terug  begin  verderprepost

Eurasienstab.

K&C-agenda, 21 februari 1968.

 

Vrijdag 9 februari was Joseph Beuys in de Wide White Space Gallery te Antwerpen, tesamen met Henning Christiansen, voor de ‘Aktion’, die hij Eurasienstab betitelt. De poëtische naam is niet esoterisch bedoeld. Hij is zo letterlijk en direct te interpreteren als de hele avondvullende actie. Eurasien is de ruimte, Europa én Azië, West én Oost, waarin de auteur, de mens, de anti-ruimte, Joseph Beuys, wandelt, de staf draagt. De ruimte bestaat in een tijd. Bij de titel Eurasienstab hoort nog: 80 min. fluxorum organum. De orgelmuziek die de actie tachtig minuten lang draagt en ritmeert, is het werk van de Deense musicus Henning Christiansen. Zoals reeds in K&C/5 vermeld, gaat het om een vervreemdingseffect. Vervreemding is ambivalentie. Men kan ze beschouwen als het uittreden uit een vertrouwde sfeer (die als de enig werkelijke wordt ervaren), maar ook als het ontdekken van een nieuwe

[p. 227]

wereld, die een andere, misschien grotere werkelijkheid bezit dan de vertrouwde.

Bij vervreemding horen in elk geval beide polen: vertrouwdheid en afstand. Alles wat Beuys gedurende zijn actie onderneemt is vertrouwd en alledaags. Tenminste hij doet alsof dit zo is. Hij is geen speciaal begaafd medium, dat in trance met een bovenzinnelijke sfeer in communicatie treedt. Hij doet eenvoudig wat hem te doen staat, zoals een huisvrouw in haar keuken. Slechts één enkele keer schijnt hij meer op effect uit en gaat hij gebaren maken die aan een goochelaar doen denken. Maar die enkele gebaren niet te na gesproken, zou iedereen die aan het schouwspel deelneemt in de plaats van Beuys kunnen staan en de ritus voltrekken. Hij vergt geen enkele initiatie.

De ritus is een volstrekt willekeurige handeling. Hij is niet meer dan het noodzakelijke vertrekpunt vanwaaruit een verbreding van het bewustzijn kan bewerkt worden, het bewustzijn van de mens die de ritus voltrekt, en van de materie of, juister misschien, de ruimte waarin de ritus voltrokken wordt. Ook hier speelt de vervreemding: alles wat Beuys doet is materie, waarvan de materialiteit beklemtoond wordt. Maar juist in de beklemtoonde aandacht ervoor wordt ze gespiritualiseerd. Daardoor distantieert Beuys zich van Oosterse meditatiepraktijken. Zijn ritus overstijgt de materie niet, maar voltrekt zich in de materie, in haar meest onvatbare eigenheid. Vandaar wellicht zijn voorliefde voor het vet. In alle acties en in vele van zijn kunstwerken past Beuys het toe. Met het vet bewerkt hij de ruimte, maakt hij ze tastbaar, maar heft ze ook in haar materiële begrensdheid op. Als hij een hoek van de kamer met vet opvult en laat verdwijnen, maakt hij terzelfdertijd die kamer in haar platte bepaling bewust, maar laat haar ook zo diep in haar materialiteit verzinken dat ze anti-materie wordt en openkomt voor de ambivalentie van de geest. Al deze begrippen zijn vanzelfsprekend inadequaat omdat de actie van Beuys erop gebaseerd is deze begrippenschema's te ontmantelen. Er steekt dan ook een dosis inconsequentie in er over te willen schrijven. Maar ook deze inconsequentie behoort tot onze realiteit. Beuys heeft er in zijn actie mee af te rekenen. Meer nog, juist op die inconsequentie is zijn ritus en de mystiek, die er de oorzaak, gevolg en doel van is, gebaseerd. Tot 5 maart zijn in de Wide White Space Gallery nog enkele relicten van een dergelijke actie, oorsprong en instrument, te zien □

 

André Lurçat.

