De Standaard der Letteren, 30 maart 1968.
Op urbanistische prestaties kan België niet groot gaan. Hier of daar klinkt er wel eens een kreet. Ruimtelijke ordening figureert nu zelfs in de verkiezingsmanifesten. Maar in feite wordt er niets aan gedaan. Nu overal ter wereld de urbanisatie als probleem, politiek probleem, nummer één aan de orde is, heerst bij ons een onvoorstelbare onverschilligheid. Zelfs in de hoogste kringen, als men tenminste tot die hoogste kringen de Franse sectie van de Koninklijke Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België, mag rekenen. In de Nederlandse sectie is, alweer een tijd geleden, een Commissie voor ruimtelijke ordening opgericht. Of ze nog bestaat, weet ik niet, maar hard werken doet ze in elk geval niet. Van enig resultaat is voorlopig niets te bespeuren. Wat de Franse sectie betreft, waarover ik het hier hebben wil, is die onverschilligheid zo groot, dat ze een prijs voor stedebouw, die ze onder haar beheer heeft met een ergerlijke nonchalance behandelt.
De tweejaarlijkse prijs Paul Bonduelle werd gesticht om het stedebouwkundig onderzoek in België te bevorderen. Met dit doel werd hij aan het beheer van de Koninklijke Academie overgemaakt. Wat brengt die ervan terecht? Hij was normaal uitgeschreven voor 1967 voor het project van een nieuwe stad van vijftig- of dertigduizend inwoners ter ontlasting van een grote agglomeratie.
Aan de uitschrijving ervan werd zo goed als geen publiciteit gegeven. Nu is het zo, dat een stedebouwkundige, eer hij aan zulk project begint, enige aarzeling te overwinnen heeft. Er wordt een massa energie en werk gevraagd, die misschien tot geen enkel resultaat komt. Door een verstandige publiciteit kon de Academie er zeker toe bijdragen dat deze aarzeling gemakkelijker werd overwonnen. In de omstandigheden waarin de prijs nu werd uitgeschreven en toegekend, gaat men zich de vraag stellen of de Academie het misschien niet bewust zo gewild heeft. Er zijn redenen genoeg die dit zouden laten vermoeden.
De waarde van een prijsvraag ligt in de competentie van de jury. Deze was samengesteld uit de heren De Ligne, Bastin, de la Vacherie, Absil, Stynen; één stedebouwkundige, twee architecten, een componist, een historicus. Hoe soortgelijke samenstelling van een jury voor een stedebouwkundig project kan verantwoord worden, zie ik niet. En ik begrijp het des te minder, daar in de statuten van de prijs uitdrukkelijk is aangegeven, dat er een beroep kan worden gedaan op specialisten uit het buitenland. Een stedebouwkundig project beoordeelt men niet op zicht. Niet de aardigheid van een maquette of tekeningen spelen hier een rol. Een verantwoorde beoordeling vergt in de
eerste plaats kennis van het probleem en ervaring om met plannen en maquettes om te gaan, en daarenboven de nodige inspanning om deze kennis aan het project te toetsen. Hoe wil men dat een musicus gaat oordelen over de integratie van het verkeer in een stadsontwerp?
Er is een tweede element dat wijst op een verregaande onverschilligheid. De Academie heeft geen enkele andere plaats gevonden om de projecten in ontvangst te nemen en tentoon te stellen (als dit woord hier nog gebruikt mag worden) dan een loods in ombouw, onverwarmd, midden in de winter, vochtig, zonder deuren, met als versiering en ameublement hopen steengruis. Geen enkele accommodatie was voorzien om de plannen te presenteren. Als men weet dat maquettes en opgekleefd papier erg gevoelig zijn voor vochtigheid en temperatuur, dan begrijpt men dat de deelnemers liefst hun plannen onmiddellijk terug naar huis hadden genomen.
Er is een derde element van ongenoegen. Door de Academie werd het zo aan boord gelegd dat niemand, buiten de jury, de kans heeft gehad om van de projecten kennis te nemen. Als dat gebeurd is, dan was het tersluiks! Erg democratisch is deze academische handelswijze niet. Een jury moet iedereen over haar beslissing laten oordelen. Maar tot daar aan toe. Erger is het feit dat de Academie van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt heeft om het belang van deze prijs en meteen van de stedebouw in het licht te stellen. De prijs staat open voor alle Belgen. Maar de Academie vond dat ze haar plicht had gedaan, toen ze alleen de Brusselse Franse pers en het agentschap Belga over de uitslag had ingelicht.
Ik geef toe dat het resultaat van de wedstrijd allesbehalve schitterend was. Maar wat wilt ge, in die omstandigheden? Slechts vijf projecten werden ingediend. Drie ervan konden zo afgewezen worden. Een competente jury was hier zelfs niet voor nodig. Bij deze evidentie heeft de jury zich echter niet neergelegd. Om de nu al bedenkelijke Belgische en vooral Brusselse situatie niet te verslechteren, heeft ze drie projecten weerhouden: één voor Brussel, de eerste prijs; één voor Vlaanderen, de tweede prijs; één voor Wallonië, de derde. Aan de eerste prijs gaf ze 600.000 fr., aan de tweede en derde elk 50.000 fr.
