De Standaard, 27 januari 1968.
Toen Le Corbusier in de jaren twintig naar een bepaling zocht van de hedendaagse grootstad, vond hij geen betere dan un cancer qui se porte bien. Hij bekeek het toen nog positief. Want met de evolutie van de laatste jaren kan men niet eens meer zeggen dat de zieke het goed maakt. En toch wordt er maar weinig aan gedaan. Eigenlijk niets. Men is zogenaamd met de zieke begaan. Men tracht hem wat te verstrooien. Een bloempje in de kamer, een glimlach. Men tracht ook zichzelf wat te verstrooien. Een lichtsignaal na elke vijftien dodelijke ongevallen in de loop van een paar maanden. Een agent om de kinderen de straat te helpen oversteken. Een toespraak van een minister die de weggebruikers tot extra-voorzichtigheid aanmaant. Tegen de ziekte zelf gebeurt niets. Die woekert maar verder.
Bij een dergelijke constatering is de eerste vraag: hoe komt het, bij wie ligt de schuld, wie is verantwoordelijk? Officieel moet het antwoord luiden: de stedebouw. De urbanist is het die tot taak heeft ervoor te zorgen dat de stad, het woonmilieu van de moderne mens, gezond d.w.z. bewoonbaar is of blijft. Hij is de beklaagde, wiens proces hier moet worden gemaakt. Wat wordt hem ten laste gelegd? Kan hem eigenlijk wel iets ten laste gelegd worden? Hij is toch niet verantwoordelijk voor de demografische explosie die de wereldbevolking in een ongekend tempo naar omhoog drijft. Hij heeft de industriële revolutie niet ontketend. Hij heeft de enorme ontwikkeling van de miljoenensteden niet gewild. Hij heeft de auto niet in de stad gebracht. Hij heeft de lucht niet verpest en het water niet verontreinigd. Wat kan hij tegen deze feiten beginnen? Beschikt hij over middelen om hieraan iets te veranderen? Als men deze vragen durft stellen, lijkt het wel alsof de urbanist niet veel meer is dan de zondebok op wie de verantwoordelijken, politici, economen, sociologen, hun eigen schuld afwentelen; een stroman die moet dienen om de echte kwaal waaraan de samenleving lijdt te verbergen; een fictief personage dat op een onrechtmatige manier de naam usurpeert en de plaats inneemt van wie reële verantwoordelijkheid draagt of zou moeten dragen. Moet de beschuldigingsakte tegen het urbanisme dan niet anders geformuleerd worden? Ligt de echte schuld niet in het feit dat het niets anders is geweest dan een afleidingsmaneuver, iets in de aard van het paternalisme, een doekje voor het bloeden?
Het urbanisme heeft inderdaad zijn eigenlijke probleem niet aangepakt, niet eens herkend. Toen in het midden van de XIXe eeuw het archaïsche leef- en stadspatroon definitief werd doorbroken, was het eerste en meest in het oog springende gevolg een onbeschrijfelijke wanorde, de triomf van de zuivere macht, gesymboliseerd in het kapitaal. De oude gemeenschapsstructuur van heren en knechten, die tot dan toe in een gesloten en hiërarchisch verband had gefunctioneerd, was nu tot een open machtsstrijd van principieel gelijkwaardige individuen geworden. Er bleef geen enkel principe van ordening of samenhang meer.
Op dat ogenblik greep het urbanisme in. Niet onmiddellijk als een reële factor, maar door het scheppen van modellen die orde in de chaos zouden kunnen brengen. Dit ingrijpen is echter van bij het begin reactionair, hoe progressief de formuleringen ervan ook mogen klinken. De stedebouw wil op een nogal willekeurige wijze de verlorengegane orde van het archaïsche, religieuze beschavingspatroon herstellen. De ontwerper van de stedebouwkundige modellen treedt noch min noch meer in de plaats van God de Vader. Hij is de schepper van de nieuwe mens. Zonder veel rekening te houden met de concrete realiteit, bepaalt de stedebouwer zelf hoe zijn mens zal zijn, hoe hij zich voortaan zal gedragen, waarom hij zal leven. Willens nillens desnoods, zal hij hem naar het voor hem weggelegde geluk voeren.
