La Maison 3(1968).
Van een moderne stad beweren dat het een stad van verkeken kansen is, klinkt banaal. Welke stad immers is er in geslaagd de overgang naar de technische era te voltrekken zonder van zijn functionaliteit, om niet te spreken van zijn bewoonbaarheid, erbij in te boeten? Er zijn echter heel bijzondere redenen om in het geval Antwerpen toch van verkeken kansen te mogen gewagen. Ik noem er maar enkele.
1. Antwerpen is een stad aan een stroom. Zij bezit dus, stedebouwkundig bekeken, een rijke positie. Zoals de stad nu geëvolueerd is, zou men het bijna vergeten. De stad is van de stroom weggegroeid. Zijn aanwezigheid is nog
slechts marginaal. De Schelde wordt meer en meer een zuiver economische aangelegenheid. Denk maar aan wat Londen, of Wenen, of Montréal, met een stroom doen.
2. Antwerpen is een internationale haven, de vierde in de wereld, de tweede continentale. Er is aanbod van leven en vertier te over om tot expressie te komen. Maar ook de haven groeit van de stad weg en wordt een aparte wereld. Minder en minder profiteert de stad van de haven, of omgekeerd, de haven van de stad. Het havenbeleid is niet geïntegreerd in een allesomvattende stedebouwkundige planning, een planning met name die zich mee de totaliteit van het fenomeen Antwerpen inlaat. Haven en stad, die altijd een onafscheidelijke eenheid uitgemaakt hebben, zijn nu om zo te zeggen tegengestelde belangen geworden. De stad is een aanhangsel van de haven. Het stedebouwkundige beeld van de uitbreiding Antwerpen-Noord laat in elk geval die indruk.
3. Antwerpen is een belangrijk administratief centrum en een handelsmetropool, een derde benijdenswaardige kans voor een stad. Maar ook dit aspect is er niet goed meer aan te merken. Om heel concreet te zijn verwijs ik nogmaals naar Montréal, niet alsof daar nu een pasklaar voorbeeld zou gegeven zijn, maar omdat er het besef levendig is geworden dat een administratief centrum en een handelsmetropool voor het ogenblik aangepaste accommodaties vergen voor uitwisseling van informatie, voor nieuwe vormen van communicatie, voor persoonlijke ontmoetingen, voor gesprekken ‘die alleen met een klop op de schouder kunnen besloten worden’. Overal komt men tot de vaststelling dat het levenskader zelf een wezenlijke rol speelt in de efficiëntie van het uitwisselingssysteem. Telefoon en telex hebben niet alles opgelost.
4. Antwerpen is een industriestad in expansie. Elke dag komen er nieuwe vestigingen of nemen oudere uitbreiding. Ook deze evolutie is niet in een samenhangende visie op het geheel opgenomen. Van primordiaal belang voor de stad, lijkt het maar logisch dat hun ontwikkelingsprogramma de voorrang krijgt in de planning. Het is echter niet meer logisch, als dit exclusief gebeurt. Dan keert de evolutie zich tegen de expansie zelf.
5. Antwerpen is tenslotte de culturele hoofdstad van Vlaanderen. Sinds kort is het ook zetel van een universitaire stichting. Dit feit kan geen aanleiding zijn tot het ontstaan van een of andere vorm van heimatstijl, zoals sommigen preconiseren. Het moet echter wel tot uitdrukking komen, zoals alle andere genoemde aspecten, in een aangepast cultureel equipement. Antwerpen hoeft de horreur van de Brusselse kunstberg niet te imiteren, maar het kan best enkele van de daar beschikbare accommodaties gebruiken, vooral nu, met een universitaire expansie voor de deur. Maar ook de unieke kans om naar aanleiding van de vestiging van een universiteit, Antwerpen zijn onmisbare culturele infrastructuur te geven, is nu al goeddeels verkeken door een onverantwoorde improvisatie.
Terend op zijn glorieus verleden, gaat Antwerpen een beetje al te zelfzeker aan de kansen die het stedebouwkundig geboden wordt, voorbij. Het verzinkt meer en meer in een hinderlijk provincialisme. In een evolutie zoals deze welke we vandaag meemaken, is een te groot zelfvertrouwen gevaarlijk. Het heeft niet alleen verhinderd dat Antwerpen tot het besef kwam van zijn unieke mogelijkheden om een modelstad van de XXe eeuw te bouwen, maar ook gemaakt dat de voorstellen hieromtrent werden afgewezen.
