terug  begin  verderprepost

Speeltijd.

K&C-agenda, 3 april 1968.

 

‘Speeltijd’ is de titel van een tentoonstelling in de Korrekelder te Brugge, georganiseerd door de PLUS-beweging uit Gent. Deze ‘streeft naar een groepering en samenwerking onder beoefenaars van constructieve kunst, architecten en wetenschapsmensen’. Wat er van die geplande samenwerking ook moge zijn, de tentoonstelling te Brugge, waar voorlopig alleen kunstenaars en architecten aan meewerken, staat in het teken van het spel, in het teken van de kunst die het tijdperk van de spelende mens inluidt, die het kunstobject als een stuk speelgoed aan de mens wil overlaten. Spelende mens en constructieve kunst roepen elkaar op: ‘dat de uitvinders van deze kunstspelen meestal beoefenaars zijn van kunstvormen, die men “constructief” pleegt te noemen, is geen toeval. Eindelijk werd men er zich van bewust dat de wereld van het spel niet onverenigbaar is met die van de wetenschappen en de techniek. Elk spel put immers zijn boeivermogen in een streng nagevolgde discipline. De spelregels vormen een universele taal, die een nieuwe dialoog mogelijk maakt. Het

[p. 243]

spel is per definitie sociaal gericht: een meervoud van mensen wordt erbij betrokken. Het spel is van nature ook positief: met behulp van tijd tracht men iets op te bouwen. Het spel in het kunstwerk vindt veeleer zijn oorsprong in het speels “lezen” door de toeschouwer(s), dan in de zogezegde speelse creativiteit van de auteur. Spontane individuele improvisatie bij de conceptie, heeft met eigenlijk spel niets te maken; de bewegingen zijn er verstard, de mogelijkheden uitgeschakeld. Spel duidt op actie, evolutie zelfs, vandaar dat het zich beweegt en dus leeft binnen de dimensies van de tijd. De speelse kunst slaagt erin een eeuwenoude artistieke droom te verwezenlijken: de toeschouwers rechtstreeks te betrekken, zelfs deelachtig te maken aan het creatieproces (Yves de Smet)’.

Men mag nu wel niet te diep ingaan op deze spelfilosofie, want dan rijzen er onmiddellijk gevaarlijke vragen op, die de kunstenaar als een volstrekt overbodig wezen laten zien. Niet de filosofie is belangrijk, wel het werk dat ze wil reveleren. Het is opvallend en juist, dat in deze spelfilosofie de maker van het speelgoed op de achtergrond verdwijnt. In de tentoonstelling zelf is dat nog niet helemaal het geval. Buiten de x-gruppe uit Frankfurt (die dan nog drie adressen opgeven voor de drie werken die ze tentoonstelt), heeft men er nog altijd met ‘kunstenaarspersoonlijkheden’ te doen. Een twintigtal zijn er te Brugge vertegenwoordigd waaronder uit het buitenland: Cruz-Diez, Dekkers, Geopfert, Graatsman en Slothouber, Hilgemann, Nannucci, Reuss, Staakman; uit België: Buchet, Buisseret, Cortier, Delahaut, De Smet, Gabriël, Ganzevoort, Plompen, Rubens, Van den Abbeel, Vandenbranden, Verstockt.

Wie zich de catalogus van de tentoonstelling Kleur-Object, die momenteel in Middelheim plaats heeft (zie K&C/10), herinnert, merkt dat er verschillende van de hier vermelde namen ook daar voorkwamen. De twee tentoonstellingen hebben dan ook iets met elkaar te maken. De kunstspelen waar men het in Brugge over heeft, zou men ook kleurspelen kunnen noemen, zoals in Antwerpen wordt gesuggereerd. Maar wellicht is het beter niet te veel te benoemen, en maar dingen te maken waar zoveel verrassing in steekt, dat men er mee aan het spelen is zonder dat men het weet. Tenslotte leert men niet spelen. Men doet het □

 

Een gebouw, een plein.

K&C-agenda, 3 april 1968.

[p. 244]

Minimal art.

K&C-agenda, 10 april 1968.

 

Muziek en architectuur.

K&C-agenda, 10 april 1968.

 

Three blind mice.

K&C-agenda, 17 april 1968.

 

Architectuur zonder architecten.

K&C-agenda, 17 april 1968.

 

Kunstmarkt.

K&C-agenda, 24 april 1968.

 

In memoriam de boerentoren.

K&C-agenda, 24 april 1968.

 

Het beschadigde kunstwerk.

Streven 7(1968).

prepostterug  begin  verder