K&C-agenda, 21 februari 1968.

[p. 228]

Kunst in België, nu. (debat)

Gent, 23 februari 1968.

Studenten wonen ook.

K&C-agenda, 28 februari 1968.

 

Het ziet er naar uit dat voor het ogenblik de studentenhuisvesting een van de programma's is die het meest inspireren tot nieuwe opzoekingen in verband met de huisvesting. Overal ter wereld worden nieuwe universiteiten gebouwd en een universiteit kan blijkbaar niet meer geconcipieerd worden zonder woongelegenheid voor studenten of professoren. De huisvesting voor studenten is wellicht geprivilegieerd ten overstaan van de algemene huisvesting omdat het programma beperkter, beter omschreven en overzichtelijker is, omdat de verantwoordelijkheden van de bouwheer beter omlijnd zijn. Verscheidene van de merkwaardigste realisaties van de architectuur in de laatste vijf jaren zijn dan ook studentenhomes. Ook bij ons. Vanzelfsprekend te Luik, tot voor kort de enige universiteit die een architectuurbeleid heeft gevoerd! Op dit beleid valt wel iets aan te merken, maar niemand kan zijn waardering en zelfs zijn bewondering onthouden aan de architectuur van Charles Vandenhove (1927), het levend bewijs dat ook in dit land op dit gebied nog iets mogelijk is. Van de krenterigheid waarmee architectuur in het algemeen wordt behandeld is hier geen spoor meer. Men ademt op.

Onder de werken van Charles Vandenhove is een van de belangrijkste het recente studentenhome ‘Résidence Lucien Brull’. Het bevindt zich niet op de universitaire campus te Sart-Tilman, maar aan de rand van de oude binnenstad. Het is in de eerste plaats bestemd voor studenten van de medische faculteit, die nog in de stad gevestigd is, maar staat ook open voor studenten die er de voorkeur aan geven niet op de campus te wonen. Er moet keuzemogelijkheid zijn.

Het programma omvat een torengebouw met honderd kamers voor studenten, jongens en meisjes, in groepen van zestien per verdieping; achtentwintig dubbele kamers voor studentenechtparen; een appartement voor de directeur en voor de huisbewaarder; bibliotheek, zalen voor recreatie, besprekingen, voordrachten. Naast de toren, maar in één complex ermee verbonden, bevinden zich het restaurant en de cafetaria. In het restaurant kunnen zeshonderd maaltijden in drie beurten tussen twaalf en twee geserveerd worden. Tweehonderd zitplaatsen zijn verspreid over drie verschillende lokalen. Hier speelt weer hetzelfde basisprincipe: vrijheid door aanbieding van keuzemogelijk-

[p. 229]

heid. De kamers zijn betrekkelijk ruim (13,5 m2, met balkon 16,5 m2) en uitstekend gemeubileerd. De enige kritiek geldt het feit dat de sanitaire inrichting niet persoonlijk is.

De royale denkwijze waarmee het programma werd benaderd, spreekt ook uit de architectonische vorm. Hij verliest zich niet in details of toevoegsels, maar bevestigt zich in de aanpak van het wezenlijke. Geen gezochtheid van materialen: alleen beton en baksteen, overal zichtbaar gelaten. Niet dat het materiaal niet zou tellen. De architectuur is naar mijn gevoel zelfs een tikje te nadrukkelijk op de herkenning en de aanwezigheid van het materiaal afgestemd. Ze heeft iets brutalistisch. Dit negatieve aspect wordt echter ruimschoots vergoed door de stevigheid, geborgenheid, aanwezigheid, waarmee deze architectuur het woonmilieu tot herkenbaarheid brengt □

 

Roger Raveel.

K&C-agenda, 28 februari 1968.

 

De criticus en zijn materiaal.

K&C-agenda, 28 februari 1968.

 

Pierre Bonnard. Naakt in tegenlicht.

Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen 4(1968).

 

De wereld van Henry van de Velde.

Streven 5(1968).

prepostterug  begin  verder