Het meest flagrant is dit gebeurd met de prijsvraag voor de Linkeroever in de dertiger jaren. Toen was er nog met zoveel verloren. Het was nog mogelijk om een heel nieuwe stad te bouwen en de oude met haar glorie er ongeschonden in op te nemen. Neem bijvoorbeeld het voorstel Le Corbusier-Hoste-Loquet van 1933. Het is niet juist te spreken van een plan voor de linkeroever. Het ontwerp was bedoeld als een plan voor de hele stad Antwerpen. En voor wie dit niet uit de plannen zelf kon opmaken, stond het in een uitvoerige toelichting beschreven. Het ging er met de woorden van de ontwerpers om ‘de nieuwe stad met de oude te verbinden en er een evenwichtig geheel van te maken’; om ‘voor de oude stad en haar verbindingswegen met de omgeving, met het hele land en met het buitenland de nodige wijzigingen aan te geven, de toevoegsels en de verbeteringen, om ze te doen beantwoorden aan haar nieuwe functie en alles in harmonie te brengen met het nieuwe geheel’. Het was een plan voor een wereldstad, een bewoonbare wereldstad waarin alle functies, haven, administratie, handel, industrie, hun laatste zin zouden vinden in een menselijk milieu.
De prijsvraag voor de linkeroever heeft een ogenblik kunnen doen geloven dat Antwerpen uit zijn lethargie zou ontwaken. Stedebouwkundig was het ogenblik toen heel gunstig. De economische crisis was, tenminste van dit standpunt uit, geen al te nadelige factor. Een hele groep zogenoemde ‘modernistische’ architecten waren gereed en bekwaam om hun taak op te nemen in het juiste perspecief, met name de stad als woonmilieu redden en uitbouwen. Sociaal bewogen, humanistisch geïnspireerd, dachten ze niet zozeer aan een bepaalde representatie-architectuur, maar aan een op de mens afgestemd leefmilieu. Ze dachten niet zozeer aan monumentjes voor zichzelf of voor de bouwheer, maar aan een algemene, functionele, om zo te zeggen anonieme architectuur, een architectuur zonder architect, waarin een nieuwe menselijkheid zich zou kunnen ontplooien. Ze dachten niet zozeer aan afzonderlijke programma's, maar aan gehelen. Dit uitzonderlijke moment, dat in andere steden van het land en in het buitenland, aanleiding was tot enkele opmerkelijke realisaties, ging aan Antwerpen haast ongemerkt voorbij. Te Antwerpen kan men niets aanwijzen in de aard van de wijken van J.J.P. Oud te Rotterdam, of van die van Eggericx te Bosvoorde, of van Bourgeois te Ste-Agatha-Berchem, of van H. Hoste te Kappelleveld. Er zijn slechts enkele schaarse getuigen dat ook hier het moment voor grote realisaties rijp was. Namen als
L. Stynen, A. Francken, Ed. van Steenbergen, J. Schellekens stonden er borg voor. Het volstaat enkele van die gebouwen te citeren: het appartementsgebouw op de Elsdonk en het huis aan de Antwerpse Steenweg te Boom van L. Stynen; bureelgebouwen van A. Francken; de woningen aan de Volhardingsstraat te Antwerpen en het atheneum te Deurne van Ed. van Steenbergen (vergelijk het atheneum maar met de naoorlogse scholenbouw in het Antwerpse), het eigen huis van J. Schellekens te Turnhout.
In de dertiger jaren was de situatie voor Antwerpen even gunstig en even belangrijk als in het laatste kwart van de XIXe eeuw. Maar in 1930 was Antwerpen blijkbaar met de stedebouwkundige en architectonische evolutie niet meer mee. Er was een kloof ontstaan tussen administratie en werkelijkheid. Men begon op de ontwikkeling achterna te hollen. De situatie van Antwerpen uit die jaren beantwoordt precies aan de beschrijving die Le Corbusier in 1925 van de officiële stedebouw gaf: ‘Kunt u zich voorstellen dat men een veldslag aanvat, zonder te weten waar men heen wil? In de stedebouw staan we zover. Ten einde raad storten opgeschrikte autoriteiten zich in avonturen van gendarmen met stokken, gendarmen met paarden, lichtsignalen, verkeersplaten, tunnels, tuinwijken, afschaffing van trams en wat weet ik meer. Hijgend proberen ze, nu eens zo, dan weer anders, het beest in toom te houden. Maar het beest - de grootstad - is sterker dan dat. Het wordt nu pas goed wakker. Wat zal men morgen uitvinden? Een gedragslijn is beslist nodig. Voor de moderne stedebouw zijn fundamentele principes noodzakelijk’.