De redenen waarom het Brusselse project werd bekroond, liggen voor de hand. Eerst en vooral, het bezat kwaliteiten. Ten tweede, het werd gemaakt door het team Benoit, de Salle, Verbiest en Toussain, dat gewerkt heeft onder de leiding van de h. Lacoste, lid van de jury, maar niet aanwezig bij de beraadslaging. Het project charmeerde door zijn presentatie, grote maquette, schetsen en foto's van het landschap, de vallei van de Lasne. De voorgelegde documenten lieten echter geen werkelijke beoordeling van de verdiensten toe. Alleen een algemene stedebouwkundige conceptie werd erin gedemonstreerd. Deze was duidelijk geïnspireerd op het werk van Candilis-Josic-Woods (onlangs gepubliceerd) en vooral op het project voor Toulouse-le-Mirail, Fort-
Lamy en Belleville. De stad is niet meer een abstracte compositie van losse elementen, hoge torens en lage blokken, maar een continue structuur, die zich in de vorm van gebroken lijnen, als takken van een boom, in het landschap uitspreidt. Chr. Alexander heeft tegen soortgelijke opvatting zijn thesis gesteld: een stad is geen boom. In feite wordt in het geprimeerde project het achterhaalde, esthetische stedebouwkundige denkpatroon niet doorbroken, alleen maar even gecorrigeerd. Het blijft de compositie die op het voorplan staat en niet de concrete leefbaarheid van het stedelijke milieu.
Tegenover dit project stond dat van Cogge, D'Huyvetter, Jageneau en Toubhans, voor een stad van 30.000 inwoners op de Linkeroever te Antwerpen. Hier geen spectaculaire presentatie van een algemeen idee, maar een realistisch plan, waarvan de mogelijkheden tot in het laatste detail waren onderzocht. Het vergde wel enige studie om erin te komen, maar men wist wat men eraan had. De eerste verdienste van dit ontwerp ligt in zijn optie voor het herstel van een herkenbaar stedelijk milieu, met een eigen sfeer en klimaat. Vandaar de compactheid van deze stad, die met haar dertigduizend inwoners niet meer dan één vierkante kilometer in beslag neemt. De ontwerpers beschouwen die nieuwe stad dan ook als een wijk in de constellatie van het Antwerpse woongebied.
Bijzondere aandacht werd besteed aan de aansluiting van de wijk op de onmiddellijke en verdere omgeving, langs de metro, spoorweg en autoweg. De geslotenheid van het stedelijk milieu impliceert immers niet de autonomie van de afzonderlijke stad. Het bijzondere van het verkeerssysteem is, dat het niet bij de grenzen van de stad ophoudt en evenmin met brede verkeersstromen de stad openploegt. Het situeert zich op een onafhankelijk, ondergronds niveau. De uitwerking van het systeem kan tot kritiek aanleiding geven, maar in principe valt aan de voorgestelde oplossing niet te tornen. Het mechanisch verkeer kan men, geloof ik, niet uit de stad houden. Men moet het alleen zijn juiste plaats toekennen. Door het afzonderen van het verkeer op een eigen niveau, komt de stadsarea vrij voor de bewoner-voetganger. In de meeste gevallen blijft deze vrijheid van de voetganger fictief, door het feit van de uitgestrektheid van de stad. Hier is de grootste afstand, diagonaal van de ene uithoek tot de andere, niet meer dan twintig minuten lopen. Om dit lopen in ons klimaat nog reëler te maken, kan men zo goed als alle uithoeken van de stad bereiken in het droge.
De stad heeft een duidelijke structuur, vier woonbuurten van 7000 inwoners, in de vorm van een svastika, op het centrum afgesteld. Het centrum zelf bevat woongelegenheden voor 2000 inwoners. Deze enigszins archaïsche structuur is hét kritieke punt van het ontwerp. Ze maakt van de stad opnieuw een soort van uitgebreide dorpsgemeenschap. Het is echter wel zo, dat ze voldoende soepel werd uitgewerkt om veel van de theoretische bezwaren in de praktijk op te heffen. Ze maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat de natuur tot in het
centrum van de stad doordringt, zonder dat de eigen stadssfeer aangetast wordt. Ze maakt, steeds in haar concrete uitwerking, ook mogelijk dat de woonbuurten niet in slaapbuurten ontaarden, maar voldoende geanimeerd worden door de verschillende functies die op de rand ervan plaatsvinden. Het gevaar blijft echter bestaan dat ook hier weer de verschillende functies van de stad te zeer uiteengelegd worden.
Ondanks deze bezwaren ontaardt het ontwerp niet in een gratuite compositie. De strakke structuur werd niet als een autonoom element gehanteerd, maar als de noodzakelijke structuur die het leven van een groot geheel waarborgt. De ontwerpers zien de structuur als een levensvorm, d.w.z. een middel om de vrijheid en de spontaneïteit van de bewoners mogelijk te maken. Ze dient alleen maar om de zogenaamde tegenstelling uit te schakelen tussen privé-sfeer en sociale sfeer, tussen de kleine en de grote kring (Tellegen). Elke woning in de compacte stad is een volwaardig milieu voor het gezin, een huis met een tuintje in de letterlijke zin van het woord.
Met haar prijs Bonduelle heeft de Academie een prachtige gelegenheid gemist om over het brandende probleem van de stedebouw een discussie op gang te brengen, en misschien meer nog, om de verantwoordelijkheden voor de gang van zaken bij ons eens wat scherper te omlijnen □
Een stad voor dertigduizend.
TABK 6(1968).