K&C-agenda, 30 oktober 1968.
Vandaag wordt in het Paleis voor Schone Kunsten te Brussel een belangrijke tentoonstelling geopend, gewijd aan drieduizend jaar Mexicaanse kunst. Er bestaat waarschijnlijk geen land met zulk een verscheidenheid van culturen, waarvoor het zoveel betekenis heeft om van één historisch geheel van drieduizend jaar te spreken. Reeds in het precolumbiaanse tijdperk moet er een onderscheid gemaakt worden tussen verschillende, uiteenlopende rassen en culturen, maar toch blijft er een overwegende herkenbaarheid van de ene fundamentele inspiratie, als het ware de greep van de grond op de mens. Na de verovering van Mexico leeft in de vormen van de exuberante Spaanse barok de Mexicaanse mens verder. En dit tot op onze dagen in de opvallende eigenheid van de hedendaagse Mexicaanse kunst en architectuur.
Heel duidelijk bijvoorbeeld komt dit traditiegebonden bewustzijn en de belangrijkheid die de kunst daarin speelt tot uiting in het nieuwe Antropologisch en Etnografisch Museum van Chapultepec in Mexico, waaruit de stukken voor de expositie afkomstig zijn. Tot in de architectuur van dit moderne museum (dat geen museum voor schone kunsten heet) spelen de oude archetypen door. Maar ze blijven toch het best en meest overtuigend herkenbaar in de fantastische beelden van goden en mensen die er zijn ondergebracht.
In zijn toespraak bij de opening van dit museum, nu een viertal jaar geleden, zei Torres Bodet: ‘Door de affirmatie van wat nationaal is, schakelt men zich in het universele in’. En men zou er met een parafrase nog aan kunnen toevoegen:‘Door de affirmatie van wat traditioneel is, schakelt men zich in het heden in’. Deze slechts schijnbare contradicties (vasthangend aan een westerse logica) geven aan de Mexicaanse kunst haar eigen karakter en maken haar, in haar geheel, tot een uitdaging voor de moderne westerse geëmancipeerde mens. De Mexicaanse kunst gelooft niet in de zelfverzekerde autonomie van de moderne persoonlijkheid. Ze staat dicht bij het leven, heeft een
scherpe aandacht voor alles wat natuur is, maar ze ziet dit alles en de mens opgenomen in het grote geheel - men zou kunnen zeggen: het grote fresco - van de kosmos, onderworpen aan de wetten van groei en dood. Het leven en de natuur zijn in de eerste plaats het domein van de goden en de mens participeert er slechts aan door zijn rituele onderwerping. Van elke vorm van kunst kan men zeggen dat hij zijn oorsprong heeft in de religie, maar hier is deze religie van het leven als het ware object zelf van de kunst geworden en geëxalteerd tot proporties, waar wij met onze verengde begrippen niet meer bij kunnen. Zij geeft de Mexicaanse kunst haar fascinerende grootheid en haar schrikwekkende ernst. Ze stelt de mens in een ruimte van een geweldige densiteit, waarin hij boven zichzelf uitstijgt en zichzelf verliest in een mystieke deelname aan het bestaan.
Op de Expo van Montréal hadden de Mexicanen niets anders gedaan dan met beelden van de precolumbiaanse culturen, de christelijke barok en de hedendaagse kunst de mens van vandaag voor zichzelf te plaatsen. Geen industrie, geen technische veroveringen, geen welvaartsdromen, geen vooruitgangsoptimisme: de naakte mens in de spiegel van de kunst. Zulk een kunst hoort eigenlijk niet thuis in een ‘paleis voor schone kunsten’. Ze is echter sterk genoeg om zelfs dit paleis te doen vergeten en de mens in haar verschrikkelijke ban op te nemen. Honderdveertig beelden, schilderijen, rituele objecten, gebruiksvoorwerpen, aangevuld met foto's en maquettes, geven een fascinerend beeld van de Mexicaanse beschaving, waarvan wij in het ritueel en de discipline van de Olympische Spelen slechts een verre voorsmaak hebben gekregen. De tentoonstelling, oorspronkelijk voorzien tot 24 november, zal toegankelijk blijven tot 29 december □