Na de oorlog is het beest, ook te Anrwerpen, definitief losgebroken. Men was verrast en tot niet veel meer in staat dan de nukken van het beest in te volgen. Men kreeg niet de tijd meer om een gedragslijn uit te stippelen. Met enkele amateuristische ideetjes in het hoofd improviseerde men oplossingen voor de meest dringende problemen, die nu eens hier, dan weer daar opdoken. Voor verkeersproblemen geldt één oplossing: de straat verbreden. Huisvestingsproblemen worden bestreden met hier of daar een nieuwe wijk op te richten. Financiële belangengroepen maken zich van de huisvesting meester, speculeren naar hartelust, en zijn door hun macht in staat de toch al krankzinnige urbanistische recepten nog een beetje belachelijker te maken. Huisvesting wordt een industrie zoals een ander, waar niets op tegen is, als ze maar niet gebeurt ten koste van de stad en van haar bewoners.
Meer dan twintig jaar van deze chaotische improvisatie hebben Antwerpen voor het ogenblik op een nieuw crisispunt gebracht. Elke crisis biedt gelegenheid om veel te redden of veel te laten verloren gaan. Wat zal het voor Antwerpen zijn? Er is maar weinig dat vertrouwen voor de toekomst zou kunnen wekken. De binnenstad dreigt helemaal ten onder te gaan aan een blinde bouwwoede, door niets anders geleid dan financiële winst op korte termijn. Deze vernielingsdrift zou nog niet eens zo erg op te nemen zijn,
wanneer men niet bij voorbaat wist dat ze zal verlopen langs de wegen die we nu al stilaan beginnen te kennen: zonder overleg, zonder visie, zonder enige bekommernis om het geheel van de waarden die op het spel staan. Geen administratie die bekwaam is tegen de stroom op te roeien. Ze beperkt zich tot de toepassing van nutteloze voorschriften. Geen politieke formatie die zich aanbiedt om zich met kennis van zaken voor het behoud en herstel van het menselijk milieu in te zetten, op een ogenblik dat bijvoorbeeld in de U.S.A. het urbanisatieprobleem het politieke probleem bij uitstek is geworden. Geen spoor van bewustzijn in financiële of economische kringen die slechts van de actuele situatie zoveel trachten te maken als er van te maken valt. Men mene niet dat dit alles hier betrekkelijk lichtzinnig en met een grove dosis naïviteit wordt neergeschreven. Wanneer men het zo beschouwt, laat men eens te meer zien hoe blind men is voor de fundamentele evolutie die momenteel in het urbanistisch denken, d.w.z. in het denken over de leefbaarheid van het hele milieu in al zijn aspecten, aan de gang is. Neutra heeft hiervoor de passende formule gesmeed: survival through design. Alleen mag design dan niet neutriaans worden opgevat.
Dit pessimisme over de toekomst van Antwerpen wordt nog versterkt als men even de concrete verwezenlijkingen van de laatste jaren en de plannen die voor uitvoering gereed liggen onder ogen neemt. Eén grote teleurstelling is het. Een ogenblik is men geneigd een uitzondering te maken voor de toren van het administratieve centrum, die met al zijn tekorten, toch een stuk waarachtige architectuur kan genoemd worden. Maar juist de ruige kwaliteit van zijn architectuur maakt de afschuwelijke desintegratie van de stad, die er het gevolg van is, nog opvallender. Het is erg te vrezen dat deze kritiek niet zal weggeveegd worden door de verdere uitbouw. Een verwijzing naar The Economist Building te Londen moge verduidelijken wat hier bedoeld is. Door dit torengebouw wordt de stad niet uiteengereten. Het schept rond zich geen leegte. Door zijn juiste schaal geeft het aan dit deel van de stad, op een haast onopvallende manier, een eigen herkenbaarheid. Van de overige projecten te Antwerpen kan men alleen maar zeggen dat ze een kwarteeuw en meer op hun tijd ten achter zijn.