Nu is dat laatste een vrij onnozele copie in het klein van de uiterlijke gelukssymbolen van de klassieke machthebber. Als de mens maar veel groen, lucht, licht en water heeft, d.w.z. te midden van de natuur woont en zich aan lichaamscultuur kan overgeven, moet hij wel gelukkig zijn. Geluk en hygiëne zijn in deze opvatting ongeveer synoniem. Men kan hiervoor wel historische verklaringen aanvoeren, maar dit is het niet wat ons hier bezighoudt. Belangrijk voor ons is de constatering dat de stedebouwkundige doctrine van de XIXe eeuw de beschavingsevolutie van de stedelijke mens meent te kunnen, ja te moeten terzijde zetten, om nog eens opnieuw het verhaal van het aards paradijs over te doen. Geheel Frankrijk moet een tuin worden, met hier en daar een bosje, schreef J. Proudhon in 1865. En in 1898 komt de klassiek geworden tekst van Ebenezer Howard over de tuinsteden-van-morgen.
Het merkwaardige nu is, dat de uit de lucht gegrepen theorieën van utopisten die de sociale problemen door een straffe stedebouwkundige discipline wensen uit de weg te ruimen, na meer dan een eeuw nog altijd zo goed als ongewijzigd het stedebouwkundige denken bepalen. Dit alleen zou volstaan om de stedebouwer van irrealiteit te verdenken. Verwonderlijk is het dan niet dat hij maar weinig invloed uitoefende op de reële evolutie van het stadspatroon. En waar dit wel het geval was, leidde het tot regelrechte catastrofen, waarvan we nog maar nauwelijks de draagwijdte beseffen.
Haast niemand betwist nog het failliet van een nieuwe stad als Brasilia. E.N. Bacon, die het in zijn recente boek Design of Cities voor Brasilia opneemt, is
een uitzondering en zijn argumentatie op formeel-esthetische gronden speelt dan nog direct in de kaart van hen die menen de stad juist daarom te moeten afwijzen. Chandigarh staat er niet veel beter voor. De nieuwe Engelse steden bestaan maar bij de gratie van wantoestanden, privilegies en politieke maatregelen. Nergens heb ik een spoor van enthousiasme of van binding gemerkt. Als de keuze vrij was, of juister, als er keuze was, zou die nooit of uiterst zelden naar het verblijf in de nieuwe stad uitgroeien. In Israël ligt de verhouding nog slechter. Op een kunstmatige manier moeten de nieuwe steden daar in leven worden gehouden. Voor meer details hierover kan ik naar vorige kronieken in dit blad verwijzen.
Over de zogenaamde stadsuitbreidingen rond alle grote steden over de wereld hoeft niet gepraat te worden. De hygiëne wordt er betaald met een onbeschrijfelijke verveling en vereenzaming. Men durft er niet goed aan denken hoe, die steden binnen tien, twintig jaar eruit zullen zien. Men kan alleen maar blindweg hopen dat het nog meevalt. En ermee ophouden nog meer van die onzin te bouwen, nog meer te morsen met huizen....
Men kan verzachtende omstandigheden voor de stedebouwer pleiten, maar hoe het ook uitdraait, hij is tenslotte voor deze evolutie verantwoordelijk. Hij is het, die aan ieder die bij de stedebouw betrokken is, de juiste werkhypothesen zou moeten voorstellen. En dat hij daaraan nog niet toe is, kunnen we dagelijks ervaren. Ik verwijs even naar het flagrante voorbeeld in het nummer van Paris-Match, gewijd aan Paris 2000. Daarin stellen een aantal stedebouwers op een afschuwelijk-naïeve manier hun maquettes voor de uitbreiding van Parijs voor. Het is natuurlijk ook onbegrijpelijk dat de pers zoiets neemt, en niet alleen neemt, maar ermee uitpakt. Ze heeft echter een excuus. Nadat de architecten en de urbanisten sinds bijna een eeuw de massa haar onbegrip verwijten, is deze nu eindelijk aan een zekere vorm van vertrouwen toe. Een vertrouwen dat alleen maar kan beschaamd worden. De stedebouwer kan de actuele situaties niet aan, in de eerste plaats omdat hij er zich niet voor interesseert. Hij zit nog altijd met het idee in zijn hoofd, dat hij met een paar grootse monumenten het stadsbeeld een beetje reliëf moet geven. In hoeverre het leven in en rond die monumenten zich kan ontwikkelen, in hoeverre ze deel uitmaken van het geheel, in hoeverre ze bijdragen tot het scheppen van het woonmilieu, dat is bijzaak.
In de vorige kroniek had ik het al over de poging van de Vlaamse televisie om de werkelijkheid van het hedendaagse urbanisme met de film door te lichten. In de eerste uitzending van de serie Waarover men niet spreekt, onder de titel Home sweet home, werd de behoefte van de mens aan een milieu waarin hij zich thuis voelt geanalyseerd. De tweede film op donderdag 1 februari laat zien welk antwoord de stedebouw gegeven heeft op de vraag van de hedendaagse mens naar een herkenbaar en functioneel woonmidden □