinsten in de laatste halve eeuw. De conservatoren van de nationale musea kwamen aan bod in een recente uitzending van de Vlaamse televisie. De staat stelde zijn jaarlijkse aankopen ter discussie. Nu is het de beurt aan de provinciale en gemeentelijke musea om in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel hun aanwinsten in de periode van 1945 tot 1967 te laten zien. Luisterrijk zijn deze twintig jaar voor onze musea niet geweest. We hebben het niet meegemaakt dat een gemeente of een kiesdistrict, zoals onlangs in Basel gebeurde, zich in een referendum gunstig uitspreekt voor de aankoop door de stad van twee dure Picasso's.

Dit komt niet voor omdat onze conservatoren er eenvoudig niet kunnen aan denken Picasso's te kopen, als ze ooit op dit liederlijke idee zouden komen. Als er een collectie zoals die van Dotremont een jaar geleden op de markt kwam, waren onze conservatoren, die van Gent niet te na gesproken, niet thuis. Onze avantgarde-galerieën hebben aan buitenlandse musea goede klanten, maar onze musea kennen de weg erheen nog niet. De grootse aanpak van de tentoonstelling te Brussel is meer oogverblinding dan realiteit. Geen enkel museum kan zich permitteren voor een permanente tentoonstelling van de werken te doen wat het gemeentekrediet hier voor een voorlopige doet. En nog afgezien van deze bezwarende omstandigheid, blijft de presentatiewoede van de tentoonstelling in het Paleis voor Schone Kunsten overdreven. Ze werkt de kunstvervreemding nog in de hand. Ze schept geen gelukkig precedent voor het plaatselijke museum dat zich hier op wil inspireren. Wat ontbreekt, valt in deze tentoonstelling meer op dan wat aanwezig is. Maar er is

[p. 202]

toch ook wel iets aanwezigs, zelfs enkele belangwekkende stukken. Er zijn meer dan vijfhonderd schilderijen, beelden, voorwerpen van allerlei aard, uit alle takken van het beeldend scheppen.

Het scheepvaartmuseum van Antwerpen is evengoed vertegenwoordigd als het wapenmuseum van Luik, Middelheim-openluchtmuseum even goed als de etnografische collectie van de stad Antwerpen zonder museum. Verscheidene musea zijn nauwelijks bekend. Sommige onder hen kunnen niet bekend zijn. De etnografische collectie van Antwerpen beschikt over geen enkel gebouw, zelfs geen voorlopig. In de twintig jaar museumgeschiedenis die in de tentoonstelling gepresenteerd zijn werd slechts één museum, die naam waardig, gebouwd, dit van Buzenol.

Brodzki en Hannoset hebben er destijds wat van gemaakt. Destijds. Nu is het goed op weg om in de kortste tijd een volslagen ruïne te worden. Eén ding maakt deze tentoonstelling alvast bewust: het wordt hoog tijd dat er iets aan onze musea gedaan wordt, maar dan niet in de geest die aan deze tentoonstelling voorzat. Als men het museum als een show-business aanpakt, dan zijn alle investeringen bij voorbaat nutteloos weggegooid geld. Er zit stof in voor het congres ‘De Belgische Musea en het publiek’ dat bij gelegenheid van de Tweede Internationale Museumcampagne begin mei te Brussel zal gehouden worden □

 

Waarover men niet spreekt.

K&C-agenda, 17 januari 1968.

prepostterug  begin  verder