Als ik nog een voorbeeld ter vergelijking mag aanhalen, zou ik de aanpak van het South-Bank-centrum willen stellen tegenover het project van het Antwerpse theater. Dit laatste kan in geen opzicht de vergelijking doorstaan van de Royal Festival Hall, die nu al bijna twintig jaar oud is, om maar te zwijgen van de nieuwe concertzalen, die juist voltooid zijn, en het nieuwe theater, waarvan de bouw nu wordt begonnen. En dan heb ik het niet in de eerste plaats over de eigen architectonische vorm die Denys Lasdun aan die projecten heeft gegeven, als wel over de stedebouwkundige integratie. Wat is er verder te denken van de plannen voor afbraak van de Boerentoren? Van het torengebouw dat op de Groenplaats moet komen? Of van de zogenoemde
valorisatie van de wijk bij de St.-Jacobskerk? Van de nieuwe Spaar- en Lijf-rentekas op het Rooseveltplein? Van de reeds in opbouw zijnde theaterbuilding?
In deze situatie is de welwillende architect geplaatst. Maar kunnen we eigenlijk nog wel van welwillendheid spreken? De architect is het toch die de laatste verantwoordelijkheid draagt. Architecten zijn het die al deze gebouwen hebben ontworpen. Het enige wat men kan doen, is een onderscheid maken tussen architect en architect en daarmee de tragische vormloosheid van het beroep bevestigen, een vormloosheid die de eerste hindernis is om tot een sanering te komen van de boven geschetste toestand. Architectuur en architect zijn, inderdaad, in hun algemeenheid woorden zonder betekenis geworden. Er zullen dringend drastische maatregelen moeten worden genomen om deze begrippen opnieuw te laden, niet alleen omwille van het voortbestaan van het beroep, maar ook ten behoeve van de gemeenschap.
De individuele architect kan immers maar in de samenleving functioneren als hij zich ergens kan vereenzelvigen met de architect als sociale figuur en met de architectuur als wetenschappelijke discipline en technische bekwaamheid. Dat betekent helemaal niet dat hij zijn creativiteit en oorspronkelijkheid moet afleggen, alleen maar dat hij zich met deze creativiteit ten dienste stelt van een gemeenschappelijke taak. Als men er even wil op doordenken, komt men tot de conclusie dat het huidige beroep de waarachtige architectuur eerder in de weg staat dan stimuleert. De architect heeft immers al te lang zijn taak beschouwd als het realiseren van een soort vormverfijning waarover zijn geïsoleerde artistieke persoonlijkheid alleenbeschikkingsrecht bezat. Nu staan we zover dat de onzinnigheid van die positie én voor de architect én voor de architectuur evident zijn geworden.
Wil de architect nog aan architectuur doen, dan moet hij meer zijn dan architect in de beperkte zin van het woord, dan moet hij de reële problematiek van het algemene woonmilieu onder ogen nemen en op zoek gaan naar mogelijke oplossingen hiervoor. Deze kunnen maar reëel zijn, wanneer het oplossingen zijn die passen in het raam van de totaliteit van stad, streek en land. Een eerste voorwaarde om dat te kunnen verwezenlijken is het creëren van de aangepaste structuur, waarin de verantwoordelijkheid van de architect kan gaan werken. Al de rest is voorlopig het reinste amateurisme.
Natuurlijk wordt zo'n structuur niet ineens en niet in het luchtledige ontworpen. De betekenis van de in dit nummer gepubliceerde werken bestaat erin dat ze, in zekere mate althans, vanuit deze visie zijn ontworpen, dat ze als het ware die nieuwe totaliteit veronderstellen én oproepen, dat ze het gemis aan een functionele structuur van het architecten beroep in het geheel van het samenlevingspatroon aanklagen en deze structuur terzelfdertijd voorbereiden. De architect kan zich aan zijn verantwoordelijkheid ten overstaan van het woonmilieu en de leefbaarheid van de stad niet meer onttrekken. Niet hij
moet wachten op de politiek. Hij is het die de politiek op dat gebied voor haar verantwoordelijkheid moet stellen.
Het wordt hoog tijd □