in Kleur-Object (tentoonstellingscatalogus), Middelheim, Antwerpen, 23 maart - 21 april 1968.
Van een tentoonstelling in Middelheim kan men verwachten dat het om beelden gaat. Maar gaat het hier nog wel om beelden? Beelden roepen namen op. Beelden willen een inhoud, een bepaling. Ze willen iets zeggen, naar iets buiten zichzelf verwijzen, iets waar maken. Dat doen deze vormen niet. Kunnen we dan nog over vormen spreken? Ook deze naam schudden ze van zich af. Ook een vorm is nog te zeer met betekenis geladen, nog te sterk gedefinieerd als iets met een begin en een einde, met een centrum of minstens met een ineengebonden structuur, met een duidelijk verloop, een omschrijving. Een vorm is iets. En deze, ja, deze objecten zijn niets, volslagen naamloos. Misschien noemen we ze best ook geen objecten, maar toestanden, verder niet te benoemen toestanden van vormen en kleur. Toestand is een wijze van zijn, niets meer. We kunnen er eigenlijk alleen nog maar naar wijzen: alles en niets. Een boom, die nog geen boom is, nog geen naam gekregen heeft, nog alles worden kan. Een letter, die nog geen woord gevonden heeft, niets betekent en toch bestaat, op zichzelf.
De moderne kunst, zelfs de meest abstracte, heeft nog altijd in beelden gedacht. Wat we, nu meemaken leefde alleen onderhuids. Een Pevsner, een Gabo, een Bill zelfs, hebben vormen geschapen. Ze waren vrijgeraakt van de verschijning van de dingen, voelden zich los van de imitatie. Maar in de plaats zetten ze structuren en maakten die structuren weer tot dingen. Deze kunstenaars, hoe radicaal ze ook dachten af te rekenen met de traditie, traden niet uit de kring van Descartes, Spinoza en Kant. Ze bleven subject tegenover object. In het werk van Kampmann, Struycken, Gaul, Dekkers, De Smet, Rückriem, Woodham en de meeste anderen die op deze tentoonstelling te zien zijn, zijn subject en object, kunstenaar en kunstwerk, achterhaalde, niet meer toepasbare begrippen. De kunstenaar staat niet langer tegenover het werk als de schepper van iets nieuws, iets unieks, iets afs. Iets waarvoor anderen bewondering moeten opbrengen.
Deze kunstenaars zijn wetenschapsmensen: zij reveleren werkelijk. Kunst is
voor hen een nieuwe vorm, een broodnodige vorm van wetenschap. Een wetenschap die het er niet op aanlegt begripsmodellen op te stellen die de werkelijkheid voor de mens hanteerbaar maken, maar die het integendeel gezien heeft in wat in de werkelijkheid aan die intellectuele of praktische hanteerbaarheid ontsnapt. Een wetenschap m.a.w. die weigert de werkelijkheid een doel en een functie op te leggen, om alleen maar met de werkelijkheid bezig te zijn. In ons denksysteem bestaat die werkelijkheid niet. Maar in feite is ze fundament en bestaansreden van alles.
Wat geldt voor de verhouding van kunstenaar tot werk, geldt ook voor de toeschouwer. Hij wordt niet meer met een kunstenaar of een kunstwerk geconfronteerd. Hij krijgt geen persoonlijke interpretaties meer voorgeschoteld. Hij neemt kennis met een naamloos bestaan. Daarin ligt het bevrijdende van die kunst. En het revolutionaire. Men kan ze leegte noemen, maar dan leegte van een nieuw begin □
Affiche.
(film BRT) maart 1968.