K&C-agenda, 23 oktober 1968
en in Interieur 68 (tentoonstellingscatalogus), Kortrijk, 1968.
Meubeltentoonstellingen zijn er vast bij de vleet. Ook in ons land. Je hoeft maar een jaarbeurs binnen te stappen om te zien dat meubelen, of juister gezegd, hele interieurs er een belangrijk onderdeel van uitmaken. Meubelfirma's hebben hun magazijnen zo ingericht dat ze permanente tentoonstellingen geworden zijn, waar de klant zich van vandaag op morgen een compleet interieur kan kiezen. Grote warenhuizen zijn op deze ontwikkeling niet ten achter gebleven. Ze reserveren hele verdiepingen voor de man-op-zoek-naar-zijn-interieur. Een gamma, gaande van imitatie-stijlmeubelen tot produkten met een hedendaagse stempel, soms van internationaal bekende designers, zijn er te koop. De meeste van deze instellingen zijn niet selectief, kunnen
ook niet selectief zijn, omdat ze alleen maar berekend zijn op de grootst mogelijke omzet en deze is gekoppeld aan de grootst mogelijke keuze.
In dit onschuldig woordje ‘keuze’ zit echter het hele probleem. Mensen die het menen te weten, verzetten zich tegen deze zo goed als onbeperkte keuzemogelijkheid. Ze wordt gedoodverfd als bedrog en misleiding van het publiek, dat niet in staat wordt geacht zelf over de keuze van zijn interieur te beslissen. Daartegenover stellen ze een eigen keuze van verantwoorde produkten voor, meestal in vrij selecte zaken, die er zo duur uitzien dat de man waarvoor ze gemaakt werden niet eens voor de vitrine durft blijven staan en alleen maar kennis kan nemen van de hedendaagse droompaleizen in revues als Schöner Wohnen, La Maison Idéale, Avenue.
Nu komt Kortrijk met een nieuw initiatief: een biënnale die onder de titel ‘Interieur’ een internationale confrontatie van de creativiteit op gebied van de binnenhuisarchitectuur wil organiseren. Waar ligt de keuze hier? Voor de modedictatuur van de selectie? Of voor de absolute vrijheid? Als de vraag zo gesteld wordt, dan kan noch voor het een, noch voor het ander gekozen worden. Wanneer een initiatief als dat van Kortrijk enige betekenis wil hebben, dan kan die alleen maar bestaan in het afwijzen van dit achterhaald dilemma, om eerlijk op zoek te gaan naar de feitelijke verhoudingen van mens en interieur in deze tijd. Dit zoeken is hier natuurlijk niet voor het eerst aan de orde. Maar het wordt wel in een heel concrete en complete situatie gesteld en dat is niet zo vaak gebeurd. Alle betrokken partijen, van producent tot publiek, zijn hier vertegenwoordigd. Het gestelde probleem raakt immers allen die ergens iets met interieur te maken hebben en dat is de hele menselijke samenleving, publiek en privé, die een interieur behoeft om te kunnen voortbestaan. Als je er ver genoeg durft op doordenken dan wordt in ‘Interieur’ noch min, noch meer de vraag gesteld naar de mogelijkheid van de democratische mens. De gestalte van het interieur is immers niet iets vrijblijvends. Ze is directe vorm van menselijke leefbaarheid, of, om met McLuhan te spreken, uitloper van lichamelijkheid, vorm van persoonlijkheid. De crisis van het hedendaagse interieur is zoveel als de crisis van de persoonlijkheid.
De vraag die moet gesteld worden luidt: is de mens van 1968, die tot persoonlijkheid gepromoveerd is, er werkelijk een? Is hij in staat zijn eigen leven op een creatieve wijze gestalte te geven of is hij er in feite, zoals in het verleden, alleen om begaan zich zo stipt mogelijk te gedragen als de grootste gemene deler van een bepaalde sociale groep?
De ontwerpers hebben gemeend die vragen te kunnen omzeilen door het object los te maken van de concrete mens, het te isoleren als iets zelfstandigs, iets dat op zichzelf bestaat en zijn verantwoording vindt in het beantwoorden aan een abstract ideaal. Dit ideaal werd geformuleerd op basis van een zogenaamde functionaliteit, waarin de mens enkel als een soort automaat kon bestaan. Op geen enkel punt echter heeft die functionaliteit zulke flagrante
mislukkingen opgelopen als op dit van het interieur. Nu staan we zover dat ook de ontwerpers zelf in verzet komen tegen de posities waarin ze zichzelf gemanoeuvreerd hebben en die niet langer houdbaar blijken te zijn. Ze zien nu zichzelf verplicht tot vragen die zij vanuit hun enge en geïsoleerde beroepsopvatting niet meer kunnen beantwoorden. Ze zijn op zoek naar reële opdrachtgevers, voor wie objecten kunnen gemaakt worden. Ze veronderstellen niet langer de ideale gebruiker voor het ideaal produkt, maar willen zich inschakelen in het proces van de hedendaagse maatschappij en van de hedendaagse mens op zoek naar zijn identiteit. De meest lucieden onder hen willen niet langer de mens designen naar vooropgezette maatstaven, maar voor die mens de voorwaarden en stimulansen leveren om zijn oorspronkelijkheid en creativiteit - als die mocht bestaan - te kunnen uitleven (tot 27 oktober) □