terug  begin  verderprepost

Henry Moore en Desiderius Erasmus.

K&C-agenda, 22 mei 1968.

 

Op vrijdag 3 mei heeft de Engelse beeldhouwer Henry Moore uit handen van prins Bernhard de Erasmusprijs ontvangen. In vroeger jaren werd die prijs reeds toegekend aan de kunstenaars Marc Chagall, Oskar Kokoschka, Charles Chaplin, Ingmar Bergman, de wijsgeren Karl Jaspers, Martin Buber, Ro-

[p. 248]

mano Guardini, de kunstcritici Herbert Read (een vriend van Moore) en René Huyghe, de Nederlandse econoom Tinbergen. Het ligt in de bedoeling van de prijs dat het toegekende bedrag van bijna anderhalf miljoen Belgische frank voor een gedeelte althans door de laureaten besteed wordt voor een initiatief ten dienste van de Europese geest en cultuur. Moore zou het willen gebruiken om jonge beeldhouwers te steunen.

Met deze enkele informatieve gegevens zijn er een aantal relaties geponeerd waarover nagedacht kan worden. Om met de laatste te beginnen: Moore en de jonge beeldhouwers, in het bijzonder de jonge Engelse beeldhouwers. Tot voor kort vertoonde de Engelse beeldhouwkunst het karakter van een one-man-show. Het toneel werd volkomen beheerst door de figuur van Henry Moore. Barbara Hepworth, Reg Butler, Lynn Chadwick, Kenneth Armitage en anderen speelden een figurantenrol. Sinds een vijftal jaren echter is voor de Engelse jongeren het Moore-tijdperk definitief afgesloten. Een Anthony Caro, William Turnbull, Eduardo Paolozzi zetten de bevrijding van de ‘bevrijder’ in. De jongste generatie met Philip King, William Tucker, David Annesley, Michael Bolus, David Hall, Derek Woodham en zovele anderen kennen Moore niet meer. Ze hoeven er niet meer mee af te rekenen. De afstand van Moore tot de jongere beeldhouwers is niet overal zo groot als in Engeland, maar nergens is Moore nog dé meester. Integendeel. Het jonge werk gaat meestal rechtstreeks tegen dit van Moore in. Voor de jongeren is Moore de laatste beeldhouwer van het Westen geweest. In dit perspectief moet de grote retrospectieve in het Kröller-Müllermuseum te Otterlo, naar aanleiding van de Erasmusprijs, beschouwd worden.

Dit brengt ons op een tweede relatie: het palmares van de Erasmusprijs. De naam van Moore is toegevoegd aan een lijst van namen waarin hij perfect past. Buber en Tinbergen niet al te na gesproken, vormen ze een vrij homogene club, waarvan men zich kan afvragen of het peetschap van Erasmus erbij past. Allen zijn het avondlandse mensen, mensen van de Europese traditie en cultuur, mensen van het heimwee naar oude mythen, mensen van de restauratie. Ze zijn niet blind voor wat er in deze tijd omgaat, maar ze zijn in de eerste plaats toch bekommerd om het nieuwe te integreren. Marius van Beek, die zelf tot deze klasse van mensen kan gerekend worden, schrijft over Moore: ‘Bij al zijn bescheidenheid wil Henry Moore toch eeuwigheidsfiguren oprichten in de zin zoals zijn verre voorvaderen Kelten en Druïden dat gedaan hebben. Hij slijpt zijn wezens naar een onvergankelijkheid, een besef, dat steeds in hem groeiend is. Zijn hang naar oerstructuren en het zoeken naar het oerwezen van de vrouw - meestal liggend - duidt daar op, totems, Stonehenge, het heeft allemaal met elkaar te maken’.

Een Picasso, Ernst, Duchamp, Calder, om alleen enkele generatiegenoten te vermelden, horen in deze club niet thuis. Op het gebied van film, cultuurfilosofie, kunstkritiek kunnen misschien minder gemakkelijk zulke algemeen

[p. 249]

bekende namen aan de laureaten van de Erasmusprijs tegengesteld worden, maar ook voor deze geldt dat ze een mentaliteit vertegenwoordigen die men zou kunnen karakteriseren als die van de humanistische synthese.

Nu lijkt me die mentaliteit helemaal niet overeen te komen met die van de auteur van de Lof der zotheid. De humanist en Europeaan Erasmus was geen synthese-denker, maar wel een kritische annotator ervan. Erasmus integreerde niet en liet zich niet integreren. Moore wel. Hij is momenteel dé moderne beeldhouwer, wiens werk zonder opspraak te verwekken in alle musea, op alle openbare pleinen, voor alle verzekerings- en bankgebouwen kan geplaatst worden. Met de Erasmusprijs schijnt Moore deze officiële status definitief aanvaard te hebben.

Deze constataties nemen natuurlijk niets weg van de betekenis van Moores oeuvre. Ze proberen alleen maar Moore (en de Erasmusprijs) juister te situeren. En daar is reden toe, omdat het gevaar bestaat dat het begrip ‘Europese cultuur’ al te zeer wordt verengd. In juli begint de Moore-tentoonstelling haar tournee, eerst te Düsseldorf, half september komt ze naar het Boymans-museum te Rotterdam. Ook in de Tate Gallery te Londen wordt deze zomer een uitgebreid overzicht van Moores werk getoond □

prepostterug  begin  verder