terug  begin  verderprepost

De vrijheid om gelijk te zijn.

K&C-agenda, 23 oktober 1968.

 

Over de ‘eerste vrije eksposisie in het eerste vrije museum van Europa’ zou ik, zoals alle andere kunstkenners en critici, mijn mond moeten houden. De heren kunstkenners en cririci helpen immers met veel mooie woorden nieuwe moden lanceren, maar dienen in werkelijkheid bewust of onbewust de belangen van de kunstmarkt. De heren kunstkenners hebben hun autoriteit verspeeld. Ze hoeven niet meer te zeggen welk werk waard is om getoond te worden en welk niet. De heren van de vrije actiegroep willen alleen nog hun eigen ogen geloven.

Welke criteria zouden de heren kunstkenners overigens inroepen? ‘Gelijkheid is het enige criterium’. En de heren kunstkenners behoren niet tot de bond van gelijkheid. Hen wordt van meetaf aan de vrijheid ontzegd gelijke onder de gelijken te zijn. Ze mogen hun eigen ogen niet meer geloven, noch berichten over wat ze hebben gezien.

Ik zal me niet verder amuseren met de analyse van de literatuur die de vrije actiegroep van Antwerpen gemeend heeft haar tentoonstelling te moeten meegeven. Ze moet voor de literatuur van heel wat kunstkritiek niet onderdoen. Als je haar leest, bekruipt je de neiging om te zeggen: bedankt voor uw vrijheid. Geef me maar een stuk onvrijheid met een beetje kwaliteit (echte kwaliteit is altijd vrijheid!). Laat ons (voorlopig) nog maar een beetje ongelijk zijn.

Maar zulk een houding zou onredelijk zijn, want achter het geleuter met de begrippen van vrijheid en gelijkheid, achter de zelfgenoegzaamheid van de

[p. 270]

groep, staat een waarachtig protest. Het verzet tegen mode, willekeur, improvisatie onder het kleed van wetenschappelijkheid, oneerlijkheid, commercialisering van de kunst, esoterisme, is rechtmatig. Met volle recht wordt daartegen geprotesteerd en gaarne wordt wat ongenuanceerdheid op de koop toe genomen om dat protest waar te maken. ‘De kunst is dood, leve de creativiteit’.

Als je in die kreet wil blijven geloven, ga dan niet naar de ‘vrije eksposisie’ zien. Je geloof in de creativiteit stort zo in elkaar. Je vindt er niet veel anders dan epigonisme en dan nog een epigonisme dat soms niet ver van het plagiaat afstaat, De situatie die men hier meemaakt, kan men zich bijvoorbeeld in de literatuur niet meer voorstellen.

In naam van de gelijkheid, de gelijke kansen voor iedereen, de controle van de basis uit, en wat weet ik meer, wordt gewoonweg een nivellering naar onder voorgestaan en wordt elke onderkenning van reële waarden afgewezen. Iemand die durft sneller lopen dan een ander, moet uitgeschakeld worden, want hij verbreekt de gelijkheid. Er bestaat immers (voorlopig) maar één door de broeders van de vrijheid erkende kwaliteit: die van de gelijkheid. Men is alleen maar vrij om gelijk te zijn. Eigenlijk zouden de schilders dan ook consequent moeten ophouden met schilderen. Het gelijk-zijn wordt immers nooit door creativiteit bepaald - creativiteit is het doorbreken van de gelijkheid -, maar door het uniform. Het uniform is hier dit van een hopeloos epigonisme, academisme, of hoe je het ook noemen wil.

Ik aanvaard het protest tegen elke schijncultuur van het modernisme, tegen de dictatuur van het geld en de kunstmode, tegen elke vorm van kunst en kennis die niets anders is dan een alibi voor zelf-affirmatie, agressiviteit, of gewoon maar ijdelheid. Ik geloof in de creativiteit van de mens. Maar ik moet bekennen dat dit geloof eens te meer een flinke deuk heeft moeten incasseren door de ‘vrije eksposisie’. Het gaat niet op de ene schijn door de andere te vervangen, de ene steriele organisatie door de andere. Het heeft geen zin de ene naam in de plaats van de andere te stellen als de hele structuur niet wordt veranderd. Concreet gesproken doet de vrije actiegroep Antwerpen niet anders dan de meeste van de metropolitaine galerieën: het risico uit de weg gaan om voor echte waarden te opteren en zich voor een persoonlijk inzicht in te zetten. In een van de strooibiljetten van de vaga wordt Mayakowski geciteerd. Ik zou een Mayakowski in ons midden wensen. Hij zou, geloof ik, tegen de ‘vrije eksposisie’ gefulmineerd hebben.

Op de tentoonstelling wordt ook de maquette voor het Conscienceplein van Antwerpen getoond. Dit plein is dank zij de actie van de vaga autovrij geworden en kan nu door de Antwerpenaren opnieuw in bezit genomen worden. Wie het te warm krijgt in de bibliotheek, kan daar in openlucht, in de schaduw van de boom die er misschien komt, zijn boek verder lezen. Het is een bescheiden, maar belangrijk en reëel feit, reëler dan de hele tentoonstelling.

[p. 271]

Bij gelegenheid kom ik hierop terug □

 

Een cheque voor een tandarts.

K&C-agenda, 23 oktober 1968.

prepostterug  begin  verder